De begroeting is enigszins onwennig. Gek genoeg ook door de plek waar het gesprek tussen oud-VN-redacteuren Margalith Kleijwegt, Ingrid Harms, Marc Josten, Piet Piryns, Rudie Kagie en oud-VN-fotograaf Bert Nienhuis plaatsvindt. We bevinden ons op de Raamgracht, waar de redactie van Vrij Nederland decennialang gevestigd was. Maar de grote redactiezaal bestaat niet meer: alle ruimtes waar vroeger typemachines ratelden, zijn opgegaan in hypermoderne lofts.
Vertrouwd en o zo vreemd. Alleen het uitzicht op de Kloveniersburgwal en het slaan van de klokken van de Zuiderkerk op de hele en halve uren herinneren nog aan hoe het ooit was. ‘Dat we elkaar hier nu zien,’ zegt Rudie Kagie. ‘En dan ook nog op wóénsdag. Dan hadden we altijd redactievergadering.’
Weemoed
Pal onder de riante eettafel waaraan het gesprek plaatsvindt, was de kamer van toenmalig hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse. Even verderop zetelde adjunct Joop van Tijn.
Het is een gek gevoel om hier te zijn, daar zijn ze het alle zes over eens. ‘Ik voel weemoed als ik hier zit,’ vat Ingrid Harms het samen. ‘Ik heb hier de helft van mijn leven doorgebracht, de beste jaren van mijn leven. Dit blad heeft het grootste deel van mijn bestaan bepaald. Ja, echt weemoed…’
Piet Piryns: ‘…die niemand kan verklaren. En die des avonds komt wanneer men slapen gaat.’
Harms: ‘Het roept heel veel emoties op. Al zitten mijn tranen erg los sinds ik kanker heb.’ Ze wilde destijds − in 1980 − heel graag bij VN werken. ‘Het was het beste weekblad dat er was. Met geweldige stukken, die ook nog eens mooi geschreven waren. Een prachtige combinatie van politiek en cultuur.’
Of ze er trots op waren om bij Vrij Nederland te werken? Het blijkt de sufste vraag van de middag. ‘Enorm!’ antwoorden ze alle zes in koor. ‘Zo mooi als wij het hier hadden, vind je het niet meer,’ zegt Kagie. ‘Het vak is veel minder leuk geworden.’
Piryns: ‘VN was in de jaren zeventig en tachtig het Walhalla van de journalistiek. Zeker vanuit Vlaanderen − waar ik vandaan kom − werd er enorm tegenop gekeken. Let wel: we hebben het over de tijd waarin de Nederlandse pers nog niet volledig in handen van de Vlamingen was. Wie als Vlaming bij VN mocht werken, was uitverkoren. Alsof je van Anderlecht naar Real Madrid werd getransfereerd.’
Je beschrijft een soort journalistieke hemel.
Piryns: ‘Dat wás het ook. Zo voelde het echt toen ik hier kwam werken. In mijn eerste week werd ik al voor een verhaal naar Marseille gestuurd. Ik had nog nooit in een vliegtuig gezeten. Toch kreeg je direct dat vertrouwen. En het waren de dagen van slow journalism; je mocht met gemak twee weken over een stuk doen.’
Kagie: ‘Er werd wel onderscheid gemaakt tussen werkpaarden en luxepaarden. Ik was een werkpaard dat gewoon elke week met een stuk moest komen.’
Wie waren dan de luxepaarden?
Harms: ‘Zo werden de mensen van het Kleurkatern genoemd. Dat was absoluut niet terecht.’
‘Ik voel me er ook helemaal niet door aangesproken,’ reageert Kleijwegt, die net als Harms veel voor dat katern werkte. ‘Wij werkten langer aan een stuk, maar zeker niet minder hard.’
‘Wat ik bij VN vooral leerde, was om het lichte serieus te benaderen en het serieuze licht.’
Kagie: ‘Het is als bij een dagblad: sommigen maken grote stukken voor de zaterdagkrant, anderen zorgen dat er door de week ook wat te lezen valt.’
