‘Goedemorgen, daar ben ik dan. Ik had liever nog twee jaar gewacht, maar omstandigheden dwongen de krant mij deze ereplaats nu al aan te bieden.’
De opening van Martin Brils allereerste column op de voorpagina van de Volkskrant, op 6 april 2009, is direct raak. Eindelijk staat de columnist op ‘de één’, de voorpagina. Bij zijn overstap naar de Volkskrant, acht jaar eerder, heeft hoofdredacteur Pieter Broertjes hem die plek beloofd. Ooit zullen zijn stukjes daar staan, als CaMu (het amalgaam van Remco Campert en Jan Mulder) van de voorpagina is verdwenen. De tijd is er eigenlijk nog niet rijp voor, op die zesde april 2009. Maar Bril is ongeneeslijk ziek. De kanker in zijn slokdarm heeft het bijna van hem gewonnen. Het is ‘nu op de voorpagina’ of ‘nooit meer op de voorpagina’.
De Volkskrant-lezer heeft de weken daarvoor op de voet kunnen volgen hoe de columnist langzaam maar zeker zijn strijd tegen kanker begint te verliezen. Toch is zijn overlijden, op 22 april 2009, een enorme schok. Pieter Broertjes wordt gebeld door zowel Mark Rutte als premier Jan Peter Balkenende, die persoonlijk hun medeleven betuigen. Meer dan 17.000 mensen tekenen het online condoleanceregister. En vele duizenden lezers bezegelen hun rouw met het kopen van een boek van Bril. Tijdens zijn leven heeft hij zo’n 150.000 boeken verkocht. In de jaren na zijn overlijden komen daar – volgens zijn uitgever Mai Spijkers – nog eens 850.000 exemplaren bij.
Scharrelen in de marge
Terwijl de aanloop naar zijn columnistenbestaan toch weinig indrukwekkend is. Bril studeert eind jaren zeventig filosofie in Groningen. Tijdens het introductieweekend van de studie ontmoet hij derdejaarsstudent Dirk van Weelden. Ze raken direct met elkaar in gesprek en worden vrienden. Van Weelden woont in de buitenwijk Selwerd, Bril heeft een kamer in het centrum, pal tegenover de Der Aa-kerk. Elke ochtend komt Van Weelden hardlopend vanuit Selwerd naar de stad. Op de kamer van Bril draaien ze platen, discussiëren ze over filosofie en literatuur en vertalen ze Franse surrealisten. En ze dromen van het schrijven van De Grote Roman, een Nederlandse pendant van The Great American Novel.
Bril maakt zijn filosofiestudie niet af. In 1981 verhuist hij naar Amsterdam, waar hij gaat studeren aan de Filmacademie. Hij ontdekt al snel dat er geen begenadigd cineast in hem schuilt. Zijn korte film Links waaiend, over de Dokkumer Vlaggen Centrale, is geen cinematografisch hoogtepunt. En als dramaregisseur ligt er vermoedelijk ook al geen glorieuze toekomst voor hem open. Voor het motiveren en aanvuren van een filmcrew zijn nou eenmaal sociale vaardigheden vereist die hij niet heeft. Hij kan zich beter op zichzelf concentreren en gaan filmen met woorden. Hij moet schrijven. Dat doet hij aanvankelijk in activistische bladen als De Angst!, later werkt hij voor Skoop en De Haagse Post. Samen met Van Weelden publiceert hij in 1987 Arbeidsvitaminen. Het ABC van Bril en Van Weelden. En hij maakt in 1990 zijn debuut als romancier, met Voordewind.

Toch blijft het scharrelen in de marge. Dat komt voornamelijk door zijn verslaving aan drank, drugs en vrouwen. Hij woont sinds 1989 samen met Anneke Stehouwer, maar dat is voor Bril geen beletsel om op elk vlak te doen wat hij zelf wil. In 1996 vindt Anneke het genoeg. Ze eist dat haar man per direct ophoudt met drank en drugs. ‘Ze flikkerde me gewoon het huis uit,’ zegt hij later tegen Psychologie Magazine. ‘We hadden twee jonge kinderen, net een huis gekocht. De logistieke nachtmerrie die op de loer lag, was zo gigantisch dat ik dacht: nu moet ik echt iets gaan veranderen.’
