In september 2016, twee maanden voor de Amerikaanse presidentverkiezingen die Donald Trump in het zadel zouden helpen, ging een nieuwe versie van een toneelstuk uit 1936 in premiere: It Can’t Happen Here. Het was gebaseerd op de min of meer satirische roman van Nobelprijswinnaar Sinclair Lewis. De roman en het toneelstuk waren gericht tegen Huey Long, een politicus uit Louisiana met plutocratische ambities die tot president gekozen wilde worden. Hij overleed voortijdig.
Dit, had men altijd gedacht, zou in Amerika nooit gebeuren. Dit was meer iets voor Italië en Duitsland in de jaren dertig.
De nieuwe première van It Can’t Happen Here door het Berkeley Repertory Theater gaf, op een moment dat weer iemand met megalomane ambities een poging waagde president te worden, een inkijkje in de autoritaire manier waarop dit soort presidenten te werk gaan: in het stuk wint de machtsbeluste senator Berzelius Windrip (bijgenaamd Buzz) de verkiezingen van Franklin Delano Roosevelt. Hij grijpt meteen de macht door zijn vijanden in concentratiekampen op te sluiten, een paramilitaire eenheid op te tuigen, de invloed van het Congres te minimaliseren, minderheden hun rechten te ontnemen en demonstranten aan de bajonet te laten rijgen. Dit, had men altijd gedacht, zou in Amerika nooit gebeuren. Dit was meer iets voor Italië en Duitsland in de jaren dertig.
Het einde van de geschiedenis
Het gebeurde met de verkiezing van Donald Trump dus wel. Het is nog niet zo erg als in het toneelstuk (hoewel in bepaalde opzichten weer wel), maar dat met Trump het zoveelste, door democratische verkiezingen gekozen, autoritaire bewind in de wereld werd gevestigd, staat buiten kijf.
Het rijtje kan worden aangevuld met het Rusland van Poetin, het Turkije van Erdoğan, het Hongarije van Orbán, het Polen van Kaczynski, het India van Modi en de Filipijnen van Duterte. Vandaar dat de vraag al enige tijd niet meer te ontwijken is: waarom verliest de liberale democratie terrein terwijl die na de val de Muur in 1989 werd gezien als hét politieke stelsel waarin mensen de meeste vrijheid kregen, het beste tot ontplooiing konden komen en waarin hun rechten en plichten met gevoel voor proportie het meest gelijkelijk verdeeld waren.
Met de triomf van de liberale democratie was zelfs het einde van de geschiedenis aangebroken: hier was het allemaal om begonnen, daar was de geschiedenis op uit geweest volgens Hegel. Beter is niet te krijgen, schreef Francis Fukuyama in zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992).
Nieuwe autoritaire visie
Wat ontbreekt er aan de democratie dat mensen kiezen voor autoritaire sterke mannen? In de boeken hierover valt De autoritaire verleiding. Over de opmars van de antiliberale wereldorde van Casper Thomas op omdat het een combinatie is van geschiedenis, analyse en reportage over vijf van die autoritair geregeerde landen: Turkije, Hongarije, Rusland, India en Amerika.
Wilde men vanaf de jaren zestig steeds meer democratie en spreiding van macht en kennis, dan wil men nu steeds minder democratie en de macht in handen van één man.
In India was Thomas correspondent en in Amerika is hij het nu. De evidente verschillen tussen deze landen vallen weg tegen de overeenkomsten als het gaat om de nieuwe autoritaire visie op mens en wereld die er ontstaan. Wilde men vanaf de jaren zestig steeds meer democratie en spreiding van macht en kennis, dan wil men nu steeds minder democratie en de macht in handen van één man. Dan kan het zomaar gebeuren dat de Turkse minister van cultuur in 2017 op last van Erdoğan 140.000 boeken laat verwijderen uit de bibliotheken. Ze hebben allemaal iets te maken met Fethullah Gülen, de geestelijke leider die in ballingschap in Amerika leeft. Dit behoort tot de mores van de antiliberale democratie, als onderdeel van het smoren van elke oppositie.
De tevreden laatste mens
Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat al die autoritair geregeerde landen ook een reactie zijn op de westerse liberale democratie, waarin met de beste intenties geleidelijk een tevredenheidscultuur is ontstaan.
In vrijheid en veiligheid is Nietzsches laatste mens een kabbelend middenklassebestaan gaan leiden waarin relativisme alle passie plat sloeg.
Wat zich nu manifesteert, is de reactie op wat Nietzsche in Alzo sprach Zarathustra ‘de laatste mens’ noemde, de mens die geestelijk, fysiek en materieel niets meer tekort komt, die geen harde strijd meer hoeft te voeren voor het bestaan. Hoeveel onrecht en armoede er ook nog is, die zelfgenoegzame mens heeft zich bijna ongemerkt in de westerse geest genesteld. In vrijheid en veiligheid, verlost van bedreiging en conflict is de laatste mens een kabbelend middenklassebestaan gaan leiden waarin relativisme alle passie voor het leven plat sloeg.
