Toen de Griekse wijsgeer Plato in het jaar 424 v.Chr. werd geboren was men bezig het ‘mythische tijdperk’ achter zich te laten. Plato geloofde niet meer in de mythologische verhalen over een liegende, bedriegende en wraakzuchtige Zeus die in zich in een vreemde gedaante veranderde om ergens maar weer eens kind te verwekken, terwijl hij bij thuiskomst als eerste zijn vrouw Hera klappen ging geven (die dat niet zomaar liet passeren). ‘Zulke verhalen kúnnen niet in onze staat,’ verklaarde Plato, verwijzend naar de ideale Staat die hij had bedacht. Maar ondertussen geloofde hij wel in de volmaakte goedheid van ‘de goden’. Die vertegenwoordigden daar boven in de hemel de Zuiverheid en Onschuld. De goden zouden de ideale versie zijn van de onzuivere en schuldige menselijke uitvoering die op de aarde rondliep. Deze fictieve Goedheid met een hoofdletter moest er voor Plato zijn om nog vertrouwen te kunnen hebben in de mensheid.
Plato werd in het jaar 408 v.Chr. mentaal door elkaar geschud toen hij op zestienjarige leeftijd Socrates in Athene ontmoette. Daar werd hij intellectueel niet slechter van. Hij was zelfs op zo’n ontmoeting ingesteld. Hij had van kindsbeen af onder de bescherming van de god Apollo gestaan, de god van de openbaring en de helderheid van geest. ‘Toen Plato een baby was,’ schrijft Robin Waterfield in zijn biografie Plato van Athene, ‘zouden de muzen, de dienaren van Apollo, bijen hebben gestuurd die op zijn lippen landden om zijn mond te vullen met honing, als symbool van toekomstige welsprekendheid en geleerdheid.’ Deze legende, door zijn neef Speusippos na zijn dood de wereld in gestuurd, zorgde er voor dat Plato’s verjaardag voortaan werd gevierd op de geboortedag van Apollo. Dat gebeurde elk jaar met een herdenking in de door Plato zelf in 383 v. Chr. gestichte Academie in Athene.
Het geleidelijke terugdringen van de grillige mythologische verhalen uit het bewustzijn betekende dat de mensen niet meer konden rekenen op de bekommernis van de goden. Ze waren voor de sturing van hun leven nu nagenoeg op zichzelf aangewezen. Onthand hoefden ze niet echt te zijn als ze zich als vriend, student of toehoorder aanmeldden voor Plato’s colleges in de Academie.
Plato’s filosofie, zoals we die leren kennen uit de bijna dertig dialogen waar Socrates een grote rol in speelt, is een filosofie die vol zit met ideeën, denkbeelden en thema’s die zich dicht bij het dagelijks leven bevinden, ze zijn bij wijze van spreken de aardse versie van de bekommernis waar de goden voor werden aangesproken. Zo zag de Romeinse filosoof en staatsman Cicero het ook toen hij schreef dat Plato ‘als eerste de filosofie van de hemel naar beneden riep, haar haar plaats gaf in de steden, haar zelfs binnen in de huizen bracht en van haar eiste dat zij haar aandacht zou richten op het leven, de levenswijze, op vraagstukken van goed en kwaad.’
Filosofie werd door Socrates redeneren, discussiëren, onderzoeken en met zelfreflectie streven naar zo betrouwbaar mogelijke kennis.
Het opduiken van Socrates bleek voor de filosofie een godsgeschenk. Hij was een hardnekkig vragensteller en brak daarmee met de dogmatische discipline die de filosofie tot dan was geweest (als we even afzien van de Voorsocratici die zich niet direct bezighielden met existentiële vragen van moraal en politiek). Filosofie werd door Socrates redeneren, discussiëren, onderzoeken en met zelfreflectie streven naar zo betrouwbaar mogelijke kennis.
Toen Socrates in het jaar 399 v.Chr. de gifbeker moest drinken omdat hij volgens de Atheense bestuurders de jeugd zou hebben bedorven, hadden er negen jaar ‘socratische gesprekken’ plaatsgevonden met leerlingen en vrienden. Dat waren gesprekken waar Socrates er een gewoonte van maakte om zo vasthoudend dóór te vragen dat hij met de bekende horzel werd vergeleken. In die negen jaar, zo stelt biograaf Waterfield het plastisch voor, moet Plato er als een soort secretaris bij hebben gezeten, aantekeningen makend die hun uitwerking zouden krijgen in wat de Dialogen zouden worden.
bijna zijn hoofd
Plato werd zelf niet als een vooruitstrevend denker bekend. Hij ontwikkelde een aristocratische staatsopvatting in Politeia, Staatsman en Wetten. Met het centraal stellen de figuur van Socrates in de dialogen heeft hij wel op een merkwaardig altruïstische manier het onafhankelijke denken laten ontstaan, uitmondend in de uitspraak dat een niet-onderzocht leven het niet waard is om geleefd te worden. Socrates was niet alleen een uitdagende vragensteller, hij was ook een veelzijdige geest. Zijn mentaliteit is verre van eenduidig. In zijn Apologie, zijn verdedigingsrede, is hij een individualist, in Staatsman een collectivist.