De saaiste stad van Nederland
Het allereerste Kleurkatern − uit 1977, over confectiebedrijf Sturka in Zutphen − werd gemaakt door Gerard van Westerloo, Elma Verhey en Hugo Arlman, herinnert Piet Piryns zich. Daar hadden ze maanden aan gewerkt.
‘Het eindresultaat was prachtig. Alleen had niemand eraan gedacht dat er de week daarna óók weer een bijlage moest verschijnen. Dus stuurde Rinus mij naar Oss. De titel had hij al bedacht: Oss, de saaiste stad van Nederland. Moest ik in anderhalve week een verhaal uit de grond stampen. Want planning, daar moet je je natuurlijk niet al te veel mee bezighouden…’
Voor die bijlage over Oss maakte Bert Nienhuis de foto’s. ‘Ik heb toen nog het stoplicht van Oss gefotografeerd. Dat stond in alle varianten op de cover: met het licht op rood, op groen en op oranje. Om maar aan te geven hoe dodelijk saai Oss was.’
Harms: ‘Wat ik bij VN vooral leerde, was om het lichte serieus te benaderen en het serieuze licht. Iedereen probeerde lichtvoetig te schrijven. Elegant en een beetje geestig.’
Piryns: ‘Het ergste verwijt dat je kon krijgen, was dat je stuk sáái was.’
Harms: ‘Nuttig.’
Kagie: ‘Gedegen.’
Josten: ‘Goed om te hebben.’
Piryns: ‘Dan wist je dat je de plank totaal misgeslagen had.’
Complexe naturen
Toen Margalith Kleijwegt in 1984 door Rinus Ferdinandusse gebeld werd met de vraag of ze voor Vrij Nederland wilde werken, dacht ze aanvankelijk dat het een practical joke was.
‘Ik had een verhaal geschreven voor de Haagse Post, dat kennelijk bij hem in de smaak was gevallen. Aangezien ze mensen zochten voor de Bijlage, werd ik gebeld. Terwijl ik volslagen autodidact was. Ik kon eigenlijk nog niks. Als mensen tegenwoordig journalist worden, hebben ze vaak twee masters op zak en een wereldreis achter de rug. Het sollicitatiegesprek verliep ook tamelijk bizar. Rinus zei: “Pak zelf maar koffie, want ik loop wat moeilijk.” Ik was ervan overtuigd dat het een test was, dat hij wilde kijken hoe ik reageerde. Maar aan het eind van het gesprek zei hij: “Bedenk een paar onderwerpen, en kom volgende week maar langs.”’
Waar moest je het meest aan wennen toen je bij VN begon?
Piryns: ‘Dat de mensen waar ik zo huizenhoog tegenop keek − Joop van Tijn, Gerard van Westerloo, Martin van Amerongen − zo benaderbaar waren.’
Want hoe waren ze op ware grootte?
Piryns: ‘Heel aardig en behulpzaam.’
Marc Josten begint te lachen. ‘Dat waren ze zeker. Maar het waren ook complexe naturen. Mannen als Joop van Tijn of Rinus Ferdinandusse zaten niet simpel in elkaar. Maar ze waren in mijn tijd absoluut de spil van de krant.’
Kagie: ‘De beste tijd was toen Rinus hoofdredacteur was en Joop adjunct. Rinus liet je je gang gaan, was er altijd. Als je vastliep met een artikel liep je even bij hem binnen. Dan wist-ie altijd raad: “Als je het nou even zo en zo doet.” Ook altijd net iets meer aan je vragen dan je dacht dat je zou kunnen. “Wordt het niet eens tijd dat jij die of die gaat interviewen?” Terwijl je zelf dacht: kan ik dat wel?’
Harms: ‘Rinus was absoluut mijn ijkpunt. De man voor wie je het wilde doen, voor wie je je stukken schreef. Terwijl hij bepaald niet met complimenten strooide. Na mijn eerste grote verhaal hoorde ik maar niks van hem. Ik liep zijn kamer in. “Vond je het niet goed? Moet ik het volgende keer anders doen?” Hij antwoordde: “Als ik niks zeg, is het goed.”’
