‘Oorlog’ is een van de geliefdste metaforen. Het wordt al oorlog genoemd als ergens alleen maar ruzie is. Het is al oorlog wanneer twee voetbalelftallen elkaar proberen in te maken. Het is oorlog wanneer twee schrijvers een polemiek beginnen. Het aantrekkelijke van oorlog-bij-wijze-van-spreken is dat het leven ineens op scherp gaat staan. Het is even ernst, of men doet alsof het ernst is.
Er is iets mis wanneer ‘oorlog’ wordt gebruikt in verband met cultuur. Je zou denken dat cultuur zich verre van oorlog bevindt, het is juist cultuur omdat er dan geen oorlog is. Het is tamelijk pervers wanneer er maar te pas en te onpas met oorlog gestrooid wordt. Daarom blijft er iets onsmakelijks hangen rond de modieuze ‘culturele oorlogen’, culture wars, die tegenwoordig worden uitgevochten op slagvelden als nationaliteit, seksualiteit, racisme, identiteit, politieke correctheid en emancipatie. Ze zijn allemaal controversieel.
Er zijn grote tegenstellingen ontstaan. In hoeverre moeten we nog nationaal denken als lid van de Europese Unie? Moet heteroseksualiteit nog steeds de norm zijn? Of is er helemaal geen ‘heteronormativiteit’? Mogen mensen en groepen hechten aan een bepaalde identiteit, of is dat juist benauwend en bekrompen? Is emancipatie, cultureel volwassen worden, nog steeds het achterliggende streven of is vooruitgang een gepasseerd station? Is gelatenheid een betere houding?
Bij een titel als Culturele veldslagen denk je dat er niet veel mis kan gaan.
Wanneer Gijs van Oenen zijn boek Culturele veldslagen noemt, met als ondertitel Filosofie van de culture wars, conformeert hij zich aan een hedendaagse gewoonte om culturen te beschrijven in termen van oorlog, in militante taal en strategische verhoudingen. Dan gaat men mensen ‘mobiliseren’, dan wordt er door de tegenstander ‘gedisciplineerd’. Het is nog net niet zo dat het terroristische vocabulaire wordt gebruikt.
vreedzaam verlopen oorlogje
Bij een titel als Culturele veldslagen denk je dat er niet veel mis kan gaan: er zullen wel verschillende kampen zijn met verschillende munitie aan ideeën. Het zal niet moeilijk zijn om die kampen te beschrijven. Dat lukt Van Oenen in de eerste pagina’s wanneer hij het slagveld beschrijft dat ontstond toen er ‘taalsensitiviteiten’ opdoken bij de vraag of het wel goed was dat Marieke Lucas Rijneveld de Nederlandse vertaling zou maken van het gedicht The Hill we Climb van Amanda Gorman bij de inauguratie van Joe Biden als president van de Verenigde Staten. Moest dat niet iemand zijn met een verwante gekleurde huid, iemand die zich beter kon inleven in de cultuur en achtergrond van het gedicht? Rijneveld trok zich schielijk terug en er kwam een min of meer adequate vertaling van Zaïre Krieger. Die zorgde er niet voor dat je, Rijnevelds gedichten kennende, haar potentieel verrassender vertaling vergat. Gegeven de huidige verhoudingen in het licht van Black Lives Matter is dit een vreedzaam verlopen oorlogje.
Lastiger wordt het wanneer Van Oenen zijn positie in de culturele veldslagen inneemt. Hij doet dat door achter de Franse filosofen Michel Foucault, Jacques Derrida en Jean-Francois Lyotard te gaan staan die in het midden van de jaren zestig elk een boek schreven waardoor ‘een bepaald soort ontregelend denken’ losbarstte. Er zou een ‘ontdisciplinering’ van het denken mee hebben plaatsgevonden: ‘een denken dat zichzelf bevrijdt.’ Alles werd op losse schroeven gezet.
Het gezamenlijke, verwante denken van deze filosofen noemt Van Oenen ‘Theorie’, wat heel ongelukkig is, want denken aan de hand van ‘theorie’ is een beruchte, bijna sektarische manier van denken (je hebt voor alles een theorie: queer theory, marxist theory, feminist theory, emotion theory, poststructuralist theory, rhetorical theory, cultural theory, language theory, woke theory).
Nietzsche komt bij Van Oenen regelmatig voor, maar niet op een vruchtbare manier.