Schrijven zal-ie. En hoe
De ommekeer komt wanneer in 1996 het proces tegen Johan de V., alias De Hakkelaar, begint. Het Parool heeft al een rechtbankverslaggever in de rechtszaal zitten, Violet Cotterel. Toch weet Bril hoofdredacteur Matthijs van Nieuwkerk ervan te overtuigen dat hij als columnist iets kan toevoegen. Het lijkt Van Nieuwkerk een interessant experiment. Al stelt hij wel één dwingende voorwaarde: als Bril ook maar één keer ’s morgens belt met een smoes – verslapen, niet lekker, algeheel onwel – dan stopt hij resoluut met Brils verslagen.
De eerste keer gaat het nog bijna mis; Bril verslaapt zich toch. Maar al snel vallen zijn rechtbankstukjes op. Bril blijkt over een feilloos observatievermogen te beschikken. Hij beschrijft minutieus de haardracht van De Hakkelaar, de zoom in diens broek en de zegelringen aan zijn vingers. Officier Teeven heeft ‘een reusachtig rood gezicht dat problemen met de stoelgang doet vermoeden’. Soms heeft Bril voor een typering al genoeg aan louter een naam:
‘Het is een geheimzinnige man, die Etienne Urka. Zijn naam alleen al. Klinkt dreigend. Nurks. Een naam waar veel op afketst. Urka.’
Kort nadien krijgen zijn rechtbankverslagen een vervolg. Bril krijgt een vaste dagelijks column in Het Parool, net als zijn voorgangers Simon Carmiggelt en Ischa Meijer. Het is niets minder dan een artistieke geboorte, het begin van een nieuw bestaan. Achteraf beschouwd heeft hij zijn leven tussen zijn 18de en zijn 35ste lopen verklooien. Die jaren waren in zijn eigen woorden dark ages, waarin hij vastzat in een moeras van heel veel drank en nog meer drugs. De periode erna is dan ook niets minder dan een inhaalmanoeuvre. Schrijven zal-ie. En hoe.
‘Ik merkte toen hoe goed ik kon zijn als ik het rustig aan deed,’ zegt hij in 2005. ‘Alle goede dingen kwamen samen; ik werd gevraagd om een dagelijkse column te schrijven. Ik bleek dat te kunnen, mensen vonden het leuk om mij te lezen en ik vond het leuk om te doen. Ik kreeg verplichtingen die ik moest nakomen. Dat werkt bij mij. Ik krijg daar een goed humeur van. Ik heb het daarna zes jaar volgehouden om van de drank af te blijven.’
Move the product
Bril floreert bij Het Parool. Als een moderne chroniqueur van het dagelijks leven weet hij de hartenklop van de stad messcherp in zijn stukjes te vangen. Juist door het kleine groot te maken.
‘Mijn oude meneer is dood. Hij woonde in het verzorgingshuis om de hoek. Zijn kamer op de begane grond lag precies op mijn route. Kwam ik uit de stad, te voet of per fiets, dan kwam ik, na de drukke Marnixstraat te zijn overgestoken, altijd precies bij zijn raam uit en dan zag ik hem zitten. Altijd zat hij midden in zijn kamer, in een grote stoel, recht tegenover een oud televisietoestel. Vaak stond het ding aan, maar nooit keek mijn meneer ernaar. In plaats daarvan dommelde hij.’
‘Bij Het Parool zou ik een soort Simon Carmiggelt zijn geworden. Elke dag in dezelfde regenjas weer datzelfde blokje om.’
