De taaiste gevechten in Den Haag spelen zich vaak niet in de openbaarheid af, en zelfs niet in de achterkamers tussen de politieke partijen, maar tussen de departementen, geheel buiten het zicht van de pers en het publiek. Zo ging het tijdens de coronacrisis, toen de ministeries van Volksgezondheid en Economische Zaken een loopgravenoorlog uitvochten over de maatregelen die de ondernemers raakten, en zo blijkt het nu weer te zijn gegaan tijdens de stikstofcrisis.  

Na een onthulling in NRC Handelsblad en Kamervragen van Pieter Omtzigt en Caroline van der Plas kwam van de week een reeks interne stukken van het ministerie van Financiën aan het licht, waaruit bleek dat het departement maandenlang over de stikstofplannen in de clinch heeft gelegen met het ministerie van Landbouw (LNV). Terwijl LNV inzette op een brede aanpak om het onvermijdelijke leed zo veel mogelijk over de boerenstand te verspreiden, rekende Financiën voor dat gerichte uitkoop van de grootste vervuilers in de buurt van Natura 2000-gebieden – pluimveehouders en varkensboeren – veel efficiënter en goedkoper zou zijn, en veel minder boeren zou raken. Volgens de berekeningen zouden er dan 5300 boeren moeten stoppen met hun bedrijf, in plaats van de 11.200 in de door LNV uitgedachte plannen. 

Maar landbouwminister Henk Staghouwer en stikstofminister Christianne van der Wal vreesden dat uitkoop en onteigening de boeren teveel tegen de haren in zou strijken, en zwichtten voor het door LNV-ambtenaren gepropageerde idee dat gedeelde smart halve smart zou betekenen. 

Heel anders had het kunnen zijn als het kabinet wél gekozen had voor gerichte uitkoop van de ‘piekbelasters’ nabij de natuurgebieden.

Het tegenovergestelde bleek het geval, want door de gekozen aanpak – een combinatie van zeer specifieke stikstofeisen per gebied en volstrekte onduidelijkheid over de uitwerking – kwam de halve boerenstand in het geweer, want ook in de uiteindelijke plannen konden uitkoop en onteigening niet worden uitgesloten. 

Heel anders had het kunnen zijn als het kabinet wél gekozen had voor gerichte uitkoop van de ‘piekbelasters’ nabij de natuurgebieden. Dat had ongetwijfeld geleid tot oproer onder de getroffen pluimvee- en varkenshouders, maar het was veel beter uit te leggen geweest aan het grote publiek. De dieronvriendelijke praktijken in de intensieve veehouderij wekken al jaren steeds grotere maatschappelijke weerstand, terwijl die bedrijfstak ook nog eens vooral gericht is op de export, met achterlating van zware vervuiling in dit dichtbevolkte landje met z’n kwetsbare natuur. Bovendien zouden de tienduizenden boeren die de afgelopen jaren wél hun best hebben gedaan voor duurzaamheid, weinig te vrezen hebben gehad. En het was nog een stuk goedkoper geweest ook.  

Daar komt nog bij dat de boeren nu in de krant moeten lezen dat het volgens Financiën heel goed mogelijk was geweest de stikstofdoelen te halen met een ingreep die veel minder boeren zou hebben geraakt. Ergo: nog meer onrust, nog meer verzet, en nog minder draagvlak voor het stikstofbeleid, waarvan de uitvoering nog moet beginnen. 

Dat krijg je in een land waar niemand de baas is, zoals Peter Kee en ik al signaleerden in ons boek Code Rood. Of eigenlijk: in een land waarin niemand de baas dúrft te zijn als het lastig wordt.