Het leven van Plato verdwijnt geheel en al achter zijn werk, ook al heeft menige biograaf geprobeerd (en zeker Diogenes Laërtius in Leven en leer van beroemde filosofen) er een wisselwerking in te zien. De nederlaag van Athene in de Peloponnesische Oorlog in 404 v. Chr. en het daaropvolgende korte bewind van de Dertig Tirannen in Athene vielen samen met Plato’s volwassenwording. Dat heeft zijn latere behoudende ideeën getekend. Het had ook gevolgen voor zijn ambitie om van Syracuse een ideale stadstaat (met een filosoof-koning) te maken, waarvoor hij dik bevriend moest worden met de tiran Dionysios II. Dat kostte hem bijna zijn hoofd.
Die politieke avonturen horen bij zijn leven en hebben de politieke filosofie zeker verder geholpen. Hij zette min of meer als eerste aristocratie, timocratie, oligarchie, democratie en tirannie tegenover en naast elkaar, verschillende staatsvormen die we tot op de dag van vandaag onder andere naam (‘neoliberalisme’, ‘extreemrechts’) zien opduiken. De ambitieuze aristocraat Alkibiades, die zelf graag bondjes sloot met populisten, noemde de Atheense democratie ‘een algemeen erkende dwaasheid’ toen de volksvergadering alleen maar naar de bodem van de schatkist staarde en verder vooral het eigenbelang in de gaten hield.
kennis moet pijn doen
Plato propageerde in zijn politieke werk een verre van democratische staatsvorm. Tot ergernis van Karl Popper in zijn De open samenleving en zijn vijanden wilde Plato niets van pluralisme weten, was hiërarchie en ongelijkheid voor hem vanzelfsprekend en verachte hij, die zelf rijk was, volgens Popper arbeiders en slaven. Volgens Waterfield erkende Plato pas tegen het einde van zijn leven dat mensen een stem moesten hebben in het nemen van politieke beslissingen. Plato’s politieke ideeën hebben voornamelijk nog een archaïsche status, maar dat wil niet zeggen dat rechtse bewegingen er vruchteloos in zullen bladeren.
De Franse ‘communist’ Alain Badiou in ieder geval niet. Hij schreef La République de Platon waarin hij Plato in communistische geest herschreef met weglating van wat hem niet te pas kwam. Waren de mensen in Plato’s ogen niet gelijk, dan zijn ze bij Badiou allemaal universeel gelijk. De ‘ziel’ bij Plato wordt bij Badiou goed marxistisch ‘het subject’ genoemd. Van ‘God’ maakt Badiou ‘de Ander’. Wat bij Plato ‘het ware leven’ heet wordt bij Badiou ‘waarheid’. Badiou voegt aan het rijtje van vijf staatsvormen die van hemzelf toe: het communisme. Badiou heeft zich, zoals het in zijn jargon heet, vastgelegd op een ‘transcendente waarheidspositie’. Zonder rekening te houden met de werkelijkheid heeft hij gewoon gezegd dat het communisme in zijn oorspronkelijke betekenis de Waarheid is.
Wat Plato voor onze tijd nog betekent is aan de lezer om zelf uit te vinden.
Het is verbazingwekkend dat iemand die zich, naast het uitwerken van briljante dialogen als Symposion (over de liefde), Laches (over dapperheid), Faidros (over de Ideeën) of Politeia (over de ideale staat), zo heeft vastgebeten in politieke denkbeelden, ook nog de bedenker is van wat de Ideeënleer is gaan heten. Dat het een ‘leer’ heet wil niet zeggen dat Plato het in de vorm van een samenhangend traktaat heeft geschreven. Het komt in verschillende dialogen ter sprake, zoals in de Faidros. Plato heeft er zelf min of meer afstand van genomen (in de dialoog Parmenides), maar de Ideeënleer verdwijnt niet. Hij staat voor iets dat even ongrijpbaar als reëel is. Hij vult een gemis op: de ideeën zijn denkbeeldige toetsstenen. Een mooi schilderij wordt ongemerkt in je hoofd vergeleken met een ander mooi werk, ook al is het totaal iets anders. Maar ze reiken allebei naar dezelfde hoogte en perfectie. Die toetssteen van perfectie hangt ergens in de lucht, is ongrijpbaar maar reëel. Alle dingen zijn afgeleid van denkbeeldige, ware, perfecte vormen.
De Ideeënleer bracht Aristoteles ertoe te zeggen dat Socrates zich niet met materiële, concrete zaken bezighield, maar met ethische zaken die te maken hebben met karakter en esthetiek, en dus met de maatschappij waardoor een karakter ook wordt gevormd. Vandaar de politiek.
Plato is door de eeuwen heen aangevallen op alle aspecten van zijn ‘leer’. En toch duikt hij steeds weer op. Ongeveer alles wat mensen en de samenleving aangaat komt in de dialogen aan de orde. Uit de dialogen is een woordenboek samen te stellen met psychologische en politieke thema’s die nog even urgent zijn als in Plato’s vijfde eeuw voor Christus: verlangen, zelfoverwinning, perfectie, betrokkenheid, ambivalentie, durven durven, moed, weerstand, zelfreflectie, onafhankelijkheid, keuzes maken, autonomie. Dit verwerkt Waterfield in een aangenaam biografisch en filosofisch verband. Wat Plato voor onze tijd nog betekent is aan de lezer om zelf uit te vinden. Het verwerven van echte kennis moet een beetje pijn doen. Zegt Plato.
Plato van Athene. Een leven als filosoof door Robin Waterfield is vertaald door Wilma Paalman en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.