‘Hoe lang nog, in één woord, moet de kunst (knapheid) boven het leven (standpunt) worden verheven?’ verzuchtte criticus en ‘vent’ Menno ter Braak over de Nederlandse literatuur in een, overigens positieve, bespreking van de roman Eva van Carry van Bruggen (Man tegen man, 1931).

Die discussie over ‘vorm of vent’, oftewel stijl of inhoud, zie je weer volop doorschemeren in de recensies van dag- en opiniebladen. De tegenstelling is minder scherp, want het landschap van de kritiek is veel diffuser dan in het interbellum, toen de ‘vorm-of-vent-discussie’ haar hoogtepunt beleefde: een beetje vorm, een beetje vent en dan is die vent ook nog steeds vaker een vrouw. Maar in de besprekingen van bijvoorbeeld Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer zie je uiteenlopende kampen in de literatuurkritiek:

‘Zonder er echt iets voor te hoeven doen kwam Clio met haar “krokante kontje en haar pittige tietjes” (really?) daverend klaar – zoals alle vrouwen met wie hij in het boek naar bed gaat binnen luttele alinea’s spetterend klaarkomen. Het zal het gouden pennetje van de schrijver zijn,’ schreef Joost de Vries (1983) vorig jaar in De Groene Amsterdammer.

Ook Volkskrant-critica Persis Bekkering (1987) had kritiek op ‘de schrijver met het gouden pennetje’. ‘Het lukt Pfeijffer niet zijn eigen witte-mannen-perspectief te ontstijgen: elke waarneming past in zijn eigen denkkader; daar tieren de clichés welig.’

Een bespreking die bij Volkskrant-columnist Peter Middendorp niet helemaal in het goede keelgat schoot: ‘Was de witte, mannelijke blik van een schrijver, een personage of een mengvorm van de twee, zo langzamerhand bezig uit te groeien tot een zelfstandig argument tegen kunstwerken?’ vroeg hij zich af.


VN’s Marleen Slob ging in gesprek met Dieuwertje over haar werk als literatuurcritica, het boekenbal en de generatieverschillen binnen de literatuurkritiek.‘Wij recensenten vinden onszelf belangrijker dan dat lezers ons vinden.’

Een uitstervend stijlmiddel

Tja, de witte man van vandaag is de zwarte man van gisteren. In NRC en Trouw ontving Pfeijffer wel lovende kritieken. Rob Schouten (1954) schreef in Trouw: ‘een meesterwerk: grandioze stijl, briljant en rijk’. Thomas de Veen (1986) in NRC: ‘Pfeijffer ving de tijdgeest en dient hem hier onweerstaanbaar op. Hij heeft de roman van het jaar geschreven.’

Lees ookDe Grote Vraag: op welk gebied hebben we nog dwarsdenkers nodig?7 maart 2020

Tijdens een gesprek licht de NRC-criticus toe: ‘Misschien was dat een vrij welwillende interpretatie van mij. Ik zie de wijze waarop hij vrouwen wegzet als ironisch. Ik heb veel vertrouwen in de alertheid van de auteur. Ik denk dat er weinig schrijvers zijn die over vrouwen schrijven als gebruiksvoorwerp zonder dat ze daarmee iets anders willen zeggen. Ik verwacht dat hij daarmee iets aan de kaak wil stellen en ga ervan uit dat de schrijver niet zo achterlijk is dat hij zonder bijbedoelingen een vrouw op een negentiende-eeuwse wijze representeert.’

Zoals de literatuur steeds autobiografischer wordt, zo is de criticus in zijn of haar recensies ook steeds vaker persoonlijk.

Ironie is een uitstervend stijlmiddel dat het moet hebben van zijn tweeledigheid: je zegt het een en je bedoelt het ander. Probleem bij schrijvers als Pfeijffer (maar denk bijvoorbeeld ook aan Herman Brusselmans), die zichzelf als personage opvoert in Grand Hotel Europa, is dat er zo weinig fundering is voor twijfel aan de misogynie van de auteur die wel vaker seksistische uitlatingen deed. De ironie is misschien eerder een poging van de (‘welwillende’) lezer om zijn ongemak met het gepresenteerde seksisme te verteren. De schrijver bedoelt precies wat hij zegt.

Dat is problematisch. Ook al staat het predicaat ‘roman’ op de omslag, in zekere zin wordt ook de persoon van de auteur beoordeeld.