Zonder echt in te gaan om de inhoud van de boeken neemt Van Oenen er alleen wat hij ervan kan gebruiken: ‘Voor mij staat Theorie voor dit plotselinge, exuberante, bevrijdende denken.’ Bevrijdend omdat Theorie staat voor: geen grenzen, geen groot verschil tussen rede en waanzin, geen vaste ijkpunten, geen kaders die aangegeven wat normaal is, onverschillig ten aanzien van sociale en politieke ordes. Foucaults relativering van de waanzin, Derrida’s deconstructie en Lyotards postmoderne conditie vielen goeddeels samen met de Verbeelding aan de macht van de jaren zestig en met de opkomst van de tegencultuur.
knevelend
Bij alles wat Van Oenen over de culturele veldslagen zegt moeten we in ons achterhoofd houden dat Van Oenen een zwak heeft voor de ‘gekte’ die een onderdeel is van Theorie. Dat is voor Van Oenen min of meer hetzelfde als postmodernisme. Dit betekent dat voor Van Oenen elke begrenzing, elk kader, elk criterium geldt als beperkend, als gewelddadig, als knevelend, terwijl je ook zou kunnen zeggen dat beperkingen en weerstanden de creativiteit opwekken om die weerstanden te overwinnen. Nietzsche komt bij Van Oenen regelmatig voor, maar niet op een vruchtbare manier: voor Nietzsche was cultuur het overwinnen van beperkingen, weerstanden. Voor Nietzsche geen postmoderne oceanische ontgrenzing.
Van Oenen schrikt er in het kader van zijn veldslagen niet voor terug om het over ‘de gewelddadige structuur van de taal’ te hebben. Het trefzeker gebruik van de taal ‘is als een schot, en zo’n schot is als een kader dat de oorlog creëert.’ Van Oenen verlangt naar oorlog. De taal kan veel en kan zelfs gewelddadig zijn, maar er een ‘gewelddadige structuur’ in zien getuigt van te veel behoefte om overal gewelddadigheid in te zien.
Als mensen op hun strepen gaan staan, radicaal willen zijn en het onderste uit de kan willen, dan komt iedereen onder verdenking te staan niet politiek correct genoeg zijn. Soms heeft van Oenen een extra helder moment en ziet hij dat de tegenstellingen niet altijd zwart-wit zijn, maar dat er sprake is van een tragische, onoverkomelijke tegenstelling. Voor het menselijk tekort, voor melancholie en tragiek is doorgaans geen plaats in de culturele oorlogen, terwijl daar juist vaak sprake van is.
Gegeven die oorlogszuchtigheid wil Van Oenen ook altijd geweld zien wanneer er sprake is van ‘discours’, van een breed debat over een bepaald onderwerp. Dan is er voor van Oenen niet gewoon verschil van mening, nee dan is er altijd één discours dat ‘dominant’ is, dat de dienst uitmaakt. Zo zou de ‘heteronormativiteit’ altijd het discours over seksualiteit bepalen.
Van Oenen brengt van tijd tot tijd het probleem op dat Michel Foucault niets moest hebben van het identiteitsdenken. Dat was wat hem betreft meer iets voor de politie. Met het denken in verschillen, en die verschillen extra benadrukken, kan in radicale gedaante het heilloze, sektarische identiteitsdenken ontstaan. Dat had Foucault goed gezien. In zijn milde vorm is denken in verschillen juist vruchtbaar individualiserend.
warrig geheel
Culturele veldslagen lijkt met een zekere systematiek opgebouwd, maar uiteindelijk is het een warrig geheel. Van Oenen heeft het vaak over ‘cultuurmarxisme’, maar het lukt hem niet om het karakter daarvan duidelijk te omschrijven. Als het betekent dat de klassenstrijd geen prioriteit meer heeft, maar diversiteit, identiteit, multiculturalisme, feminisme, lokalisme, dan kunnen die ook bij ‘woke’ of gewoon bij liberalisme ingedeeld worden. Maar liberalisme wordt door Van Oenen niet serieus genomen (‘de nulgraad van het denken’), terwijl het, net als democratie, de ruimte schept voor debat en een onbevangen discours.
De cultuur bestuderen in termen van ‘veldslagen’ werkt niet, dan gaat het veel te veel om vastgelegde, gepolariseerde tegenstellingen. In het boek van Van Oenen is in het geheel geen sprake van cultuurkritiek. In cultuurkritiek is een zekere afstand ingebouwd, de criticus houdt een bepaalde distantie en onafhankelijkheid ten aanzien van wat hij bestudeert. Van Oenen verwerpt deze distantie: hij vindt dat de onderzoeker een onderdeel is van wat hij onderzoekt. Dat is heel nobel maar verwarrend en maakt dat het boek geen duidelijke visie heeft. Behalve dat Van Oenen vindt dat in al het denken een zekere ‘gekte’ moet zitten, wat nog niet zo gek is, als die gekte maar niet ‘domineert’.
Jezelf onderdeel maken van wat je bestudeert leidt tot een onnodige zelfdeconstructie. Kritische distantie is heel goed mogelijk en werkt ook verhelderend. Van Oenens positie staat garant voor verstrengeling en verwarring, die, hoeveel kennis en eruditie ook uit het boek spreekt, steeds groter wordt naarmate het boek vordert.
Culturele veldslagen. Filosofie van de culture wars door Gijs van Oenen is uitgegeven door Boom.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.