Het is één ding om op te groeien in een arm gezin in Noord-Frankrijk, als fijngebouwde jongen met een zachte stem, homoseksueel in een conservatief dorp. Met een vader die vanaf zijn veertiende in een smerige fabriek zijn dagen slijt totdat het zijn lijf kapot maakt, een broer die je langzaam maar zeker ten onder ziet gaan aan alcoholisme, en een moeder die pas na jaren afscheid durft te nemen van dat bestaan. Het is nog iets anders om vervolgens uit te groeien tot de absolute literaire superster van Frankrijk. Beroemd, rijk, geliefd, aanbeden.

Dat is precies wat Édouard Louis (1992) is overkomen. Of nu ja, niet helemaal overkomen. Want vanuit het Noord-Franse Hallencourt naar de chicste school in Parijs en een waaier aan literaire prijzen ligt een pad. Een pad vol, in de woorden van Louis, aanpassing en geweld. Het aanpassen: hoe hij zich, eenmaal op het chique lyceum in Amiens, realiseert dat zijn accent daar niet acceptabel is, en dus net zo lang oefent totdat het dat wel is. Hoe hij zijn trainingspakken inruilt voor nette kleding. De eindeloze honger naar de juiste boeken, de boeken die de elite leest, de juiste muziek – klassieke muziek, natuurlijk. Het geweld, het pesten, uitsluiten en uitlachen. Hoe hij eenmaal getransformeerd tot ‘nette jongen’ zich realiseert dat hij niet de juiste tanden heeft. De pijn die een nieuw gebit kost. Fysieke pijn, boven op de schaamte die hij voelt omdat zijn vroegere armoede te zien is aan zijn mond. Alles verandert, zelfs zijn naam.

Nu in de winkelsHier bestel je de nieuwe Vrij Nederland!25 april 2022
Voortdurende vernederingen

Louis boekte eerder literaire kassuccessen met boeken als Ze hebben mijn vader vermoord en Weg met Eddy Bellegeule, waarin hij zijn jeugd gebruikt ter illustratie van een groter, politiek punt: dat van klassenverschillen. In die eerste boeken domineert het systeem, het maatschappelijk model dat, in Louis’ ogen, wordt vormgegeven door een handjevol hooggeplaatsten die geen weet hebben van de voortdurende vernederingen waaraan zij de arbeidersklasse onderwerpen. Ze schetsen een wereld waarin het systeem het vrijwel altijd wint van individuele acties: eenmaal overgeleverd aan het bestaan van fabrieksarbeider is er nauwelijks hoop op verbetering. Armoede en alcoholisme liggen als vanzelfsprekend op de loer.

In zijn nieuwe boek Veranderen: methode staat dat systeem wat op afstand. Anders dan in Ze hebben mijn vader vermoord hier geen directe politieke aanklacht tegen de zittende macht. En het geweld dat hem ten deel valt, is in dit boek minder fysiek dan in zijn eerdere werk, al zou Louis zichzelf niet zijn als hij niet zou vinden dat ook hier sprake is van geweld; klassengeweld, in dit geval.

Edouard Louis

In Veranderen: methode is de onderdrukking van het systeem platgeslagen tot de talloze, eindeloze hordes en hobbels die hoofdpersoon Édouard Louis moet nemen om erbij te horen, zijn dorp te ontvluchten, gelukkig te zijn, het te redden, het te maken, te kunnen ademen. Zodra er één horde is genomen, doemt er een andere op, niet in de laatste plaats omdat hij als jongen van bescheiden komaf soms geen weet heeft van de kansen die de andere klassen voor lief nemen. Veelzeggend is het hoofdstuk waarin hij ontdekt dat er zoiets bestaat als de Universiteit van Oxford, dat je daar heen kunt, mits je de juiste connecties en fondsen aanspreekt. Een schoolgenootje vertelt hem achteloos dat dat haar plan is, waarna hij aan het googelen slaat en besluit daar óók heen te willen, want boven alles wil hij één ding: verder komen. ‘Ik wilde bestaan, en bestaan betekende uitblinken.’

Dat klinkt vermoeiend.