Morele argumenten

Zoals de literatuur steeds autobiografischer wordt, zo is de criticus in zijn of haar recensies ook steeds vaker persoonlijk. Voor veel jonge Nederlandse (vrouwelijke) auteurs, critici en essayisten als Niña Weijers (1987), Persis Bekkering (1987), Nina Polak (1986) en Bregje Hofstede (1988) is niet voor niets Marja Pruis (1959) van De Groene Amsterdammer een groot voorbeeld dat veel navolging vindt in onder meer De Groene en De Gids. Pruis is bij uitstek een critica die het persoonlijke in haar kritieken betrekt: een nieuw huis, een gesprek met een vriendin op het terras. Zolang er een brug is te slaan van de anekdote uit haar eigen leven naar het te bespreken boek, schuwt ze het persoonlijke niet.

Lees ookBregje Hofstede maakt voor Vrij Nederland een serie over slaap27 september 2019

Het persoonlijke is politiek (om de feministische leus uit de jaren zestig en zeventig maar eens te citeren) bij de jonge vrouwen die in navolging van Pruis het persoonlijke in hun essays en kritieken betrekken, zeker nu identiteitspolitiek het maatschappelijke debat beheerst. Die nadruk op een politiek of moreel kader was ook in de jaren zestig en zeventig in de kritiek aanwezig, maar dan vooral vanuit christelijke hoek.

Kort Amerikaans (1961) van Jan Wolkers werd door christelijke critici verworpen als ‘pornografisch’. Maar denk ook aan ‘het ezelsproces’: Gerard (van het) Reve werd niet alleen verguisd door literatuurcritici uit christelijke hoek, maar ook door SGP-parlementariër C.N. van Dis aangeklaagd voor godslastering nadat hij in Nader tot u (1966) beschreef hoe hij seks had met een tot ezel gereïncarneerde God.

Met morele argumenten worden de meeste critici die ik sprak niet graag geassocieerd.

Die christelijke moraal zie je niet meer vaak terug in de kritiek van nu. Het nieuwe morele kader is feministisch en/of socialistisch en woke of staat daar lijnrecht tegenover, en is liberaal óf conservatief.

Met morele argumenten worden de meeste critici die ik sprak niet graag geassocieerd. Het klinkt zo benepen, dogmatisch en ouderwets. Tenzij het gaat om hedendaagse gevoeligheden: het is vandaag de dag bijna onmogelijk om zaken als seksisme en racisme niet eens te registreren bij het lezen. De vraag is wat een criticus ermee moet doen. Moet hij het benoemen? Meewegen?

Feministisch perspectief

Wat een criticus belangrijk vindt, hangt onder meer af van zijn leeftijd, opleiding en achtergrond. Gechargeerd gezegd zou je kunnen stellen dat oude witte mannelijke critici vaak een andere leeshouding hebben dan jonge critici. Ze zijn meer gefocust op stijl en minder op politieke correctheid. Het is opvallend dat een hele generatie toonaangevende critici, allemaal geboren in de jaren vijftig en zestig, Nederlands studeerde in de jaren zeventig en tachtig, denk aan Arjan Peters (de Volkskrant), Jeroen Vullings (Elsevier, tot voor kort Vrij Nederland), Arie Storm (tot voor kort Het Parool), Marja Pruis (De Groene Amsterdammer) en Rob Schouten (Trouw).

‘Dat is een groot verschil met de jonge critici van nu, van wie de meesten geen Nederlands studeerden. Bij die generatie is ook de focus op Nederlandse literatuur verdwenen. En daarmee een gemeenschappelijk referentiekader,’ zegt Joost de Vries, die zelf geschiedenis en journalistiek studeerde.

Zijn generatiegenoot Persis Bekkering studeerde literatuurwetenschap. Daar leerde ze dat morele verontwaardiging geen plek mag hebben bij de waardering van een boek. Alles draait om stijl. ‘Lolita van Vladimir Nabokov is bijvoorbeeld een geweldig geschreven boek. Dat het gaat over een pedofiel maakt helemaal niet uit; de morele woede die we daarover hebben, parkeren we. Het is prachtig geschreven, dus briljant.’

Na haar studie dacht ze daarover na en kwam tot de conclusie dat ze die waarden, die voor een oudere generatie zo voor de hand liggen, niet langer onderschrijft. De Volkskrant-critica vindt het niet prettig om als ‘moralistisch’ bestempeld te worden, maar geeft wel aan vanuit ‘een feministisch perspectief’ te bespreken: ‘misogynie en racisme zijn ontoelaatbaar’.