Hij vroeg een keer aan mij: ‘Hoe is het met je stuk?’ Ik vroeg: ‘Welk stuk bedoel je?’ Waarop hij zei: ‘Geen idéé. Maar ik vraag het al dertig jaar aan iedereen die ik tegenkom, en ze beginnen altijd direct te praten.’
Josten: ‘Dat is Rinus ten voeten uit.’
Ferdinandusse zei zelf tien jaar geleden in VN: ‘Ik was wel hoofdredacteur, maar ik gaf geen leiding. Dat was mijn taak ook helemaal niet.’
Kagie: ‘Dat is hem later inderdaad verweten. Maar dat was exact het uitgangspunt van de redactie. VN was een auteurskrant. Je las dat blad vanwege Bibeb, Piryns, Van Tijn of Van Amerongen.’,
Nienhuis: ‘Rinus zei altijd: jullie zijn allemaal jullie eigen hoofdredacteur.’
Harms: ‘Wat mijn redacteuren interessant vinden, vinden mijn lezers dus ook interessant.’
Een soort arbeiderszelfbestuur?
Josten: ‘Dat is teveel gezegd. Er ging wel een zekere corrigerende werking van de redactievergadering uit. Er dreigde op een gegeven moment een serie over borsten te komen. Daar had de vergadering geen behoefte aan. En dan gebeurde het dus ook niet.’
En wat was de rol van Joop van Tijn?
Kagie: ‘Ik werkte vaak een nachtje door. Om drie uur ’s nachts ging dan de telefoon: Joop. “Gaat het een beetje? Kom je eruit?” Zoiets heb ik daarna nooit meer meegemaakt.’
Ik herinner me nog wel heel goed dat bij VN de wereld werd ingedeeld in “mensen die deugen” en “mensen die niet deugen”.’
Josten: ‘Joop was de intens bij het spel betrokken coach. Dat was zowel stimulerend als remmend. Hij had een fantastische neus voor originele invalshoeken. Een van mijn mooiste ervaringen met hem was een stuk dat ik maakte rondom de val van de Berlijnse Muur. Hij zei: “Marc, maak nou ’ns géén stuk over al die mensen die uit de DDR vertrekken. Dat doet iedereen al. Richt je op de achterblijvers.” Dat was een gouden tip.’
Kagie: ‘Minpuntje was dat Joop zoveel mensen kende en daardoor veel belangen had. Daar mocht je dan niet over schrijven. Er ging soms gewoon een streep door een passage omdat het een vriend van Joop betrof. Als je schreef over gerommel bij de TROS, dan vond Joop dat geweldig. Maar ging het over gedoe bij de VPRO, dan lag het opeens totaal anders.’
Kleijwegt: ‘Ik herinner me nog wel heel goed dat bij VN de wereld werd ingedeeld in “mensen die deugen” en “mensen die niet deugen”. En uiteraard waren de mensen die dat zeiden zélf mensen die enorm deugden.’
Josten: ‘Dat teleologische denken is weer helemaal terug in de journalistiek: naar de conclusie toeschrijven. Je hebt zelf een mening en gaat er vervolgens de feiten bij zoeken. Terwijl het van groot belang is dat je als journalist een open mind hebt. Joop had ondanks die belangenverstrengeling een open, avontuurlijke geest, gekoppeld aan een ongebreidelde nieuwsgierigheid. Ga het onderzoeken. Wees nergens bang voor.’
Wat was de kracht van VN?
Piryns: ‘In de jaren zeventig en tachtig was de onderzoeksjournalistiek van mensen als Rudie van Meurs en Feike Salverda en later Marc Josten en Steven de Vogel gezichtsbepalend. Er was geen enkele andere krant die zulke stukken durfde af te drukken.’
