‘De jaren lijken te zijn vergleden als een luchtspiegeling. Zoveel beelden, details, gesprekken en woorden zijn verdampt uit mijn brein. Zoveel verrukkelijks, zoveel verdrietigs of waardevols is verzand in vergetelheid. Mooi woord: verzand. Zand stuift eroverheen. Een enkel obstakel biedt weerstand, blijft nog korte tijd boven het oppervlak, wordt een zandheuveltje, verliest zijn contouren. Weg.’

Inez van Dullemen (1925) is zeventig als zij deze sombere gedachten in haar dagboek noteert. Ze gaat dan gebukt onder een writer’s block: ‘De krachtsinspanning, het hele proces van het schrijven wordt me te zwaar.’ Zij is bang dat het gedaan is met haar inspiratie en creativiteit. Wellicht staat haar binnenkort te wachten wat zij vreest: het lot van haar bejaarde ouders, die hun individualiteit en waardigheid verloren in verpleegtehuizen. Daarover schreef zij in 1976 de kroniek Vroeger is dood, haar meest succesvolle boek.

‘Mijn vader en moeder hadden nooit voorzorgsmaatregelen willen treffen. De oude dag was een hoge muur waar ze niet overheen konden kijken. Bovendien hadden ze geen ervaring. Ze behoorden tot een generatie die pionierswerk moest verrichten, die opeens met honderden tegelijk het niemandsland van de verzorgingsflats en de bejaardentehuizen in werd gedreven.’ Wachtte haar nu ook vergetelheid en de ‘Brave New World’ van de oudjes?

Nee. De beelden en de woorden kwamen terug. Sinds deze dagboekaantekening schreef zij vier romans. En deze zomer publiceerde zij een terugblik op haar leven onder de titel Vogelvlucht.

Ter ere daarvan richtte het Letterkundig Museum in Den Haag een kleine tentoonstelling in. Zestig jaar schrijversleven. In de vitrines brieven, foto’s, waaronder een portret uit 1944 waarin Inez lijkt op Greta Garbo, schoolrapporten, eerste drukken van haar werk, foto’s met haar man, theatermaker Erik Vos, tijdens repetities van toneelstukken die hij regisseerde. Correspondentie met haar uitgever Reinold Kuipers van Querido waarin hij voorstelt om de titel Vroeger is dood te veranderen in Uiterste grens: ‘Dat heeft meer spankracht.

“Vroeger is dood” geeft de associatie met iets afgeronds, iets dat onherroepelijk voorbij is,’ vond hij. Bovendien, vreesde hij, zou ‘dood’ in een titel de mensen afschrikken. Maar de schrijfster ging niet op dit voorstel in. Ook de film die naar dit boek werd gemaakt, kwam uit onder de oorspronkelijke titel.

Vrijmoedige vrouwen

In de nationale schrijversgalerij van het Letterkundig Museum hangt een groot portret van Inez van Dullemen. Het is een paar jaar geleden gemaakt door Ton Schenk. Pastel op papier, in roodbruine tinten. Warrige, rossigblonde krullen. Ze kijkt de bezoeker afwachtend en licht geamuseerd aan, markante, halfronde wenkbrauwbogen.

Het is een merkwaardige ervaring als je aanbelt bij Van Dullemens huis in de Haagse Vogelbuurt en zij de deur opent. Dat portret staat in levenden lijve voor je. Zij is zelfs gekleed in de kleuren van de gouache in het museum: blouse en shawl terra en roodkoperkleurig, een beige broek. Dezelfde onderzoekende blik. Een en al vitaliteit.

‘Ik vind het bijzonder,’ zegt ze, ‘dat ik ben vernoemd naar een literair personage. Mijn moeder, de nu vergeten romancière Jo de Wit, gaf mij de naam van de vrouwelijke hoofdpersoon uit de toen bejubelde roman Kleine Inez, van Reinier van Genderen Stort. Zij kende hem goed, was een vriendin van hem. In literatuuroverzichten wordt mijn moeder gerekend tot de “vrijmoedige vrouwen”. Zij schreef voor die tijd openhartig over liefdesrelaties met artiesten – de dichter Martinus Nijhoff was, vóór haar huwelijk met mijn vader, een van haar minnaars. De schilder Isaac Israëls maakte vijf portretten van haar. Zij was mooi, had prachtige, violetblauwe ogen. In haar werk zie je duidelijk de invloed van Van Genderen Stort. Later in haar leven richtte zij zich, net als hij, steeds meer op het geestelijke, zij werd antroposofe. Ik vermoed dat zij zo probeerde haar sensuele aard te temmen.’