Beperkt wereldbeeld

Twee jaar geleden schreef Bekkering een stuk in de Volkskrant waarin ze haar kritiekpraktijk toelichtte. Ze schreef: ‘Een boek kan vlammend geschreven zijn, maar als een schrijver vrouwen wegzet als domme sletjes, geef ik geen vijf ballen.’ Ze kreeg veel kritiek op sociale media, naar eigen zeggen voornamelijk van (oude én jonge) witte mannen: ‘Die waren waarschijnlijk bang dat ze nooit meer een kans maakten om door mij te worden besproken. Onzin, natuurlijk: de literatuur bestaat voor een groot deel uit witte mannen.’

‘Een oudere generatie is opgevoed met het idee dat ethiek en esthetiek totaal verschillende dingen zijn.’

Joost de Vries: ‘Een paar jaar geleden werd misogynie nog als “grappig” gezien. Daar kom je nu niet meer mee weg als schrijver. En als hoogopgeleide witte man hoef je het nu ook niet meer in je hoofd te halen om te schrijven vanuit het perspectief van een zwarte slavin. Daar krijg je een hoop gezeik mee. Het idee dat iemand van a tot z een heel nieuwe wereld verzint, is bijna achterhaald. Romanpersonages staan steeds dichter op hun auteurs.’

Bekkering stoort zich vooral aan het beperkte wereldbeeld dat in romans van sommige witte mannen, zoals Pfeijffer, naar voren komt. ‘Een oudere generatie is opgevoed met het idee dat ethiek en esthetiek totaal verschillende dingen zijn. Ik denk dat een lezer dat onderscheid niet maakt. Ik kan zowel esthetische gevoelens als ethische gevoelens hebben tijdens het lezen. Ik kan bijvoorbeeld boos worden als iemand slechte dingen doet of racistische dingen zegt.

Tegelijkertijd heb ik iets met mooie zinnen. Het voelt voor mij heel erg gekunsteld om die twee uit elkaar te trekken. Voor mij moeten kunst en literatuur de ruimte vergroten. Als een boek een heel conservatief wereldbeeld voorschotelt, vind ik dat niet zo geslaagd: die wereld bestaat al. Dat is niet zozeer een moreel oordeel, maar een esthetisch oordeel. Je hebt de kans om de wereld te vergroten, maar dat doe je niet.’

De mate van ‘interessantheid’

‘Een boek is niet ethisch of esthetisch, maar een leeshouding kan dat wel zijn,’ reageert filosoof en (NRC-)criticus Maarten Doorman. ‘Esthetiek en ethiek lopen natuurlijk door elkaar als je aan het lezen bent. Maar ik vind niet dat je kunt zeggen dat een boek moreel verwerpelijk is omdat het een wereldbeeld naar voren brengt dat niet het jouwe is. Juist als je je blik op de wereld wilt vergroten, is het goed als je als lezer geconfronteerd wordt met beelden die heel onaangenaam zijn, ethische vraagstukken waar je echt last van hebt. Wanneer je van een boek een moraal verwacht, ben je een te enghartige lezer. In literatuur gaat het altijd om dubbelzinnigheid. Literatuur is ethisch relevant omdat het moeilijke maatschappelijke vraagstukken kan behandelen, maar niet moralistisch.’

‘Die morele kritiek over representatie of antifeministische standpunten komt er vaak op neer dat het verhaal vlak en oppervlakkig en eenduidig is geschreven,’ zegt Thomas de Veen, die wel begrijpt waar Bekkering heen wil. ‘Ik vind het een valide punt, maar het is niet het laatste punt. Waarom zou de schrijver dat op die manier doen, vraag ik me dan af. Het is interessant als de grenzen worden opgezocht. Ik vind de mate van “interessantheid” belangrijker dan een kwalijke moraal.’

Wie mag wat vertellen?

Het identiteitsdenken in de literaire kritiek is pakweg vier, vijf jaar geleden overgewaaid uit de Verenigde Staten. In 2016 werd bijvoorbeeld De Mandibles van Lionel Shriver daar ter discussie gesteld. Shriver schetst in dat boek een toekomstig economisch failliet Amerika. De president is een incapabele Mexicaan. Ook is er een belangrijke rol weggelegd voor een demente zwarte vrouw die aan een hondenriem wordt meegevoerd.