Kagie: ‘En wat dacht je van de interviews van Bibeb? Zulke grote, diepgravende vraaggesprekken zag je nergens. VN was sterk in vernieuwing. Toen de dagbladen steeds betere bijlagen begonnen te maken, zag je Rinus al denken: we moeten iets doen om ze een slag voor te blijven. Zo is het Kleurkatern ontstaan, en de Boekenbijlage. VN paste naadloos in de tijdgeest waarin links Nederland de wind volop in de zeilen had. Dat bepaalde ook de onderwerpskeuze. Als je links was, was er een heel pakket waar je vóór of tegen was. Het was ondenkbaar dat je tegen abortus zou zijn of voor de oorlog in Vietnam. Dat was het linkse denken. Nu is dat veel gefragmenteerder.’
Kleijwegt: ‘Ik vind het een enorme verrijking dat het tegenwoordig gevarieerder is. Ik herinner me dat ik een bijlage ging maken over de geschiedenis van Release, een soort Jongeren Adviescentrum waar ik zelf als jong meisje ook nog had gewerkt. Wij waren daar als VN-redactie erg vóór. Maar toen het verhaal minder positief voor Release uitpakte, hebben sommige collega’s bij Rinus om mijn ontslag gevraagd. Want Release viel onder “mensen en instanties die deugen”. Daar mocht je dus geen kritiek op hebben.’
Kagie: ‘Ik heb een keer een kritisch stuk geschreven over kinderrechters die ongezonde relaties met kinderen onderhielden. In de redactievergadering was er een redacteur die in alle ernst zei: “Wat een schandálig verhaal. Alles waar we voor hebben gestreden qua seksuele vrijheid wordt hier onderuitgehaald.” Dit soort dingen speelden zich af op het breukvlak van de tijd waarin linkse vanzelfsprekendheden niet meer door iedereen vanzelfsprekend werden gevonden.’
Heeft journalistiek met activisme te maken?
Kagie: ‘Lijkt mij niet. Je had in die tijd de verschrikkelijke term “solidaire journalistiek”. Dat betekende dat je over sommige dingen bewust niet schreef, of juist wel. Dat heeft weinig met journalistiek te maken.’
Josten: ‘Ze waren niet in de meerderheid, maar er zaten zeker activisten bij de redactie. Dat leidde soms tot ontsporingen. Een collega maakte ooit een interview met Pieter Dirk Uys, de Zuid-Afrikaanse cabaretier. Die zei harde dingen over apartheid en het ANC. De toenmalige eindredacteur haalde er hele passages uit omdat die beschadigend zouden zijn voor het ANC. Zoiets kan natuurlijk helemaal niet.’
‘Je was dag en nacht beschikbaar. Dat zei Rinus ook toen-ie me aannam: “Je bent wel 24 uur per dag in dienst van Vrij Nederland.”
Bert Nienhuis, moest je een niet-deuger ook expres ongunstig op de foto zetten?
Nienhuis: ‘Welnee.’
Harms: ‘Ik herinner me wel jouw foto van mijnheer Nollen van het Nollen-syndicaat, een soort criminele organisatie. Een oudere Brabantse man die geen benul had van hoe hij erbij stond. Echt genadeloos. Meesterlijke foto.’
Nienhuis: ‘Dat is misschien de enige keer dat ik iemand expres niet gunstig gefotografeerd heb. In alle andere gevallen stelde ik me juist helemaal open. Voordat ik een foto bij een interview van Bibeb ging maken, belde ik uitvoerig met haar. Ik wilde wel dat de foto bij het stuk zou passen. De foto werd overigens nooit tegelijkertijd met het interview gemaakt. Behalve bij Andy Warhol. Daar zijn we samen geweest.’
Kleijwegt: ‘Wow! Vertel!’
Josten: ‘Anekdote!’