‘Er is simpelweg geen hoger doel meer om naar te streven,’ schrijft Fukuyama. Hij was er in 1992 niet gerust op dat deze tevreden laatste mens het zo nog lang met zichzelf uit zou houden. Er zou een reactie komen.
Zo eenkennig mogelijk
Die kwam er. Als de laatste mens een relativist was, dan doken bij antiliberalen het absolutisme en fundamentalisme op. Had de laatste mens een hang naar gelijkheid, dan werden nu de ongelijkheid en de verschillen tussen mensen benadrukt. Hield de laatste mens niet van al te scherpe tegenstellingen (goed/kwaad, man/vrouw, hoog/laag), dan was de nieuwe mens van de antliberalen in alles eenduidig en ondubbelzinnig. Had de laatste mens een voorkeur voor horizontaal gezag (voor ‘een gezagsvrije dialoog’), dan was de nieuwe mens voor hiërarchie en top-down. Was de liberale democratie pluralistisch, dan waren de antiliberalen zo eenkennig mogelijk (‘America First’).
De antiliberale mens valt terug op zijn oude, lang verdrongen primaire neigingen en emoties. Sublimeren is niet meer van deze tijd.
De antiliberale mens is weer de eerste mens omdat hij sterk terugvalt op zijn oude, lang verdrongen primaire neigingen en emoties. Daar is de beschaving nog niet overheen geweest. Sublimeren van onaangenaam gedrag is niet meer van deze tijd.
De reactie op Nietzsches laatste mens is de mens die zijn ongetemde emoties uitleeft, niet alleen als hooligan of relschopper, maar ook als ontevredene tout court. Aan twijfel en besluiteloosheid doet hij niet meer. Consensus, compromissen, polderen – daar doen we niet meer aan. De geschiedenis begint opnieuw.
Spierballen
In Het einde van de geschiedenis werkte Fukuyama met drie begrippen die voor cruciale menselijke drijfveren staan. Thymos, de trots die strijd en opoffering nodig heeft om gevoeld te worden. Isothymia, de behoefte om door anderen als gelijkwaardig gezien te worden. En megalothymia, het verlangen om als superieur aan anderen erkend te worden.
Van die drie zijn thymos en megalothymia de laatste jaren gerehabiliteerd nadat ze bij de liberale democratie, waarin gelijkwaardigheid op de voorgrond stond, lang geen rol hebben gespeeld.
Fukuyama wekte in 1992 de suggestie dat de laatste mens, wilde hij uit zijn lethargie ontwaken, wel wat thymos en zelfs enige megalothymia kon gebruiken. Wat meer eigendunk zou de liberale democratie ten goede komen in haar strijd tegen de antiliberalen. Niet te veel, want Trump, Erdoğan, Duterte en Modi bestaan volgens Fukuyama’s categorisering al uit niets anders dan megalothymia.
Westerse democratieën hebben afgeleerd in vijanden te denken, terwijl ze dat, om de liberale democratie levend te houden, wel zouden moeten doen.
Wil de liberale democratie zich niet nog verder in de hoek laten drijven door de spierballen van de autoritaire democratie, dan zal zij volgens Caspar Thomas iets moeten leren van de antiliberalen. Eerste les: het durven aanwijzen van vijanden. Daar zijn antiliberalen sterk in. Erdoğan, Orbán, Poetin en Trump zien overal vijanden. Net als Modi, die ten behoeve van zijn nationalisme en het onder controle krijgen van de media, het onderwijs en de rechterlijke macht met dezelfde slogan werkt: ‘India first.’
Geliefde vijanden
De westerse democratieën hebben afgeleerd in vijanden te denken, terwijl ze dat, om de liberale democratie levend te houden, wel zouden moeten doen. Al was het maar om de vijanden te laten zien om welke democratische waarden het ook al weer gaat.
‘Onrecht is nodig, want de strijd tegen onrecht is wat het hoogste in de mens naar boven haalt.’
Ook om een andere reden zijn vijanden nuttig, zoals elke polemist die iets te verdedigen heeft weet. Casper Thomas leerde van Fukuyama dat zich in het menselijk leven een opvallende tegenstrijdigheid bevindt. Het leven van een liberale democraat is weliswaar ingesteld op vrede, maar om niet in lethargie te vervallen, heeft het onrecht nodig, iets om tegen te vechten, en dus een of meer vijanden. ‘Onrecht is nodig, want de strijd tegen onrecht is wat het hoogste in de mens naar boven haalt.’ Met deze paradox zette Fukuyama de deur op een kiertje, waardoor de geschiedenis stiekem haar rentree kon maken met oorlog, onrecht en conflict. Je zou bijna gaan spreken van ‘geliefde vijanden’, als het doorgaans niet zou uitlopen op dood en verderf.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.