Allard Schröder heeft het in zijn verhalenbundel Wenst uit 2009 over personages uit het Oost-Groningse gehucht Wenst. Een bont gezelschap. Een van hen, in het verhaal ‘Aardengel’, is Sientje de Freijze, ‘een simpel zieltje in een knappe verpakking’. Voor de oorlog hielp ze aanvankelijk haar moeder met het zetten van krullen in de geïmproviseerde kapsalon die moeder in het achterhuis hield. Altijd gedonder want ze had niet de juiste papieren. Toen moeder na de oorlog uit Wenst wegtrok zette Sientje de krullen alleen. Zodra iemand, man of vrouw, de kapmantel om had begon ze te praten en hield niet meer op tot ze klaar was.

Sientje ‘vertelde de verhalen van de mensen die bij haar in de stoel hadden gezeten. Alle hoofden die ze onder handen had gehad, hadden tegen haar gesproken, en ook wanneer de mensen gezwegen hadden, had ze geweten wat er in hun hoofden omging. Sientje de Freijze kende de geheimen van Wenst en bewaarde ze. Niemand die bang was dat ze misbruik van haar kennis zou maken.’

aardappelvelden

Als afkomstig uit de provincie Oost-Groningen heeft Allard Schröder onbekommerd de rol van Sientje overgenomen. Het soort verhalen dat Sientje al knippend, krullend en föhnend vertelde heeft hij jaren met zich meegedragen, tot hij ze begon op te schrijven in Wenst, nu na dertien jaar gevolgd door een tweede boek onder de titel Sellinger: ‘Ze waren niet zwaar, daarvoor waren ze misschien te bescheiden en lieten ze zich te gemakkelijk overstemmen door de ketelmuziek van het ware leven.’

Uit Wenst gaat men grondig weg, of men blijft er hangen.

Oost-Groningen, dat zijn eindeloze aardappelvelden, doorschoten met kanalen die stinken van het schuim. Tussen wat huizen en schuren staat een café. Om de paar kilometer is een draaibrug over het kanaal. Op de strakke asfaltwegen rijdt een busdienst die plukjes passagiers vervoert. In het begin van de jaren vijftig, waarin deze verhalen spelen, bevindt zich achter de horizon de echte wereld in de gedaante van de Stad. Een bron van opwindende vermoedens. Het Wenst van Schröder is een allegaartje van arbeidershuisjes, een café (Veenzicht), een plaggenhut, een paar villa’s, middenstandershuizen, een uitdragerij, een smid, wat winkels. Men weet alles van elkaar, alle gangen worden waargenomen. Uit Wenst gaat men grondig weg, of men blijft er hangen. Gaat men weg, dan komt men wel eens terug om te laten zien hoe ver men het geschopt heeft in het Westen.

het bloed spuit alle kanten op

Het is een en al onaanzienlijkheid in Wenst, afgewisseld door wat zich ineens aan grotestadsplezier kan afspelen in een van de villa’s. Het vreemde is dat de verhalen van Schröder je bekend voorkomen: dit is wat zich daar zoal afspeelt. Die herkenbaarheid aan liefdesgedoe, aan kleine criminaliteit, aan half ontspoorde jongeren, aan stadse nuffigheid, aan landlopers, aan praatjes, aan jaloezie, aan verlangens, aan haat en nijd, aan dronkenmannen, aan van het deugdzame pad rakende vrouwen, aan ongelukken: er hangt iets bekends, kitscherigs en belegens omheen dat niet weggaat, maar door Schröders gepolijste manier van schrijven wordt opgetild tot een mooi verhaal dat tegelijk antropologisch materiaal biedt. Het zijn typerende verhalen uit zo’n streek, in de verfijnd/volwassen taal van de wereld opgeschreven.

Zoals het verhaal ‘Chevrolet’ over Stark, een jongen die niet wil deugen, en Abel, die diploma’s heeft. Stark is de baas van het groepje jongeren dat bij elkaar klit. Hij intimideert, dreigt, scheldt zijn moeder uit, ‘duldde geen tegenspraak’. Stark en Abel worden allebei gefascineerd door de Chevrolet die in het dorp is verschenen, gereden door een vrouw uit de villa. Stark verdraagt niet dat Abel in de buurt van de auto komt en geeft hem een klap in zijn gezicht wanneer hij de auto staat te bewonderen. Het bloed spuit alle kanten op. Abel valt flauw en komt tot bewustzijn in de armen van Conchita, de vrouw van de Chevrolet. Wanneer hij wat opgeknapt is brengt ze hem naar huis, een kleine omweg makend langs de brug waar het vriendengroepje zich ophoudt. Ze zien hem triomfantelijk in de Chevrolet zitten. Waarna Stark de Chevrolet steelt en ermee als joyrider verongelukt.

grauwwitte schuimvlokken

Er wonen veel simpele zielen in Wenst, maar Schröder voorziet veel van zijn personages van een soort leven van de geest, hoe verward en ongerijmd ook. Zoals Tunnes Hemming die zich in ‘Aardengel’ door de zachte handen van Sientje laat knippen. Hij is de man met het ‘innerlijk oog’, de man met ‘de blik’, die de wereld ‘naakt’ kon zien. Hij had ‘het oog dat kon denken, dat wist’. Of de smid Weland die door een paard kreupel was geschopt en daardoor een heel leven had gemist, wat hem ernstig opbreekt wanneer hij op zondagen de meisjes lachend in hun vrolijke jurken langs zijn smidse zag gaan: ‘s nachts kropen hem zijn gedachten als mieren door het hoofd, almaar ongedurig wriemelend en wemelend, nooit kwamen ze tot rust.’

Een ander voorbeeld is Else Obbinge in ‘Sellinger’. In het vroege najaar van 1942 kondigt haar vriend Sellinger aan dat hij weggaat. Verder niets. Vanuit haar huis ziet ze op een dag een man met een zonnebril uit een rode auto voor Café Veenzicht stappen. Hij blijkt terug te zijn. Ze is inmiddels getrouwd en heeft een tweeling. Dilemma: ‘Vergeefs probeerde ze haar gedachten van zich af te schudden en te doen wat ze zich die dag had voorgenomen, maar in plaats daarvan bleef ze lusteloos naar buiten kijken en had last van wènst.’ Last hebben van wènst wil zoveel zeggen als last hebben van uitzichtloosheid, gevangen zijn in gewoonten, in sleur, in herhaling. Sellinger doorbreekt dat.

In Wenst wordt elk enigszins mooi meisje een godin, een volkszanger een held, iemand die het goed gedaan heeft in de Grote Stad een exoot.

Dat is wat voortdurend in deze verhalen gebeurt: het doorbreken van een massieve bedruktheid door de kleinste ongewoonheid. Alles wordt hier tot incident. Hier bevindt zich de nulgraad van het bestaan. Hier wordt elk enigszins mooi meisje een godin, hier wordt een volkszanger in een feesttent een held, iemand die het goed gedaan heeft in de Grote Stad wordt een exoot, iemand die met afstand wordt bejegend.

De grauwwitte schuimvlokken op het kanaal die naar bederf roken worden het symbool van het leven in Wenst. Schröder maakt het vermelden van dat vuile schuim tot een vast onderdeel van de verhalen. Voor Gezinus Boltz, de man van de uitdragerij en een van de terugkerende personages in deze verhalen, had de wereld zoals hij die kende ‘de geur van verrotting’.

Sellinger en Wenst, verhalen over Oost-Groningen door Allard Schröder zijn uitgegeven door De Bezige Bij.