Nienhuis, onverstoorbaar: ‘Fantastisch was dat. Het gesprek vond plaats in een galerie in Düsseldorf. Toen ik aankwam, zag ik Bibeb al staan. Schreeuwend: “How was it with your mother? Your mother!” Andy vond het blijkbaar allemaal nogal vreemd en begon alle kanten op te kijken. Toen hij mij zag zei hij: “Ah, we’re going to make photies!” Hij trok zijn jasje uit en ging staan. Kort daarna werd hij meegevoerd door een soort schandknaap. “Andy, come on. Let that silly woman talk…” En weg was-ie…’
Hadden jullie voor je gevoel een baan bij VN? Of was het meer?
Harms: ‘Je was dag en nacht beschikbaar. Dat zei Rinus ook toen-ie me aannam: “Je bent wel 24 uur per dag in dienst van Vrij Nederland.” Daar leefde ik naar. De krant ging altijd voor.’
Kagie: ‘Joop belde me een keer op nieuwjaarsochtend: “Rudie, ik zou je niet gebeld hebben als ik niet wist dat jij de enige was aan wie ik dit zou kunnen vragen.” Dat zei hij overigens altijd tegen iedereen. Dat was zijn charme. Of ik meteen aan de slag wilde gaan met een stuk. Volgende dag inleveren. Dat vond je ook helemaal niet raar.’
Waar ben je echt trots op, Ingrid?
Harms: ‘Op een bijlage over aids. Zaten we een maand in de aidskliniek van het AMC. Leverde echt een bijzonder verhaal op. Of een special over SM, met foto’s van Erwin Olaf. De bestverkochte bijlage ooit. En een groot stuk over pitbulls, met Jannetje Koelewijn. Verhalen over onderwerpen waarbij ik dacht: spannend, griezelig, wil ik weten.’
Piryns: ‘Kees Schaepman en ik maakten ooit een serie over honden. Kees is nog altijd apetrots op onze openingszin: “Zelden werden wij zo door een onderwerp gegrepen. Gelukkig hadden we een stevige corduroy broek aan.”’
Kagie, grijnzend: ‘Jullie zaten toch ook met een vergrootglas pornoblaadjes te bestuderen?’
Piryns: ‘Absoluut. Rinus had bedacht dat er een serie over porno moest komen. Wat ons vooral interesseerde, was waar het gemaakt werd. Porno voor Nederland bleek in Zweden geproduceerd te worden en porno voor Zweden in Nederland. Daar kwamen we achter door met een vergrootglas boekenkasten op de achtergrond te bestuderen. Collega Ageeth Scherphuis kwam net op dat moment binnen en riep geschokt: “Jullie viéspeuken!” Ze vond het vooral verkeerd dat zo’n stuk door twee mannen werd geschreven.’

Een donkere wolk
Ze maakten alle zes ook de grote kwesties mee die VN in de jaren tachtig tekenden. Een daarvan was de anonieme-brievenaffaire, waarbij sommige redacteuren beledigende brieven ontvingen, vaak met seksuele toespelingen.
Harms: ‘Ik weet nog dat Frits Abrahams een gepensioneerde rechercheur had ingeschakeld om die brieven te onderzoeken. Tijdens de vergadering wilde hij onthullen wie de afzender van de brieven was. Waarop een redactrice heel hard: “Neeeee!!!” riep, en Frits zijn onthulling niet kon afmaken. Die vergadering eindigde in chaos.’
Wel erg onjournalistiek dat je als redactie blijkbaar niet wilt weten hoe die affaire in elkaar zat.
Harms: ‘Het punt was dat Frits dat vooraf niet overlegd had met de mensen die dergelijke brieven ontvangen hadden.’
Piryns: ‘Het is een kwestie gebleven die altijd als een donkere wolk is blijven hangen. Om de vijf jaar kwam dit verhaal weer terug in de media.’
Josten: ‘De les is: als je als redactie zelf in de problemen komt, kom er dan snel mee naar buiten en doe er niet geheimzinnig over. Anders zal het je eeuwig achtervolgen.’
Kagie: ‘Het heeft mij altijd enorm verbaasd dat een succesvol blad met zoveel getalenteerde mensen op deze manier aan zelfbeschadiging heeft gedaan. Want het werd gretig opgepikt door alle andere media. Logisch, want juist VN stond altijd klaar om anderen de maat te nemen. Lekker puh!’