In de vitrines van het Letterkundig Museum was onder meer een foto te zien van haar moeder als jonge vrouw. ‘Een smachtend uitdagend gezicht, onder een fluwelen hoed: een volwassen geworden Alice in Wonderland.’ Jo de Wit trouwde niet met een van haar kunstenaarsvrienden, maar koos voor Arnold van Dullemen, destijds kantonrechter, later procureur-generaal bij de rechtbank in Amsterdam. ‘Wellicht zocht ze een vader voor haar toekomstige kinderen, een degelijke man,’ schreef haar dochter in Vogelvlucht.

Vierenenzestig notitieboekjes

De memoires van Inez van Dullemen bieden een staalkaart van haar werk. Scènes uit haar jeugd, herinneringen aan haar ouders, notities over theater – tevens een ode aan haar man, de regisseur. Stukjes reisverslag, verhalen over de mensen en de dieren in de Drôme, waar het echtpaar decennialang een oude boerderij bezat. Fijngevoelige dagboekfragmenten, vervuld van afscheid. Alles in een fraaie, onnadrukkelijke stijl. Ze oordeelt niet, ze bekijkt de wereld met betrokkenheid en verwondering.

Hoe is zij ertoe gekomen om dit boek, een soort reisverhaal door haar leven, te publiceren?

‘Ik dacht een tijd geleden: ik ga eens opruimen, schoon schip maken. Ik werd oud. Ik belde het Letterkundig Museum, medewerkers kwamen langs. Ze waren geïnteresseerd in mijn archief, namen veel mee. Zij stuitten ook op een stapel kleine notitieboekjes, vierenzestig stuks, waarin ik allerlei invallen en waarnemingen had genoteerd, vooral tijdens mijn reizen. Het museum wilde ze graag hebben, maar ik dacht: liever toch maar niet. Het voelde net alsof ze een deel van mijzelf zouden meenemen. Die boekjes bevatten veel elementen uit mijn leven. Misschien wil ik daar nog iets over schrijven, dacht ik. Dat werd de basis voor Vogelvlucht.’

Elsbeth Etty schreef in NRC Handelsblad dat Inez van Dullemen met dit boek een adequate vorm heeft gevonden om haar schrijversschap te evalueren. Haar recensie sloot zij af met de woorden: ‘Verhaalstof heeft zij nog in overvloed. In deze Fundgrube met herinneringen aan legendarische gebeurtenissen en tijdgenoten die zij van nabij heeft meegemaakt, zitten evenzovele ongeschreven romans verstopt.’

Inez van Dullemen is blij met deze opmerking. ‘Ik was erdoor getroffen, zelfs gevleid. Ik heb inderdaad nog een inwendig kastje met ideeën en plannen. Maar het ongeluk is: ik ben al zo oud. Misschien maak ik toch nog wat, een toneelstuk, of een boek. In mijn bureau liggen oude dingen, thema’s. Maar ik zal daar heel kritisch over zijn. Ik houd er niet van om minder te worden.’

Ook al werd haar werk herhaaldelijk gelauwerd, onder meer met de Multatuliprijs, de Henriëtte Roland Holst-prijs en de Anna Bijns Prijs, haar boeken haalden – op Vroeger is dood na – nooit grote oplagen. In een interview in Opzij gaf zij daar een verklaring voor. Zij kwam uit een beschaafd, gegoed milieu, en dat was geen voordeel in de jaren zestig en zeventig. Toen waren de volksjongens populair, Jan Wolkers en Jan Cremer. Ze heeft haar achtergrond moeten overwinnen.

Het oeuvre van Inez van Dullemen is omvangrijk. Meer dan dertig titels, romans, verhalen, reisboeken, gefictionaliseerde levensbeschrijvingen. En toneelstukken.

Nu zegt ze: ‘Ik weet dat ik lange tijd een bescheiden plaats heb ingenomen in de Nederlandse literatuur. Aanvankelijk geloofde alleen mijn man onvoorwaardelijk in mijn werk. Mijn onzekerheid is nu minder groot. Kom, zeg ik tegen mijzelf, Inez, je hebt best wat gepresteerd.

Die veronachtzaming kwam ook doordat ik meer in de toneelwereld heb geleefd dan in die van de literatuur. In de literaire wereld moet je gezien worden. Ik kwam niet in de Kring, ik woonde in Den Haag, zorgde voor twee kinderen. Maar je wordt genegeerd als je je niet in dat soort kringen vertoont. Dan krijg je minder recensies. Het is toch een vorm van vriendjespolitiek, ook al gebeurt dat niet opzettelijk. Hella Haasse was wel geïnteresseerd in mijn vroege werk, zij heeft geprobeerd mij een beetje te pushen. Tegenwoordig voel ik wat meer aandacht en vriendelijkheid.’