‘Haha. Zo voelde ik me toen ik opgroeide. Uiteindelijk is dit ook een eenvoudig verhaal van een homoseksuele jongen die steeds vernederd werd en vervolgens álles doet om dat gevoel te overwinnen. Ik weet nog zo goed dat ik een jaar of zeven, acht was, en de jongens op school spuugden op me, vertelden me hoe vies ik was, en ik wéét nog dat ik toen dacht: op een dag doe ik iets dat zij nooit zullen doen. Dat zal mijn wraak zijn. En dan zullen ze naar me kijken en denken: waarom spuugden wij ooit op hem?’

Je boeken gaan over hoe een systeem arme mensen vernedert en vernietigt. Maar dit boek lijkt ook te gaan over individuele keuzes. Zoals dat moment dat je net beschrijft. Dat is toch jouw eigen handelen?

‘Ik zie dat niet zo, ik weet niet waarom ik zo reageerde. Waarom ben ik geen verlegen jongetje geworden? Waarom hield ik me niet stil? Waarom heb ik geen zelfmoord gepleegd? Ik heb er vaak genoeg over nagedacht. Ja, waarom? Ik geloof niet zo dat mijn reactie uniek voor mij is, het is meer het gevolg van een samenkomst van allerlei ontmoetingen, te beginnen met mijn vader die mijn moeder ontmoet. Ik had als kind een favoriete film, over de Big Bang – over hoe er altijd een mix van totaal toevallige factoren is die ervoor zorgen dat de aarde überhaupt bestaat, dat je reageert zoals je reageert, dat je bent zoals je bent.’

Als je stelt: ik wilde bestaan, en bestaan betekende uitblinken, dan betekent dat misschien ook dat als je niet uitblinkt, je niet mag bestaan.

‘Dat ervoer ik zo toen ik jonger was, ja. Ik dacht dat ik de pijn en de schaamte die ik voelde omdat ik een faggot was, alleen kon overleven door iets te doen wat niemand deed.’

Mag je dan falen?

Glimlacht. ‘Laat ik een beter antwoord geven dan het antwoord dat ik je net gaf over de Big Bang: ik denk dat het bij mijn moeder vandaan komt. Een heel sterke vrouw: ondanks alle shit die ze heeft meegemaakt, is ze in staat om gewoon dóór te gaan. Dat heb ik van haar. Als ik een tegenslag ervaar, dan krijg ik de neiging om ergens anders iets op te bouwen. En dat ervoer ik als tiener – het gevoel: ik moet hier weg, ik moet ontsnappen. Dat rusteloze.’

Gered

Die soms uitputtende energie drijft de hoofdpersoon Édouard Louis ertoe om steeds verder te gaan: als hij maar alle juiste boeken heeft gelezen, heeft hij het gemaakt. Als hij maar bevriend raakt met die ene persoon, is hij binnen. Zolang hij maar presteert, komt er ergens een moment dat hij kan rusten, veilig is, kalm. In het boek culmineert dat in het moment dat hij wordt toegelaten tot de meest prestigieuze school van Parijs, de École Normale Supérieure, een school waar de elite van de elite les krijgt, al een grote stap voor een ‘gewone’ provinciaal uit Amiens, laat staan voor een jongen als hij, voor wie Amiens ooit de grote stad was. Hij beschrijft hoe hij op zijn knieën valt als hij de brief krijgt waarin staat dat hij is toegelaten. ‘Ik bleef mezelf voorhouden: ik ben gered, ik ben gered.’

Het boek verhaalt over hoe je jezelf steeds verder pusht, met de belofte dat je op een dag op een punt zult zijn aangekomen dat je mag rusten.

‘Ha, ja, dat was altijd de belofte.’

Is dat nog steeds zo?

‘Ja, nog steeds. Al ben ik wel rustiger geworden, de laatste jaren.’

Scherp: ‘Maar weet je, het gaat niet over mij. Ik schrijf geen boeken om over mezelf te praten of als therapie. Daar heb ik andere manieren voor, daar heb ik een privéleven voor. Ik heb vrienden, een geliefde, een therapeut. Ik vind dat je dit moet zien op een politiek niveau, een collectief niveau. Dit is politiek, alles is politiek.’

Een van de dingen die je politiek maakt, is de term transfuge de classe. Wat is dat?

