Over de hoofdpersoon van Koos van Zomerens roman Het leven heeft geen geheimen schreef Tom van Deel in De troost van de vorm dat het ‘een zeurpiet, een kankeraar, een tobber, de hele wereld gaat naar de verdommenis, maar in alles ben ik het met hem eens.’ Dit is niet wat je verwacht van Tom van Deel: dat hij het met alles van een kankeraar en zeurpiet eens zou zijn. Dat paste niet bij zijn milde karakter.

Waarom dan toch geschreven? Ten eerste omdat het zeurpieten en kankeren bij Van Zomeren op een montere toon gebeurt. En met de nodige ironie. Ten tweede omdat Van Deel het hier toch echt helemaal met Van Zomerens personage eens is. Wanneer het gesprek met Van Deel op de gang van de wereld kwam was hij daar wegwerpend uitgesproken somber over. Hij zag er niet veel gat in. Hij stond er ook een beetje buiten, al wist hij er alles van, van de aanslagen, van de bankencrisis, van Trump, van bezuinigingen op de kunst – het ging hartstikke bergafwaarts. Van binnen was bij Van Deel sprake van een chronische somberheid. Van buiten, lezend, schrijvend, levend, zocht hij naar alles wat die somberheid even kon opheffen.

opheffing

Dat opheffen van die somberheid had ook met zijn poëtica als criticus te maken. Aandachtig lezen, close reading, was wat Van Deel betreft niet alleen iets dat van een criticus werd verwacht die thuis moest raken in een gedicht, een verhaal of een roman. Close reading deed niet alleen het gedicht of de roman recht, het was een voorwaarde voor een goede en adequate interpretatie.

Maar bovenal kwam hij door die extra aandacht in het bezit van wat hij las, het werd van hem, er kwam inzicht, genot en betekenis uit voort.

Door die extra aandacht kwam hij in bezit van wat hij las, het werd van hem, er kwam inzicht, genot en betekenis uit voort.

Door de nadruk te leggen op de tekst en de tekst alleen, zoals dat door de redactie van het tijdschrift Merlijn in het midden van de jaren zestig werd uitgedragen, ontstond het gevaar dat er met oogkleppen gelezen zou worden, afgesneden van de wereld, de literatuur als een eiland in de samenleving.

Van Deel bleef wel altijd trouw aan Merlijn, maar toch vooral als solide basis. Voor een verbreding van de aandacht zorgde het tijdschrift waarvan hij zelf redacteur werd: De Revisor. In de jaren zeventig beheerste de verbeelding de Revisor-schrijvers waarmee Van Deel zich verwant voelde, in de jaren tachtig en negentig sloop met De wetten van Connie Palmen en Mystiek lichaam van Frans Kellendonk de wereld, de filosofie, de moraal en de samenleving de literatuur binnen, samen met het hybride genre van de autobiografische roman, zoals Dirk Ayelt Kooimans Vertellingen van een verloren dag, Jeroen Brouwers Bezonken rood, J.J. Voskuils Het Bureau of Nicolaas Matsiers Dicht bij huis.

Van Deel werd er de ideale lezer van.

een overwinning op de somberheid

In de boeken waarin Van Deel zijn kritieken en essays verzamelde, Recensies, De komma van Krol, Als ik tekenen kon en De troost van de vorm is goed te zien hoe hij troost vond in het literaire gehalte van wat hij las, alsof een geslaagde literaire vorm tegelijk een overwinning betekende op de somberheid. Ten behoeve van die overwinning was hij voorzien van de gave der bewondering en vriendschap. Hij maakte geen geheim van zijn voorkeuren.

Hij was in de verste verte niet zo polemisch, maar bewonderde wel in de geest van E. du Perron door openlijk te zijn over wie zijn literaire vrienden waren. Van Deel kon als criticus bevriend zijn met Willem Brakman, Gerrit Krol, Rutger Kopland of Chris van Geel. Dat deed niets af aan de betrouwbaarheid van zijn oordeel. Hij volgde zijn ontwikkelde smaak en bracht daar verslag van uit in zijn kritieken. Dat werd hem wel verweten door zijn vaste tegenvoeters, maar Van Deel bleef overeind. Het was alleen pech voor liefhebbers van eendimensionaal realistisch proza: daar ging zijn voorkeur niet naar uit.

