Het scherpt de geest om hoofdstukken uit het onlangs verschenen The Aristocracy of Talent van Adrian Wooldridge te lezen en tegelijk De levensgevaarlijke jaren, de brieven van Friedrich Nietzsche uit de laatste tien jaar van zijn leven (1879-1889), de tijd dat hij een soort aristocratie van de geest bedacht met de Ubermensch, de ‘bovenmens’, de mens die in alles beter wilde worden, boven zichzelf uit wilde stijgen. Wooldridge, politiek redacteur van The Economist, verdedigt de ‘meritocratie’, het beoordelen van mensen op hun ‘merites’, op hun talent.

Wooldridge doet dat op een moment dat de meritocratie onder vuur ligt. Niet de minsten, zoals de Amerikaan Michael Sandel, schrijver van De tirannie van verdiensten, houden het voor moreel twijfelachtig om talent in de watten te leggen terwijl het hebben van talent nauwelijks een verdienste is, maar een geschenk uit de blauwe lucht, het resultaat van toeval. Het is puur geluk om in een gezin geboren te worden met een hoog IQ. Het is zelfs geen speciale verdienste dat je een talentvolle harde werker bent, want ook dat heb je gratis meegekregen. Dit moet ook weer niet overdreven worden, want talent moet natuurlijk wel ontwikkeld worden om tot zijn recht te kunnen komen.

Nietzsche stond als classicus en filosoof ver af van deze maatschappelijke en politieke problematiek, maar op de achtergrond ging het wel degelijk over iets waar hij mee te maken had: de langzame opmars van de menselijke gelijkheid. Hij was geen liefhebber van de Franse Revolutie en was niet uit op de gelijkheid van alle mensen. Hij was een uitgesproken liefhebber van bijzondere talenten, van de mens als uitzondering.

onderwijs, onderwijs en onderwijs

In het begin van de twintigste eeuw waren de intellectuele oprichters van de Engelse Labour Party, Sidney en Beatrice Webb, volgens Adrian Wooldridge wel degelijk meritocraten: ‘to the core’ zelfs. Zij wilden af van al die erfelijk bevoorrechte figuren (‘the idle rich’) met een IQ van honderdeen die in tweedjasjes en de handen in hun zakken bedrijven runden waar ze geen verstand van hadden. Nieuwe scholen en universiteiten moesten andere talenten boven laten komen en de hegemonie van Eton, Winchester, Oxford en Cambridge doorbreken. De ene na de andere Labour parlementariër of minister president zette deze verheffing op een of andere manier voort, tot en met Tony Blair die drie termijnen lang hamerde op onderwijs, onderwijs en onderwijs.

Margaret Thatcher kaapte de meritocratie van Labour af en spande het voor het karretje van de neoliberale conservatieven.

Tony Blair negeerde daarmee de ophef over het in 1958 uitgekomen boek The Rise of Meritocracy van Michael Young waarin werd gewaarschuwd voor de consequenties van de meritocratie: het ontstaan van een nieuwe gediplomeerde klasse die maar al te makkelijk zou neerkijken op minder fortuinlijken. Ook Margaret Thatcher had de waarschuwing in dat boek genegeerd. Zij kaapte de meritocratie van Labour af en spande het voor het karretje van de neoliberale conservatieven. Wil er na het bewind van Jeremy Corbyn nog iets van de Labour Party terechtkomen dan moeten ze de meritocratie volgens Wooldridge ‘reclaimen’. Labour moet zich dan ook distantiëren van de aanhangers van de radicale gelijkheid (‘woke egalitarianism’) binnen de partij.

Advertentie

Advertentie

het herijken van alle waarden

Nietzsche was in de laatste tien jaar van zijn leven bezig met het ‘herijken van alle waarden’, waarvan de beoordeling naar superieure verdiensten een onderdeel was. Hij was bezig met het opnieuw formuleren van de voorwaarden voor het bestaan. Dat gebeurde met een mentale instelling die afwisselend van een grote redelijkheid getuigde en van een verontrustende zelfoverschatting. In de ene brief stelt hij zich bescheiden op (ook gemaltraitteerd door dagenlange hoofdpijnen), in de andere houdt hij zich voor de ‘sterkste geest die nu leeft, veroordeeld tot een grote taak.’