Hij voelt zich als columnist nauw verwant met de journalistiek. Wat hij in zijn columns schrijft, moet echt gebeurd zijn. ‘Als ik schrijf over een ongeluk met een fietser op een dinsdagmiddag in de Van Baerlestraat moet dat wel degelijk daar en op die dag hebben plaatsgevonden. Stel je vóór dat een lezer zou schrijven: “Ik woon daar tegenover, en het is beslist niet zo gegaan als de heer Bril beweert.” Dat is een regelrechte afgang.’
Maar hij wil méér dan Amsterdam, hij wil een grotere actieradius en vooral: meer lezers. ‘Bij Het Parool zou ik een soort Simon Carmiggelt zijn geworden. Elke dag in dezelfde regenjas weer datzelfde blokje om.’ Begin 2001 zoekt hij contact met NRC Handelsblad, maar dat leidt niet tot een overstap. Vervolgens schrijft hij een eenregelig mailtje aan Pieter Broertjes: ‘Zou het in de toekomst denkbaar zijn dat ik elke dag een column zou hebben in de Volkskrant?’
De onderhandelingen duren toch nog een paar maanden, omdat Broertjes Bril dan wel exclusief aan zijn krant wil binden. Daar voelt Bril weinig voor. Uiteindelijk komen ze uit op vijf columns per week. Dat Bril kort daarna ook het feuilleton Evelien begint in Vrij Nederland, is Broertjes een doorn in het oog. Maar Bril laat zich niet tegenhouden. Hij schrijft maar liefst tien columns in de week. Zaken zijn zaken. De kachel moet ook branden. ‘Move the product’, noemt hij dat. Je eigen werk uitventen op zoveel mogelijk podia.
Column verpest: bedankt!
Want geld is belangrijk voor Bril. Hij heeft het ook hard nodig, want hij houdt van luxe. Bril draagt smaakvolle pakken en dure overhemden. Uiteraard in combinatie met fraaie schoenen. Van make-up is de columnist ook niet afkerig, bekent hij in 2007 tegenover Opzij. Bijvoorbeeld ‘die televisieoogdruppels waardoor je oogwit witter wordt’. ‘De wallen onder mijn ogen werk ik soms weg met Yves Saint-Laurent, éclat numéro 2, een lichtbruine crème die je zachtjes moet inkloppen. Gezichtscrème gebruik ik ook; een goede dag- en nachtcrème van Sisley of l’Oréal. En voor Sisley-badschuim – 69 euro per flacon – reis ik de hele stad af.’
Bril is handig met geld, zeggen zijn vrienden. Veel van de luxe waarmee hij zich omringt, krijgt hij gratis ter beschikking van sponsors. De banaangele Volvo T5 waarmee hij door het land raast, heeft hij gekregen van de Volvodealer in Amsterdam voor wie hij een boekje over Volvo heeft geschreven. Als tegenprestatie duikt het automerk geregeld op in Brils stukjes.
‘Ik rij nu dus in een nieuwe Volvo. [..] Hij ruikt als een kind dat net onder de douche is geweest. En hij rijdt als een zonnetje. Hij denkt bovendien met me mee, en niet zo’n beetje ook. Zit ik te dicht op een voorganger, dan knippert er een grote rode lamp. Rijd ik achteruit, dan piept en bliept er van alles en komt er uit het dashboard een schermpje waarop ik kan zien wat er achter me aan de hand is.’
Of het nou een verlaten fabrieksterrein in Brabant of de rotonde bij Heerenveen, Bril verheft het gewone tot iets bijzonders.
Na zijn overstap naar de Volkskrant is zijn werkterrein uitgebreid tot het hele land. Met een verrassend oog voor details laat hij lezers met een nieuwe blik naar Nederland kijken. Of het nou die afgebladderde ophaalbrug in Friesland is, een verlaten fabrieksterrein in Brabant of de rotonde bij Heerenveen, Bril verheft het gewone tot iets bijzonders.