Voor het opheffen van de innerlijke somberte dienden ook zijn gedichten. Daarin draaide alles om het zien en waarderen van kleinigheden.

Hoe genereus je ook wilt zijn om zoveel mogelijk literair talent te willen herkennen, er moet ook kleur bekend worden. Vandaar dat Van Deel allerminst op zijn achterste benen ging staan toen Gerrit Komrij’s grote bloemlezing uit de poëzie van de negentiende en twintigste eeuw verscheen. Integendeel, Van Deel had weinig begrip voor degenen die kraaiden dat Komrij geen recht deed aan de Vijftigers en dat die en die met te weinig gedichten waren vertegenwoordigd. Van Deel (zelf de samensteller van de bescheiden bestseller Lees eens een gedicht) schreef toen: ‘Een bloemlezer met een zo uitgesproken smaak mag van mij zijn gang gaan.’ Van Deel begreep dat Komrij’s bloemlezing een complete herschikking van de Nederlandse poëzie inhield en dat was alleen maar goed: dan werd alles eens met nieuwe ogen bekeken.

Voor het opheffen van de innerlijke somberte (volgens de door Van Deel bewonderde Vestdijk ‘een snik tot glimlach omgelogen’) dienden ook zijn gedichten. Daarin draaide alles om het zien en waarderen van kleinigheden. Een rood gekleurd blad van de wingerd dat in de herfst loslaat van de muur is al op weg naar de dood: ‘het valt naar wat steeds lager liggen zal.’ Maar een bevestiging van de reden tot somberheid mag er ook zijn: ‘wie een illusie armer is, is in feite een inzicht rijker.’ Speciaal schrijvers met een facettenoog voor details zijn in staat hem de gewaarwording te bezorgen dat ze zijn somberheid verzachten. Over schrijvers die daar goed in zijn, zoals George Perec of Nicolaas Matsier, schreef hij met broederlijke gevoelens. Ze zien iets in álles, weten voor bepaalde dingen zoveel aandacht op te brengen dat ze van het grootste belang worden, zoals Matsier voor het kapotte lusje van een jas in Dicht bij huis.

de werking van het literaire mechaniek

Vanwege die details is Vladimir Nabokov in alles wat Van Deel schreef op de achtergrond aanwezig. Zijn vlinders vertegenwoordigen de aandacht voor het detail. Door het esthetisch avontuur dat Nabokov van het schrijven maakte gebeurde er in elke zin iets, kreeg elk woord met een smooth klik zijn plaats in een zin, werd de aandacht voortdurend geprikkeld.

Dit, hoe het literaire mechaniek werkte, wilde Van Deel in alles wat hij las terugzien. Hij zag het terug bij S. Vestdijk, Frans Kellendonk, Oek de Jong, J. Ritzerfeld, Hans Faverey, Henk Romijn Meijer, Jan Kuijper, Koos van Zomeren, Willem Jan Otten, Gerrit Krol, Leo Vroman, Wislawa Szymborska, Chris J. van Geel. En in de eigenschappen van Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, de ‘volstrekt ideale roman’, waarvan de aantrekkelijkheid bestaat uit ‘iets gecompliceerds dat heel eenvoudig tot uitdrukking wordt gebracht.’

Om dezelfde reden was hij onder de indruk van György Konráds Tuinfeest waarin iemand (de schrijver) aan het woord is die zegt dat hij zich sinds 1944 niet meer veilig voelt. Elke zin wordt er daarna één, gebruikt voor verhalen uit de familiegeschiedenis, voor het vertellen over de schoolgenoten die vergast zijn, voor een hommage aan de liefde, of aan Boedapest, met als conclusie: ‘Zelden heb ik een zo indrukwekkend boek gelezen als dit.’

Je kunt wel zeggen dat ‘de komma bij Krol’ symbool staat voor alles wat Van Deel in literatuur aantrok. Het genieten van de goed geplaatste komma impliceerde dat ook elk woord, elke zin en alinea daarin deelde. Van Deel is als Nabokovs tennisliefhebber die weet wat een ‘slice, chop, twist, volley, smash, kill, drive, half-volley en lob’ in de literatuur is. Van elk genoot hij, afzonderlijk.