Dat herijken was nodig omdat hij in De vrolijke wetenschap god dood had verklaard. Dat had gevolgen. Niet langer was het geloof de basis, maar wat hem betreft: een eigen sterke wil. Die wil streefde naar ‘naar de maximale mate van macht over de dingen’. Daarvoor is dapperheid van hoofd en hart nodig, ‘verworven in de worsteling tussen vele meningen’. Tussen deze tamelijk redelijke herijkingen duiken ook extreme eisen op, zoals ‘een rauwe strengheid, of zelfs wreedheid’ tegenover ‘de spitsvondigheid van de godsdiensten’.

In een apart fragment bestaande uit één regel in Herwaardering van alle waarden luidt het zelfs: ‘Ik sta alleen de goed gelukte mensen toe over het leven te filosoferen.’ Zulke bizarre uitschieters zijn alleen te verklaren uit Nietzsches eigen slechte gezondheid, zijn eigen niet helemaal geluktheid, om zijn woordkeus maar aan te houden. Nadat hij in 1879 zijn professoraat in Basel om gezondheidsredenen had moet opgeven verplaatste hij zich door Europa op zoek naar het juiste klimaat in Nice, Sils-Maria, Turijn, Rome of Genua. Wanneer hij voor de nieuwe waarden vraagt om een ‘sterke gezondheid, grote strengheid, mannelijkheid en schranderheid’, dan is dat wat hij zelf zou willen bezitten. Hij zat liever niet halfblind in een verduisterde kamer vanwege snijdende hoofdpijn, wat wel vaak het geval was.

AmoureUze ambivAlentie

Er is veel interessant aan Nietzsche, wat voor vreemde sprongen hij ook maakt, maar zijn brieven zijn minder boeiend dan je op voorhand zou denken. Brieven schreef hij ter ontspanning en om als kluizenaar niet helemaal te vereenzamen. Denkend betrad hij ‘nieuw land’ en om die spanning even te verlaten schreef hij brieven. Hij gaat niet echt diep in op waar hij mee bezig is, of alleen in algemene bewoordingen. Je moet de boeken erbij nemen waar hij in die tien jaar aan werkt om te weten wat hij precies onder handen heeft. Hij deed nogal wat in die jaren: Morgenrood, De vrolijke wetenschap, Also sprach Zarathustra, Voorbij goed en kwaad, Genealogie van de moraal, De antichrist, Nietzsche contra Wagner, Ecce Homo, Godenschemering en (postuum gepubliceerd), de bijna achthonderd pagina’s van Herwaardering van alle waarden, ook wel De wil tot macht genoemd.

Lou Salomé ‘is de begaafdste, schranderste ziel die je je maar kunt indenken’ en de ‘waardevolste en vruchtbaarste’ relatie die Nietzsche ooit heeft aangeknoopt.

In het begin van deze ‘levensgevaarlijke jaren’ ontmoet Nietzsche Lou Salomé, op wie hij direct verliefd wordt. Vanwege zijn amoureuze ambivalentie (hij moet ook aan zijn ‘grote taak’ denken) wil hij dat maar half toegeven. Zeker is dat hij in haar een verwante ziel ziet met wie hij veel kan bespreken dat hem bezighoudt. Hij is blij dat ze niet alleen met hem bevriend is, maar ook met Paul Rée. Dat verdeelt de aandacht. Denkend aan de gevaren waaraan haar leven blootstaat ‘raakt mijn ziel telkens helemaal vervuld van tederheid; ik zou niets weten wat me zo snel dichtbij u brengt’, schrijft hij haar. Lou ‘is de begaafdste, schranderste ziel die je je maar kunt indenken’ en de ‘waardevolste en vruchtbaarste’ relatie die hij ooit heeft aangeknoopt. Zoveel lof verdraagt zijn jaloerse zus Elisabeth niet. Met allerlei insinuaties doet zij alles om Nietzsches vriendschap met Lou te bederven.