In zijn stukjes is hij ook een meester in het weergeven van gesprekken. Hij schroomt niet om die onbeschaamd af te luisteren. Na een lunch in Hotel Des Indes in Den Haag ontdekt hij op weg naar de garderobe Hans Wiegel, die druk gesticulerend in gesprek is met een dame. Bril is vervolgens bijna tien minuten lang omstandig bezig om zijn jas aan te trekken, de mouwen voortdurend binnenstebuiten en dan weer buitenstebinnen kerend. Uiteraard op gehoorsafstand van het tafeltje van Wiegel. Totdat Brils metgezel de afluisterseance ruw onderbreekt; of-ie nou eindelijk eens komt. Buiten valt de columnist tegen hem uit. Snapt hij het dan niet? Hij had bijna een perfect stukje over Wiegel. Column verpest. Hij wordt bedankt!
Sociaal onhandig
Brils ster rijst snel. Hij wordt door zijn columns in de Volkskrant en zijn optredens in De Wereld Draait Door een nationale figuur. Zoals zijn vriend Atte Jongstra omschrijft: ‘een handelsreiziger, in literatuur en zichzelf’. Die sterstatus laat hij zich met genoegen aanleunen. Op de redactie van de Volkskrant wordt hij door collega’s nagestaard: kijk, daar loopt de grote Martin Bril. Hij begint het zelf bijna te geloven. Wanneer Pieter Broertjes hem uitnodigt voor het jaarlijkse columnistendiner van de krant, blijkt hij aan een andere tafel geplaceerd te zijn dan de hoofdredacteur. Dat pikt hij niet; na het voorgerecht stapt hij nijdig op. In het vervolg zit Bril bij het columnistendiner aan de belangrijkste tafel, naast Broertjes.
Altijd is er onrust. Bril zit nog niet of hij wil alweer weg. Een sigaret wordt na twee, drie halen uitgedrukt in de asbak, waarna hij weer een nieuwe opsteekt.
Toch wordt zijn optreden ten onrechte voor arrogant versleten, zeggen zijn vrienden. Bril is eerder sociaal onhandig. Misschien zelfs verlegen. Tijdens een gesprek kijkt hij zijn gesprekspartner bijna nooit aan. Ondertussen is hij onophoudelijk met zijn telefoon in de weer. Altijd is er onrust. Bril zit nog niet of hij wil alweer weg. Een sigaret wordt na twee, drie halen uitgedrukt in de asbak, waarna hij weer een nieuwe opsteekt.
Die onrust typeert zijn wezen. Hij is ook maar weinig thuis, bij Anneke en zijn dochters Lena en Teuntje. Het liefst is Bril onderweg, op weg naar nergens. Daarom sluit zijn column in de Volkskrant ook zo naadloos aan bij zijn natuur. Nu heeft hij een reden om altijd on the road te zijn. Bovendien verschaft het hem een alibi om her en der vriendinnen te bezoeken.
De onrust stamt waarschijnlijk uit zijn vroege jeugd, analyseert hij later. Bril groeit op in een gezin van vier kinderen. ‘Een klassiek burgermansgezin; maandag wasdag, woensdag gehaktdag.’ Zijn vader Rein werkt bij Unilever, eerst als vertegenwoordiger, later als verkoopleider. ‘Een handelsreiziger in zeep’, omschrijft zijn zoon hem later. Ze verhuizen veel. Daardoor kan hij nergens echt aarden; een eigenschap die hem de rest van zijn leven zal kenmerken. ‘Net als ik ergens vriendjes gemaakt had, vertrokken we weer. Daarbij kwam nog dat ik heel verlegen en onhandig was, dus dat hielp ook niet mee. Ik benijd mensen die geworteld zijn: geaard, een ouderlijk huis hebben waar ze zijn opgegroeid en waar hun ouders nu nog wonen. Pas later in mijn leven ben ik als schrijver de rol van buitenstaander gaan cultiveren en er de lol van gaan inzien. Maar dat gevoel van vroeger zit nog steeds heel diep.’