Shriver werd verweten dat haar Mexicaan en haar zwarte vrouw rolbevestigende stereotypen waren. De Amerikaanse kritiek viel over die stereotyperingen en beschuldigde haar ook van culturele toe-eigening (cultural appropriation). In haar kielzog rekenden ook Nederlandse feministen als Niña Weijers en Simon(e) van Saarloos met haar af. Weijers schreef in De Groene: ‘Shriver heeft blijkbaar een wereld voor ogen waarin schrijvers alles kritiekloos mogen opschrijven, beschermd door een heilig aureool van verbeeldingskracht dat alle discussie over politieke en ethische dimensies van literatuur tenietdoet.’

‘Je zet je eigen morele kompas in als je leest, dat is ingecalculeerd.’

Joost de Vries denkt dat deze focus op cultural appropriation en wie vanuit welke positie wat mag schrijven niet is voorbehouden aan jonge recensenten, maar zij kijken wel vaker zo. ‘De jonge critici van het platform De Reactor schrijven bijvoorbeeld wel heel neomarxistisch, en leggen elk boek langs een meetlat van politiek-identitaire, sociaaleconomische machtsstructuren. Het is bijna politicologie uitgeoefend op romans. Ook in de academische kritiek draait het vaak om de vraag: wie mag wat vertellen? Groene-collega’s als Femke Essink en Saskia Pieterse, beiden academici, kunnen ook heel erg de verborgen moraal bespreken.’

Segregatie in de literatuur

Maarten Doorman is kritisch over het voeren van identiteitspolitiek in de kritiek. ‘Er is een gevaar voor segregatie in de literatuur. Een voorbeeld uit mijn eigen praktijk: ik recenseer veel boeken van mannen en daar wil ik graag verandering in aanbrengen, maar dat lukt niet, want boeken die door vrouwen zijn geschreven, laat de NRC-redactie vaak door vrouwen bespreken. Het gevolg is dat ik straks alleen nog maar boeken van mannen bespreek. Het is belangrijk dat iedereen toegang heeft tot “de publieke sfeer”, zoals filosoof Jurgen Habermas het noemt, en dat dat openbare podium niet op voorhand in hokjes is verdeeld.’

‘Maatschappelijk engagement en politieke opvattingen beïnvloeden de literatuur en dus de literaire kritiek,’ zegt Elsbeth Etty in navolging van Kees Fens, de in 2008 overleden ster-criticus van de Volkskrant. Neerlandica Etty schreef aan het begin van haar carrière voor het communistische dagblad De Waarheid en daarna – nadat ze haar activisme vaarwel had gezegd – bijna dertig jaar voor de boekenpagina’s van NRC tot haar pensioen in 2017. ‘Je zet je eigen morele kompas in als je leest, dat is ingecalculeerd.’

Lees ookAnil Ramdas, enfant terrible van het multiculturele debat9 april 2019

Etty zag menige ethische discussie langskomen: ‘Ik weet nog dat Anil Ramdas een verhaal had op de voorpagina over hoe Joost Zwagerman over gekleurde mensen schreef. Ik geloof niet dat hij het woord “racisme” gebruikte, maar wel “vooringenomen”. Ook Gloria Wekker heeft met haar kritiek op white privilege een belangrijke discussie aangezwengeld, maar dit mag niet de enige manier worden om naar literatuur te kijken. Dit zijn discussies die gevoerd moeten worden. Maar ik denk wel dat ze weer overwaaien.’

Het is de vraag of deze moralistische houding ten opzichte van literatuur (en kunst) gaat overwaaien of dat het een opmaat is voor een andere cultuur in de kritiek, de aanzet voor een grote ommezwaai in het denken over literatuur.

Als de generatie nu nog actieve minder woke critici er straks niet meer is, ontstaat er misschien een heel andere en meer bewuste bespreekcultuur, waarin veel rekenschap wordt gegeven van maatschappelijke gevoeligheden en onbehaaglijke teksten die de lezer confronteren met onprettige of moeilijk te verteren denkbeelden aangaande bijvoorbeeld seksisme of racisme worden omzeild. Maar juist een andere – misschien zelfs moreel verwerpelijke – visie kan lezers de ogen openen. Het zou jammer zijn als (zelf)censuur het eindpunt is en de kritiek een soort moraalpolitie wordt die auteurs (makers/kunstenaars) in een wurggreep houdt. Daarmee zou ze haar eigen dood inluiden en verandert woke in een ‘wake’ voor de kritiek.

Voor VPRO RadioDoc maakte Dieuwertje Mertens een documentaire over literaire kritiek. Luister ‘m hier.