Deze column is ook te beluisteren, met dank aan Blendle.

Terwijl het land van de week in rep en roer verkeerde over de mesthopen en de brandende strobalen die radicale boeren op de snelwegen hadden achtergelaten, moest ik denken aan de jaren dertig, toen vrijwel de gehele visserij op de Zuiderzee ten onder ging door de aanleg van de Afsluitdijk. Binnen anderhalf jaar was het water zo verzoet, dat het voorgoed gedaan was met het vissen op haring, bot en ansjovis.

Hoe pijnlijk het voor veel vissers in dorpen als Volendam en Bunschoten-Spakenburg en op eilanden als Marken en Urk ook was om hun beroep, hun traditie en hun vrijheid op het wijde water kwijt te raken, tot een massale opstand is het nooit gekomen. Binnen korte tijd vonden de meesten nieuw werk in de Noordzeevisserij, in de grote vaart of in de waterbouw, en wie geen werk kon vinden kon omscholing, kredieten voor een nieuw bedrijf of steun voor het levensonderhoud krijgen, wekelijks uitgekeerd aan het Rokin in Amsterdam.

pastorale idylle

Voor mijn boek Langs de kust. De Nederlanders en de zee, dat in 2014 uitkwam, sprak ik met Aaltje Zeeman, de dochter van de laatste visser van Marken die tot in de jaren zestig nog met zijn houten botter op paling was blijven vissen. De hele week was hij weg, van zondagavond tot zaterdagmiddag, zoals het in de visserij al eeuwen was gegaan, en de vangsten werden steeds minder. Het hele gezin was dolblij toen vader er in 1963 moegestreden mee ophield en ging werken aan de wal. Eindelijk was er geld voor nieuwe kleren, en kwam er iets anders op tafel dan paling. Op Marken, waar ik in dezelfde tijd ging wonen, was helemaal niemand te vinden die met nostalgie sprak over het harde vissersleven in de voorbije tijd. De weemoed over het verdwijnen van de visserij op de voormalige Zuiderzee, realiseerde ik me, is een sentiment van buitenstaanders die zelf nooit met het harde vissersleven te maken hebben gehad.

De ironie wil dat de onontkoombare hervorming van de landbouw juist de beste garantie biedt om iets terug te vinden van het oorspronkelijke boerenleven.

Die gedachte schoot me ook te binnen toen ik de afgelopen weken politici op de rechterflank, getooid met rode zakdoekjes, de boerenopstand hoorde oppoken, alsof het boerenleven een pastorale idylle zou zijn die bruut verstoord wordt door een hardvochtige overheid. In de praktijk heeft de intensieve veeteelt – een van de grootste boosdoeners in de stikstofcrisis – al vele jaren helemaal niets meer te maken met de romantische voorstellingen die door partijen als Forum voor Democratie worden gevoed. Ook daarom zouden het kabinet en de provincies er goed aan doen om eerst en vooral de grootste vervuilers aan te pakken: de conglomeraten in het pluimvee, de varkenshouderij en de kalvermesterij, die met hun industriële productie kapitalen verdienen aan de export terwijl ze een vervuilende brij van ammoniak – want daar gaat het om – achterlaten in een overvol land met kwetsbare natuur.

De ironie wil dat de onontkoombare hervorming van de landbouw juist de beste garantie biedt om iets terug te vinden van het oorspronkelijke boerenleven dat volgens de gelegenheidsvrienden van de boerenstand door het stikstofbeleid om zeep zou worden geholpen: respect voor het land, de dieren en de natuur, in plaats van grootschalige, industriële productie. Het is een besef dat ook bij de radicale boeren nog even moet doordringen.