Hij kan knorrig zijn, nukkig. Ronduit onbeleefd. Op andere momenten weet hij zich met ongekende charme uit een netelige situatie te redden. Op stap met vriend Atte Jongstra rijdt hij in Kampen bij een wegomlegging doelbewust tegen de richting in. Want waarom zou hij omrijden? Aan het eind rijdt hij regelrecht een politiefuik binnen. Waarop Bril uit de auto springt, de handen opheft en roept: ‘Heren, wat ben ik blij dat ik u eindelijk tref. Ik ben verdwaald.’ Hij komt er zonder bon vanaf.

Hij heeft zijn rijbewijs pas op latere leeftijd gehaald, maar daarna is hij bijna niet meer uit zijn auto te slaan. Hoe het is om bij Bril in de auto te zitten? ‘Vooral heel snel,’ zeggen zijn vrienden. Wanneer hij met Bart Chabot en Ronald Giphart heeft opgetreden, escorteren Giphart en Bril altijd eerst hun kompaan Chabot naar de stadgrens, want anders zou die volgens Bril tot het ochtendgloren maar in Tiel of Assen blijven ronddwalen. Daarna zien Chabot en Giphart steevast een woeste lichtstreep de nacht in verdwijnen. Want autorijden doe je snel, vindt Bril. En ook op plaatsen waar het eigenlijk niet kan.
Het hotel waar ze in 2007 in Leeuwarden overnachten, blijkt aan een autovrije binnenplaats te liggen. De entree is opgesierd met twee feeërieke bloembakken. Nooit iets mee gebeurd. Totdat er op een najaarsmiddag plotsklaps priemend koplamplicht de binnenplaats opdraait, en de Volvo van Martin Bril met een daverende klap tot stilstand komt tegen een van de bloembakken. Dat is schrikken. Vooral voor de hoteleigenaar, bij wie Bril onmiddellijk verhaal gaat halen. Want wie haalt het nou godverdomme in zijn domme kop om midden voor de deur van die pleurisbakken neer te zetten? Moet je die schade aan zijn auto nou toch eens zien…
De korte baan
De eerste jaren als columnist is de gedachte aan het schrijven van De Grote Roman nog steeds op de achtergrond aanwezig. Wanneer de Amsterdamse tv-zender AT5 hem in 1999 portretteert, laat hij zijn werkschema zien voor de daaropvolgende jaren: 2000 en 2001 staan vol met plannen. Bij 2002 is slechts één woord genoteerd: ‘roman’. En toch zal The Great Dutch Novel er nooit komen. Bril is definitief op de korte baan beland. Het genre van de column past hem als een oude jas. Hij moet sowieso niet veel meer hebben van pretentieuze literatuur, zegt hij in een interview met Het Parool. ‘Die dikke boeken van Alfabet van der Heijden bijvoorbeeld. Daar haal ik zo een kwart uit en dan gebeurt er nog niks. Dat hangt maar als een helikopter boven zijn eigen leven.’
‘Collega, ik wil een boek maken over Dirk van Hogendorp. Kun je dat niet panklaar voor me leggen? Jij doet het onderzoek, ik betaal jou tien mille. En ik publiceer het onder mijn naam.’
Eigenlijk komt zijn boek over Napoleon nog het dichtst in de buurt van ‘een groter boek’. Zoiets zou hij best nog eens willen. En hij heeft ook al een onderwerp. Bij het maken van zijn Napoleon-boek is hij gestuit op een Nederlandse generaal in dienst van Napoleon, Dirk van Hogendorp. Daar wil hij een boek over schrijven. Al heeft hij daar eigenlijk de tijd niet voor. Hij stuurt daarom een mail aan Atte Jongstra. ‘Collega, ik wil een boek maken over Dirk van Hogendorp. Kun je dat niet panklaar voor me leggen? Jij doet het onderzoek, ik betaal jou tien mille. En ik publiceer het onder mijn naam.’ Jongstra wordt er wel even stil van. Hij wil best dingen voor Bril opzoeken, maar dan als vriend, niet als knecht. Hij bedankt dus vriendelijk voor het aanbod. Het boek over Van Hogendorp zal nooit verschijnen.