Harms: ‘Vrij Nederland was natuurlijk ook wel een heel gesloten bolwerk. Je praatte echt niet met buitenstaanders over de krant. Dat was een soort verraad.’
Het was dus toch een beetje een geheim genootschap?
Harms: ‘Helemaal niet. Maar dat dééd je gewoon niet.’
Josten, geprikkeld: ‘Ik kon me altijd enorm ergeren als mensen het over een “sekte” hadden. Totale lulkoek.’
Kleijwegt tegen Harms: ‘Wat bedoel je eigenlijk met “gesloten bolwerk”?’
Harms: ‘Dat je niet naar buiten kletste.’
Kleijwegt: ‘Maar had ik moeten kletsen dan? Ik heb dat nooit zo ervaren.’
Harms: ‘Een zekere arrogantie was VN natuurlijk niet vreemd.’
Josten: ‘Tuurlijk. Het lag zeker ook aan onszelf. Als je het met Europa vergelijkt gedroegen we ons een beetje als Frankrijk. Een land met veel kwaliteiten. Maar Frankrijk moet niet doen alsof het heel Europa in z’n eentje is.’
De Raamgracht was het Versailles van de journalistiek?
Josten: ‘Welnee. Het was gewoon een hele mooie tijd met geweldige journalistiek.’
Waren jullie de besten?
Josten: ‘We waren goed. Heel goed.’
Kleijwegt: ‘Maar anderen waren óók heel goed.’
Kagie: ‘Een groot deel van de neergang van VN kwam omdat anderen veel beter werden dan ze aanvankelijk waren. De kranten hebben heel goed naar VN gekeken en cruciale elementen overgenomen. Onderzoeksjournalistiek werd opeens minstens zo goed door andere kranten gedaan. En ook grote Bibeb-achtige interviews waren niet langer voorbehouden aan VN.’
Piryns: ‘De wet van de remmende voorsprong.’
Kleijwegt: ‘De laatste jaren onder Joop ging het niet goed meer. Het hing teveel op met wie je goed was en met wie niet. VN was een krant van mannen van een bepaalde generatie, die zich er nooit rekenschap van hadden gegeven dat de krant na hen dóór zou moeten kunnen gaan. Dat er opvolgers moesten zijn. Nee, het was hún speeltje. En na hen mocht het best afgelopen zijn. Op een bepaald moment was het gewoon klaar. De tijdgeest was niet meer in ons voordeel. We waren ingehaald door de kranten, en de hoofdredactie dacht niet na over hoe het verder moest.’
Jij bent toch zelf ook een tijdje adjunct geweest, onder Oscar Garschagen?
Kleijwegt: ‘Heel even. Ik was een tussenpausje. Ik was ook niet zo’n goede adjunct omdat ik het lastig vond om leiding te geven.’
Kagie: ‘Daarna werd het een komen en gaan van hoofdredacteuren. Toen ging het pas echt fout. Onder Joop en Rinus was er een redelijke consensus over wat we maakten. We begrepen elkaar. Daarna was er eigenlijk één langdurig misverstand: wat was nou ons voorbeeld? Soms werd er gezegd: we moeten de Nederlandse Newsweek maken. Dan weer: nee, we moeten de New Yorker maken. Daarna was het weer Die Zeit. Tot ik op een dag zei: zullen we niet gewoon weer Vrij Nederland maken? Het was een grap, maar niemand kon er om lachen.’
Piryns: ‘Het had ook te maken met het symbolische moment dat “de krant” een blad werd. Het formaat veranderde. Je zag daardoor een evolutie die je in België niet zag. Daar kregen de kranten natuurlijk óók bijlagen, maar met andere gevolgen. Ik ben later gaan werken voor Knack, dat die stormen wél overleefd heeft. Knack verkoopt nog altijd rond de 90.000 exemplaren. En De Groene bestaat natuurlijk ook nog altijd. In mijn ogen werd het voor VN pas echt problematisch toen de actualiteit werd losgelaten. Zoekend naar z’n identiteit verloor VN daardoor zijn dwingende noodzaak. Je wist niet meer of je het blad van deze week of van drie weken geleden opensloeg.’