kracht

Achter deze brieven leidt Nietzsche een leven op de toppen van zijn mentale kunnen, tot hij begin 1889 in Turijn geestelijk instort. Dat hij god dood heeft verklaard wil zeggen dat daar de zin van het leven niet meer gevonden kan worden. Dat is een drama, dat erkent hij zelf maar al te goed. Het is onvermijdelijk dat daarmee het nihilisme ontstaat, dat niets bovenzinnelijks nog voor de zin van het leven kan zorgen. ‘Nihilisme’ wordt een constatering van een feitelijk ontstane toestand, maar groeit ook uit tot een verwijt: mensen wordt nihilisme verweten, samenlevingen gaan aan nihilisme ten onder, de jeugd raakt in de ban van het nihilisme.

Ondertussen vindt Nietzsche ‘een nieuw soort pessimisme’ uit, een ‘dionysisch soort dat uit kracht wordt geboren en zich het genoegen doet het probleem van het bestaan bij de horens te pakken.’ Omdat hij een filosoof is die bestaat bij het overwinnen van weerstanden acht hij het geen enkel probleem dat Carl Fuchs, degene aan wie hij dit schrijft, het niet met hem eens is (‘zelfs niet gewenst’), als hij maar nieuwsgierig blijft.

De aristocratie van het denken bestaat bij Nietzsche uit zich afkeren van de ‘decadentie’, van de ‘laatste mensen’ die denken het geluk te hebben uitgevonden, maar zich in het praktijk overgeven aan ‘lafheid, luiheid, slapheid, zoetelijkheid, onderdanigheid’. De merites, de meritocratie waarop Nietzsche mensen beoordeelde, bestond bij hem uit een verzameling criteria van eigenzinnige aard, blijkt uit een brief aan Heinrich Köselitz. Het pessimisme moest een levendig karakter hebben. Men moest een onafhankelijke geest kunnen hebben. Men moest ‘het langzame oog’ hebben. De diepste geest moest ook de frivoolste kunnen zijn. Men moest niet snel bewonderen. Dat kunnen vindt Nietzsche ‘voornaam’. Zoals ook de ‘niet-aflatende frivole blik’ waarmee men ‘een stoïcijnse hardheid en zelfcontrole’ maskeert. Voornaam vindt hij ook dat men twijfelt aan ‘de mededeelzaamheid van het hart’. Grimmiger, en strak meritocratisch wordt het, wanneer hij zegt dat je alleen plichten hebt ‘jegens mensen van gelijk niveau en jegens anderen naar goeddunken te werk gaat’.

Nietzsche vond het ook te prijzen dat iemand zich ‘staalde’ tegen de wisselvalligheden van het leven. Dan sprak hij ook wel over ‘mannelijkheid’, wat alleen maar een ander woord was voor ‘veel kunnen verdragen’. Daar hoefde je geen man voor te zijn, dat was ook van toepassing op Lou Salomé. Voor alles wat hij dacht en bedacht had Nietzsche ‘kracht’ nodig, een samenballing van mentale energie, voorwaarde voor het overwinnen van hindernissen. Het valt niet te ontkennen dat Nietzsche, die met ‘grootse dingen’ bezig was, voor ‘de weinigen’ schreef. Hij wilde goed begrepen worden, door goede verstaanders. Zijn werk heeft de afgelopen honderd jaar voor zoveel lezers en voor zoveel commentaar in boekvorm gezorgd dat die weinigen zijn veranderd in velen. De meesten hebben er hun voordeel mee gedaan.

De levensgevaarlijke jaren Een keuze uit de brieven 1879-1889 door Friedrich Nietzsche. Gekozen, vertaald, ingeleid en toegelicht door Peter J. Th. M. Claessens en uitgegeven als Privé Domein nr. 315 door De Arbeiderspers.