Dagen van jongensgeluk
In december 2001 kampt Bril met buikpijn. ’s Nachts weet hij vaak niet meer hoe hij liggen moet. Een kijkoperatie geeft in februari 2002 uitsluitsel: een gezwel in zijn darmen. Twee weken daarna wordt hij geopereerd. Vervolgens ondergaat hij zesentwintig weken achtereen chemotherapie. Bril laat zich door zijn ziekte niet in de luren leggen. Dit varkentje gaat hij wassen. Hij schrijft door vanuit het ziekenhuis.
‘Ik vroeg hoe het er nou uitzag in een buik. De chirurg keek me verbaasd aan. […] ‘Prachtig,’ zei hij. Ik zei niets. Ik liet hem graag even alleen met het beeld. Dat het mijn buik was, vond ik eigenlijk prima. ‘Het is net een emmer paling, al die darmen,’ zei hij toen, ‘alles beweegt en alles glimt en kronkelt. De warmte slaat er vanaf.’ Hij keek dromerig naar buiten. Ik was die ochtend zijn eerste klant geweest en zijn laatste had hij net achter de rug. In zijn gezicht stond de afdruk van het kapje dat hij de hele dag voor zijn mond had gedragen en zijn haar zat in de war.’
Zijn vakantie in Frankrijk zegt hij al evenmin af voor zijn chemo. Hij vliegt gewoon op zondag naar Amsterdam en op dinsdag weer terug naar Toulouse. Gesponsord door de KLM.
In 2007 wordt hij officieel ‘schoon’ verklaard. Bril is kankervrij. Maar de angst blijft. Het overlijden van Jos Brink aan darmkanker, in augustus 2007, doet bij hem de paniek opvlammen. Hij laat zichzelf opnieuw onderzoeken, maar er wordt niets gevonden. Zijn internist adviseert hem om af en toe een half glas wijn te drinken om iets rustiger te worden. Dat is niet tegen dovemansoren gezegd. Al snel worden halve glazen hele flessen en drinkt Bril weer net zoveel als vroeger.
Zijn roem is inmiddels alleen maar groter geworden. Hij is vaste tafelheer bij De Wereld Draait Door en hij tourt vanaf 2005 door het land met een theaterprogramma, Giphart en Chabot met Bril. Dat vindt hij eigenlijk het mooist om te doen. Bril is meestal ’s middags om een uur of twaalf al op de plek waar ze die avond zullen spelen. Hij luncht ter plekke, bij voorkeur in een sterrenrestaurant, en schrijft ondertussen aan zijn column. Meestal voegen Giphart en Chabot zich rond twee uur bij hem, in het betreffende etablissement. Ze weten wel dat ze dan op hun hoede moeten zijn. Het is ze al een paar keer overkomen dat Bril ze uitnodigt voor een kop koffie ten besluit van zijn eigen lunch. En als de rekening dan komt, is hij steevast net even de parkeerautomaat aan het bijvullen. Dat zijn erg dure kopjes koffie.

Daarna lopen ze met zijn drieën de stad in om de sfeer op te snuiven, en om te Brillen. Zo noemen Giphart en Chabot dat: ‘proberen te zien wat Bril ziet’. Want dat lukt de columnist keer op keer: zien wat anderen niet zien. En wat ze op hun wandeling precies gemist hebben, lezen ze dan de volgende dag in de Volkskrant. De dagen waarop ze optreden, zijn voor Bril dagen van jongensgeluk. Samen een rock-’n-roll-band zijn, zonder instrumenten. Daar horen vaste rituelen bij. Hij pist in de kleedkamer altijd van tevoren in de wasbak, om er daarna zijn peuk in te doven. Overigens wel altijd in de wasbak van Giphart en Chabot, nooit in die van hemzelf.