Josten: ‘Het voorbeeld van Knack is hoopgevend. Als je het grootste schrijftalent met gevoel voor actualiteit bij elkaar weet te brengen, heb je als opinieblad nog steeds bestaansrecht. De New Yorker doet dat ook: de beste mensen van hun tijd bij elkaar brengen. Vanuit het talent en het vuur van die mensen ontstaat het succes. Nooit vanuit een concept, lezersonderzoek of een marktidee.’
Piryns: ‘Er is in de jaren negentig een overgang ontstaan van aanbodjournalistiek naar vraagjournalistiek. Vroeger was VN een blad dat de lezer een aanbod deed: dit zijn wij, dit hebben wij voor jullie gemaakt. Zonder vooraf te onderzoeken wat de behoefte van de lezers was. Op een bepaald moment hebben de marketeers het overgenomen: wat willen de lezers? Dan gaan we dát dus maken.’
Josten: ‘Ik weet zeker dat het oude VN-DNA nog steeds bestaansrecht heeft. Als je nu twee mensen een paar maanden laat onderduiken in de wereld van de nertsenfokkerij − met prachtige foto’s erbij − zou je een gruwelijk interessant verhaal krijgen in de allerbeste VN-traditie. Dat kan echt nog steeds.’
Harms: ‘We mogen blij zijn dat we die tijd nog hebben meegemaakt. Jonge collega’s hebben het zoveel moeilijker dan onze generatie. Als freelancer moet je maar je kostje bij elkaar zien te krabbelen. In je eentje, zonder de samenhang van een redactie. Vrij Nederland was een blad met een ziel, die door alle redacteuren gezamenlijk werd bepaald. Dat is met freelancers veel moeilijker. En nu VN een maandblad is, is het nog veel gecompliceerder geworden. Het is nóg knap dat ze er nog zijn. Ik hoop echt dat ze blijven.’
Kleijwegt: ‘Het was de som der delen die VN bepaalde. Daardoor was VN veel groter dan je zelf ooit kon zijn. Zelfs die akelige ruzies dwongen je om nog scherper na te denken.’
Is er toekomst voor een blad als VN?
Josten: ‘Natuurlijk. Daar geloof ik in. Kijk naar de voorbeelden in het buitenland. Niet dat VN Knack moet worden, of de New Yorker. Nee, VN moet VN worden. Een nieuw VN met de beste eigenwijze mensen die je kunt vinden, met een prachtige pen.’
Harms: ‘Maar het geld is er niet, Marc.’
Josten: ‘VN is toch ook ooit ontstaan in een crisistijd? Je voelt aan alles dat we weer in een bizarre tijd terecht zijn gekomen. Dat zou zomaar weer de motor kunnen zijn voor een revival. En dan geldt die oude slogan meer dan ooit: Het zijn weer tijden om Vrij Nederland te lezen.’
Ingrid Harms (1947) was van 1980 tot 2009 redacteur.
Marc Josten (1961) was van 1985 tot 1997 redacteur.
Rudie Kagie (1950) schreef zijn eerste stuk voor VN in 1972 en bleef tot 2014 aan het blad verbonden.
Margalith Kleijwegt (1951) was van 1984 tot 2011 redacteur.
Bert Nienhuis (1944) was als fotograaf van 1975 tot 2012 verbonden aan VN.
Piet Piryns (1948) schreef zijn eerste stuk voor VN in 1973 en bleef tot 1989 aan het blad verbonden.
Coen Verbraak (1965) schreef zijn eerste stuk voor VN in 1987 en bleef tot 2014 aan VN verbonden.
Met dank aan Sander op ’t Noordende, die zijn loft ter beschikking stelde.



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.