Het is een hele overgang van Hanny Michaelis’ oorlogsdagboeken Lenteloos voorjaar en De wereld waar ik buiten sta naar het boek dat Nop Maas heeft samengesteld aan de hand van de gesprekken die hij met haar voerde vanaf de jaren tachtig tot aan haar dood in 2007. Aan het begin van de oorlog was Michaelis 18 jaar, de tijd dat Maas haar sprak begon in haar zestigste. Je zou denken dat Michaelis in de dagboeken dan een schuchter en onbedorven meisje was, zo van het gymnasium naar het ene onderduikadres naar het andere. Van dat onschuldige jonge meisje was al meteen geen sprake. Het dagboek (bijna 2000 pagina’s) is het minutieuze en magnifieke verslag van het ontstaan van een vitale, zelfbewuste en erudiete jonge vrouw. Ze krijgt in korte tijd met een flink aantal ingrijpende gebeurtenissen (zoals verliefdheden en verhuizingen) te maken, tot en met het afgevoerd worden van haar ouders naar Westerbork. Haar jeugdige zelfkennis, observatievermogen en psychologisch inzicht maakten dat ze zelf in mei 1944 schrijft dat ‘onbevangenheid, argeloosheid, onschuld en ongereptheid’ geen termen zijn waarvoor zij in aanmerking komt. ‘Ik weet niet of ik het erg vind, soms ben ik er bijna blij om, maar dikwijls maakt het me beschaamd.’

In de oorlogsdagboeken geeft Michaelis wel openhartig haar opinie over mensen en situaties waarmee ze te maken krijgt, maar ze is niet zo los van de tong is als in ‘Vastgenageld aan de rand van het niets’. Daarin vertelt ze over de tien ‘zeer onvolkomen’ huwelijksjaren met Gerard Reve (1948-1959), over haar tijd als redacteur van het Nieuw Israëlitisch Weekblad, en de vele jaren op het stadhuis bij de afdeling Kunstzaken van Gemeente Amsterdam, waar ze bekend stond als ‘Wethouder Michaelis’. Ze werd er ‘referendaris’, berucht vanwege haar briljant geschreven rapporten en nota’s. In die jaren na de oorlog groeide het meisje uit het dagboek uit tot een zelf verklaarde ‘eeuwige tegenspreekster’, iemand met ‘een grote bek’ die direct daarna spijt had en daar dan weer spijt van had: ‘God, wat een tong.’ Ze was op het Stadhuis ‘niet geliefd. Ik was een secreet, zeer ongeduldig, overal een opinie over, ongevraagd. En ik vond de anderen eigenlijk dom tuig.’ ‘Ik kan slecht veinzen.’

aan de rand van het niets

Michaelis kon genadeloos zijn. Ze maakte een flinke selectie wanneer ze maar weinig mensen ‘echt de moeite waard’ vond. Alleen met kunstenaars kon ze echt goed omgaan. Kunstenaars waren altijd een beetje ‘rare mensen, buitenmodelmensen’. Zo iemand was Gerard, onmogelijk om mee om te gaan, altijd in kibbel-, ruzie- of treitertstand. Maar ze hielden het meer dan tien jaar vol, een heroïsche tijd, in aanmerking genomen dat Reve ondertussen ontdekte homoseksueel te zijn en dat ook praktiseerde. Hanny wist aanvankelijk helemaal niet goed wat homo’s met elkaar deden: ‘geen idee’.

Aanvankelijk was het de bedoeling dat Nop Maas als biograaf van Gerard Reve ook een biografie van Hanny Michaelis zou schrijven, maar dat is er niet van gekomen. ‘Vastgenageld aan de rand van het niets’ bestaat uit ruw materiaal voor zo’n biografie, ook in letterlijke zin wanneer Michaelis menig vrouw die haar antipathiek is tot een ‘wijf’ verklaart. Haar herinneringen en opinies gaan alle kanten op, de hele literatuur van na de oorlog komt in persoon langs: ‘Ik stond altijd klaar om mensen te veroordelen en voor gek te verklaren.’ Michaelis kon ‘niet erg subtiel’ zijn, zoals Henk Romijn Meijer onderkoeld zei. Ze was op een Maarten van Rossem-achtige manier apodictisch. Annie Romein was ‘een arrogant wijf’. Renate Rubinstein was ‘een heel vervelende meid, narcistisch en jaloers.’ Die moest altijd gelijk hebben. Adriaan Morriën schreef van die ‘zeikstukjes over vrouwtjes’, maar hij had wel verstand van poëzie (Morriën ‘ontdekte’ Michaelis). Nico Donkersloot, op wie Hanny in de oorlog nog verliefd was: ‘een ongelooflijke zak.’ Ed van Thijn kon ze ‘persoonlijk kelen.’ Huub Oosterhuis: ‘een Raspoetin’. Harry Mulisch was een ‘praatjesmaker, een prulschrijver, die dan wel bewonderd wordt, maar door mensen aan wier verstand je twijfelt’. Gerard Reve en Willem Frederik Hermans konden Mulisch ‘wel verscheuren’.

Michaelis’ poëzie kwam uit een andere laag, daar waar zich ‘het onvervalste aroma van verdriet’ zat.

Michaelis wordt in deze herinneringen interessant wanneer ze op de proppen komt met de andere kant van haar humeur, de schrijvers en mensen die haar wél bevallen. Dan vallen de namen van Kafka en Faulkner, van Salinger en E. du Perron, van Heinrich Heine en de Nabokov van Glory en Pnin, van Saul Bellow en Marcel Proust. Vestdijk en Top Naeff konden allebei ‘schrijven als de ziekte’. Proust bewondert ze om ‘zijn lucide formuleringen en zijn subtiele observatievermogen’. Ook de ‘trefzekere manier waarop hij over zijn emoties schrijft’ bevalt haar. ‘Op iedere pagina staat wel iets wezenlijks.’

Als het om de Nederlandse literatuur gaat zijn volgens Michaelis ‘de enige goede schrijvers die we hebben’ Gerard Reve, Willem Frederik Hermans, Frida Vogels en J.J.Voskuil. Voor de poëzie staat ze in voor Ida Gerhardt, M. Vasalis, Fritzi ten Harmsen van der Beek, Hans Faverey en Herman Gorter. Het is doodzonde dat niemand in staat geweest is om haar tot het schrijven van essays te bewegen. Als het erop aankwam schrok ze ervoor terug: haar losse tong op papier durfde ze niet aan. Ze hield Gerard voor een klinische sadist en masochist, maar zelf poseerde ze, ondanks haar losse tong, graag als masochiste, als iemand die er zogenaamd niet toedeed. Maar ondertussen zat ze op de eerste rij met haar opinie.

Michaelis’ poëzie wilde helemaal niet zo hanig zijn. Die kwam uit een andere laag, daar waar zich ‘het onvervalste aroma van verdriet’ zat: ‘Alle eindjes/aan elkaar geknoopt tot een patroon dat zich/laat leven. Dagenlang/gaat het goed. En dan/ is het er weer, het gat waar alles in verdwijnt: boeken, muziek, gesprekken/met vrienden. Alleen ik/blijf over, vastgenageld/aan de rand van het niets.’

‘Vastgenageld aan de rand van het niets’. Herinneringen en opinies van Hanny Michaelis door Nop Maas is uitgegeven door Korenmaat.