De oude vijand is terug
In het voorjaar van 2008, tijdens de tournee van hun tweede programma De Grote Liefde, krijgt Bril last van pijn in zijn nek. Het is een bijtende pijn die gemeen uitstraalt naar zijn armen en handen. Het schrijven van stukjes gaat steeds moeizamer. Het zal wel RSI zijn, denkt hij zelf. Of zou het toch met zijn hart te maken hebben? Het spelen begint hem steeds meer moeite te kosten. Giphart en Chabot hebben al een keer tijdens de voorstelling moeten vragen of er toevallig een dokter in de zaal is die in de pauze even naar Bril kan kijken.
Op 13 mei 2008 spelen ze in theater De Veste in Delft. Net die dag breekt er brand uit in de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit. Vanuit de artiestenfoyer kunnen ze de rookwolken boven de stad zien. Het is een apocalyptisch beeld, dat achteraf symbolische waarde krijgt. Want het optreden daarna, in het Chassétheater in Breda, zal hun laatste zijn. Bril ligt in de pauze als een vaatdoek over twee stoelen heen. Hij kán niet meer van de pijn. Onderzoek in het ziekenhuis toont aan dat er met zijn hart niets mis is. Maar met de rest van zijn lijf wel. De kanker is terug en zit nu op vitale plaatsen, waaronder zijn slokdarm. Er is geen redden meer aan.
‘Van de revenuen daarvan moeten mijn dames jaren kunnen leven. Altijd praktisch, die Bril.’
‘Het nieuws is slecht,’ schrijft hij op 20 juni 2008 aan zijn uitgever. ‘Ik ben ongeneeslijk ziek. De vraag is alleen hoe lang de ongeneeslijkheid aanhoudt. Dat kan een halfjaar zijn, maar ook negen jaar. Daarover is nog geen duidelijkheid. Met man en macht en roem en invloed moet het laatste worden nagestreefd, uiteraard. Ook in verband met een nog te schrijven meesterwerk. Van de revenuen daarvan moeten mijn dames tenslotte jaren kunnen leven. Altijd praktisch, die Bril.’
Het schrijven van zijn column moet hij opgeven. Bril wordt een volle zomer lang vervangen door Ronald Giphart. Eind september is hij weer terug. ‘Wekenlang heb ik kunnen denken over de eerste zin van dit stukje,’ schrijft Bril. ‘“Goedemorgen, ik ben terug.” Dat leek me wel wat. Gevolgd door: “En mijn oude vijand ook.” Ik dacht dat ik hem zes jaar geleden verslagen had, maar niet dus. Hij heeft me weer te grazen genomen. Kanker.’
Leven op gulphoogte
In het half jaar dat hem nog rest, schrijft Bril steeds openhartiger over het lot dat hem getroffen heeft. Hij kan ook moeilijk anders. Andere onderwerpen dienen zich nauwelijks meer aan nu zijn actieradius niet verder meer reikt dan de afstand tussen zijn huis en het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis.
‘Ik bevind mij momenteel in een rolstoel en het valt mij zwaar om u ermee lastig te vallen. Aan de andere kant: ik heb er nu vierentwintig uur in doorgebracht en een ander onderwerp is niet tot me gekomen. Leek me nu een nuttig experiment. Hoe is het leven nou op gulphoogte? Uw gulp. Mijn hoogte.’
Het naderende einde begint zich op zijn gezicht af te tekenen. Zijn hoofd is opgezwollen door de medicijnen, zijn haar vrijwel uitgevallen. Maar Bril weigert zich uit te leveren. Hij kan gewoon nog niet dood. ‘Ik moet eerst nog een betere vader worden, en een betere echtgenoot. Ik moet nog langer doorschrijven.’