Een echt leven

Inez van Dullemen is al vijfenvijftig jaar getrouwd met Erik Vos. Een huwelijk houdt stand, zegt ze, als je allebei ook een eigen leven hebt. ‘Dat houdt de verrassing erin, je hebt elkaar wat te vertellen. Hij heeft altijd mijn manuscripten gelezen en becommentarieerd – ik heb nooit een redacteur gehad – en ik verdiepte me in alle toneelstukken die hij wilde regisseren. Shakespeare, de klassieke Grieken. We bewerkten ze gezamenlijk, stimuleerden elkaar. Erik is heel dichtbij, heel warm. We zijn samen in onze ontwikkeling gegroeid. Daar ben ik dankbaar voor. Het leuke van oud worden, is dat je ziet dat je gaandeweg sluimerende capaciteiten in jezelf hebt ontgonnen. Dat geldt ook voor Erik. Hij, een echte theaterjongen, ontdekte dat hij heel goed kon schrijven.’

Van Dullemen debuteerde op haar drieëntwintigste met de korte roman Ontmoeting met de andere. Een door de oorlog aangetaste, gekwetste man plaatste zij tegenover een man die nog nooit iets had meegemaakt, een ongeschonden mens. Dit thema is zij trouw gebleven, in vele variaties. Niet veel later kreeg ze een reisbeurs en vertrok naar Parijs, naar het Collège néerlandais. Daar ontmoette zij Erik. ‘Hij volgde een mimeopleiding. Hij was een springerige jongen, viel me onmiddellijk op. Ik had hem nog maar twee of drie keer gezien toen hij aanbelde: “Het is zondagochtend, de beeldhouwer Zadkine houdt open huis. Ga je mee?” Dat vond ik bijzonder, meestal vraagt iemand je mee naar de film of naar een toneelvoorstelling. In het atelier stond een prachtig houten beeld, een liefdespaar dat half wel en half niet in elkaar is verzonken. “Zij schrijft,” zei Erik toen hij mij voorstelde. “Ik schrijf ook,” zei Zadkine terwijl hij met zijn hand langs het beeld streek. “Ik schrijf in hout, in steen, in brons.” Ik vond Erik van het begin af aan zo inspirerend.

Mijn ouders waren verontrust over mijn keuze. Wat is dit in ’s hemelsnaam, dachten ze toen ik met hem thuiskwam. Een mimespeler, dat wordt niets. Toch waren ze wel wat van me gewend, in Parijs had ik vluchtelingen als vrienden, ik was verloofd met een Hongaarse dichter. In 1954 trouwden we, maar we hebben een lange weg moeten gaan.’

God als marskramer

Het oeuvre van Inez van Dullemen is omvangrijk. Meer dan dertig titels, romans, verhalen, reisboeken, gefictionaliseerde levensbeschrijvingen. En toneelstukken. Ze vertelt over het ontstaan van haar eerste stuk, God op aarde. Erik Vos en een groepje rebelse acteurs wilden begin jaren zeventig het gevestigde toneel de rug toekeren en richtten het gezelschap De Appel op. Niemand had een sou. ‘De Appelaren wensten geen bestaand stuk te spelen, hun eerste project moest een eigen schepping zijn. Ik heb toen een wonderlijk stuk geschreven, deels op basis van legenden, over de verschillende gedaanten die God in de loop van zijn bestaan had aangenomen. Ik heb God in het laatste bedrijf laten eindigen als een armzalige marskramer die nog wat bidprentjes aan de man probeert te brengen. Met zo’n onderwerp maak je je niet bij iedereen geliefd. Het was een enige tijd, maar soms hadden we het wel moeilijk, door gebrek aan geld.’

Drie jaar na Vroeger is dood schreef ze nog een roman die alom werd gewaardeerd, De vrouw met de vogelkop. Het boek legt een turbulente fase vast uit het leven van een vrouw die psychisch in moeilijkheden raakt. Aan de hand van fragmenten uit het dagboek van deze vrouw en waarnemingen van haar vriendin en steunpilaar – Inez in de gedaante van Ina – heeft Van Dullemen zich ingeleefd in de droeve gang langs therapeuten. Zij belicht fel de onmacht en dwingelandij in psychiatrische inrichtingen. Dit verhaal is naar het leven getekend, zei ze bij het verschijnen ervan. Niet vreemd dat recensenten het niet zozeer prezen als roman, maar eerder als een superieure vorm van journalistiek. Dat schreven ze ook al over een deel van haar voorafgaande werk.

‘Als waarnemer en interviewer probeerde ik mij zo onopvallend mogelijk te gedragen.’