Geen denken aan ook dat hij stopt met schrijven. Want dan zou hij voor zichzelf toegeven dat hij de strijd definitief verloren heeft. Sterker nog: hij wil op de voorpagina. Pieter Broertjes stemt er schoorvoetend mee in. Hij kan zijn oude belofte aan Bril onder deze omstandigheden gewoon niet breken.
De acht columns van Bril die nog op de voorpagina belanden, behoren zacht gezegd niet tot zijn beste werk.
Bril is zelf uitermate opgetogen over zijn nieuwe plek. Kort voor zijn dood verschijnt hij in Atheneum Boekhandel, in een rolstoel. Omstanders schrikken: is dat Martin Bril? Maar Bril roept ondertussen tegen iedereen die hij tegenkomt: ‘Heb je het gezien? Ik sta op de voorpagina! Ik sta op de voorpagina!’ De acht columns van Bril die nog op de voorpagina belanden, behoren zacht gezegd niet tot zijn beste werk. Toch kun je ze ook lezen als unieke laatste levenstekenen uit het niemandsland tussen leven en dood. Soms zijn het ronduit verwarde stukjes, die de lezer een pijnlijk inkijkje geven in Brils morfinedromen.
‘Er scharrelt een rottweiler in de tuin. Een groot beest. Ik heb het niet op grote dieren. Pas als ze door hun hoeven zijn gegaan, komt mijn empathie op gang.’
Het is ook voor de redactie ingewikkeld. Wanneer een redacteur na lezing van zo’n column voor de zekerheid naar Brils huis belt om te vragen of dit zo wel de bedoeling is, krijgt hij te horen dat Bril inmiddels alweer diep in slaap is. Nou ja, dan zullen ze het er zo maar in zetten.
Omgekeerd komt het ook voor dat Bril maar niet uit zijn morfineslaap ontwaakt, terwijl de deadline nadert. De dag erna staat hij dus niet in de krant. Het schrijnende is dat hij dan wel aan anderen vraagt: ‘En? Hoe vond je mijn column?’
Enfin
Op 22 april, een half jaar voor zijn vijftigste verjaardag, moet Martin Bril de strijd opgeven. Tien dagen later wordt hij begraven op Zorgvlied. De uitvaart wordt door honderden mensen bijgewoond. Sommigen ergeren zich eraan dat Pieter Broertjes bij die gelegenheid benadrukt dat de columnist vooral bij de Volkskrant hoorde. Dáár had hij gebloeid en geschitterd. Als klein protest haalt een van Brils voormalige Parool-collega’s tijdens de gang langs de baar een Parool uit zijn binnenzak en legt die op de kist.
Dat Broertjes de band tussen Bril en zijn krant bij die gelegenheid stevig benadrukt, is overigens niet verrassend: de plechtigheid wordt geheel bekostigd door de Volkskrant en Brils uitgeverij Prometheus. Brils weduwe vindt een begrafenis met funeraire toeters en bellen niet nodig. Maar Broertjes en Mai Spijkers praten haar om. Bril was een nationale figuur; die kan toch niet zomaar via een eenvoudige plechtigheid ter aarde besteld worden?
De uitvaart is sowieso een opmerkelijke bijeenkomst, waar Brils sympathieën en antipathieën postuum opeens verrassend duidelijk worden. Zijn oude vrienden Dirk van Weelden en Matthijs van Nieuwkerk mogen niet spreken. Brils vader mag evenmin het woord voeren, maar doet dat uiteindelijk toch.
Een half jaar daarvoor reed hij voor het laatst in zijn gele Volvo door Nederland:
‘Ik wist dat ik richting Ouderkerk ging, en daar verheugde ik me op. Vooral, eerlijk gezegd, op de terugweg langs de andere kant van de rivier. Misschien dat ik bij ’t Kleine Kalfje een kop koffie ging drinken of de doden even gedag ging zeggen op Zorgvlied.’
Nu ligt hij er zelf. ‘Enfin’ staat er op zijn steen. In krantenletters.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.