‘Daar heb ik geen oordeel over,’ zegt ze nu. Waarna ze toch begint aan een voorzichtige visie op de veranderingen in haar stijl en aanpak. ‘Natuurlijk had de stijl van mijn debuut, enigszins hoogdravend, te maken met de stijl die gangbaar was in die dagen. Ik herken de invloed van Couperus, Van Genderen Stort, van D.H. Lawrence. De toen befaamde criticus Jan Greshoff constateerde in zijn recensie dat het verfrissend zou zijn als de schrijfster eens een flink bad nam in Elsschot, zodat ze een beetje kon afkoelen. Dat heb ik ter harte genomen. Gelukkig schreef hij in diezelfde recensie ook dat hier een jonge schrijfster aan het woord was met toverkracht.

In de jaren zestig heb ik twee jaar in de Verenigde Staten gewoond. Erik kon daar aan het werk als regisseur. Toen ik vertrok, vroeg de Volkskrant mij of ik vrijblijvend iets van mijn bevindingen wilde opsturen. In die tijd ben ik voor het eerst als journalist gaan schrijven. Aanvankelijk waren het kleine stukjes, maar die groeiden uit tot een pagina in de maand. “Niet zo poëtisch, Van Dullemen,” kreeg ik van de redactie te horen, “niet zo literair.” Zo heb ik dat vak geleerd. Ik leerde door te dringen in andere manieren van denken. Dankzij dit inlevingsvermogen leerde ik op mijn vele reizen ook andere volkeren kennen: de cultuur van eskimo’s in Alaska, mensen in Kenia, Japan, Suriname, de Maya-indianen in Mexico. Daar heb ik boeken over geschreven. Als waarnemer en interviewer probeerde ik mij zo onopvallend mogelijk te gedragen.’

Het wezen van een berg

Inlevingsvermogen is, vindt ze, het sleutelwoord voor haar talent. ‘Het is de kern van mijn schrijven. Dat geldt ook voor dieren. Ik voel hun angst, hun sidderingen. Tijdens mijn reizen heb ik nooit slechte ervaringen met dieren gehad.’ Maar ook het wezen van een berg ervaart ze: ‘Een berg is een levend organisme, met heel trage gedachten.’ En altijd is er het verdriet om dat wat verloren is gegaan. ‘Niets blijft hetzelfde, en wij blijven achter in onze droom van hoe het was.’ Een citaat uit Ezeldroom, een verslag van haar observaties vanuit haar huis aan de voet van de Franse Alpen: ‘Ik leg mijn wang op de aarde: onderhuids geknister is hoorbaar, een binnenbrand onder de groei van kruiden. Je weet het nog niet, aarde, maar je gaat dood, jij aarde, door dat wonderbaarlijk bewegend gewas: de mens.’ Erik Vos: ‘In haar creatieve waarnemingsstaat is Inez een ander persoon. Dat heeft ze toevallig meegekregen. Dan vindt er een soort transformatieproces plaats.’

Als kind schreef Inez van Dullemen al verhalen, en dat is zij altijd blijven doen. Zij is een geboren schrijfster. ‘Maar het liefst,’ zegt ze, ‘had ik willen beeldhouwen. Ik was graag naar de academie voor beeldende kunsten gegaan.’ Laat in haar leven gaf ze toe aan dit verlangen. Zij wijst op een bronzen beeld dat ze heeft gemaakt van een naakte vrouw met brede, vruchtbare heupen, de handen boven het hoofd geheven, de vingers ineengestrengeld. Even later gaat ze de trap op en komt terug met een lieflijk terracotta meisjeskopje: ‘Mijn kleindochter.’

Hoog boven in een raam van de kamer staat een wonderlijke fantasievogel van keramiek. ‘Een improvisatie in klei,’ legt ze uit. ‘Hij is vrij plomp, lijkt op een kruik, iets tussen een vogel en een voorwerp in. De vogel is dienstbaar, een waterdrager. Alleen de kop is realistisch, voor de rest heb ik me daar steeds verder van verwijderd. Ik vind het heerlijk om zoiets te maken. Ik doe het nog niet zo lang. Een vriendin zei verbaasd tegen me: “Jij dóét dat zo maar.” Ik antwoordde: “Misschien ben ik in een vorig leven beeldhouwer geweest, en heb ik het onthouden.” Maar goed, ik doe het er nu bij. Ik weet niet of ik het allebei had gekund, schrijven en beeldhouwen.’

Misschien zijn het wel twee vormen van hetzelfde. Zei Zadkine niet tegen haar: ‘Ik schrijf ook, ik schrijf in hout, in steen, in brons.’