‘Het is meer dan simpelweg klassenmigrant. Soms hoor je tegenwoordig ook het woord transclasse, iemand die zich van de ene naar de andere klasse begeeft. Transfuge de classe heeft ook iets in zich van een overloper, van geweld. En daar is het me precies om te doen: het geweld, of het nu fysiek of mentaal is, inzichtelijk maken dat je overkomt als je naar een andere klasse migreert. Dat je altijd moet blijven bewijzen dat je erbij hoort. Dat is wat ongelijkheid is: dat je veel meer energie moet steken in het bereiken van hetzelfde resultaat wanneer je uit een arbeidersklasse komt dan wanneer als je van gegoede komaf bent.

‘Ik tracht een nieuwe taal te vinden voor die arbeidersklasse, want als je over ze blijft praten zoals in de jaren ’50 heb je het niet over hen.’

Toen ik in de bourgeoisie arriveerde, was het bizar om te zien hoe je dan, als je halfslim bent, naar de meest prestigieuze scholen kunt, en hoe je met een arbeidersachtergrond een Einstein kan zijn maar niet hoger komt dan de middelbare school. Dit boek is een manifest voor de klassenreizigers, voor de pijn die zij ervaren. De mensen die je achterlaat op je pad, de mensen die je vertellen dat je niet goed genoeg bent, het aanpassingsproces, jezelf veranderen. Dat is niet iets wat je iemand individueel mag aanrekenen, dat is onderdeel van een proces van klassengeweld. Daar moet het over gaan: klasse moet weer onderwerp van gesprek zijn.’

Edouard Louis

Waarom is het dat nu niet?

‘Omdat er sinds de jaren ’80 een ideologische backlash is geweest tegen het hele idee van klasse. Na de oorlog was het idee van klasse evident – er waren in veel Europese landen grote marxistische partijen. Ik wil niet zeggen dat ik het in alles met die partijen eens ben, maar ik bedoel: het was op zijn minst een politiek thema. Je ziet het ook in de literatuur, met schrijvers als Marguerite Duras en Simone de Beauvoir. Maar in de jaren ’80 en ’90 kwam er een switch naar verhalen van de bourgeoisie, meer autofictie, over individuele levens, scheidingen, het leven in de stad. Grote thema’s als ongelijkheid en kolonialisme werden naar de achtergrond verdreven.

Nu zie je dat er een nieuwe generatie is opgestaan die klasse weer op de agenda zet. Want laten we wel zijn: het onderwerp is nooit écht verdwenen. Klassenverschillen zijn overal. Mensen zijn niet gek: je kunt ze wel vertellen dat het er niet is, dat iedereen overal alles kan bereiken als je maar je best doet, maar dat is gewoon niet waar. En ook het hele idee van de arbeidersklasse, het ideaalbeeld dat wij daar nog altijd van hebben, klopt niet. We moeten dat herdefiniëren. Dat is wat ik probeer te doen in mijn werk. We hebben het eerder over de moedige arbeidersklasse, de fabrieksarbeider die na een dag eerlijk werk thuiskomt bij zijn vrouw, dan over de realiteit: de uitbuiting, de armoede, de stress die hard werken voor weinig geld met zich meebrengt. Dáár moeten we het over hebben. Ik tracht een nieuwe taal te vinden voor die arbeidersklasse, want als je over ze blijft praten zoals in de jaren ’50 heb je het niet over hen.’

Linkser dan Piketty

Édouard Louis is, zeker in Frankrijk, veel meer dan een romanschrijver die put uit zijn eigen ervaringen. Hij is een vooraanstaand politiek activist, iemand die vaak de straat op gaat om te protesteren tegen ongelijkheid, racisme, politiegeweld, het beleid van Emmanuel Macron. Hij plaatst zichzelf links van het spectrum (‘Linkser dan Piketty,’ grapt hij), put veelvuldig uit het werk van socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002) om zijn ideeën te funderen. Hij hoort in een traditie die eerder werd ingezet door mensen als filmmaker Ken Loach (bekend van sociaal realistische drama’s als I, Daniel Blake), of de Franse filosoof Didier Eribon, die Terug naar Reims schreef – net als het werk van Louis een hervertelling van de wereld van de arbeidersklasse. In Veranderen: methode beschrijft Louis hoe een lezing van deze Didier Eribon zijn leven ‘volledig en onherroepelijk’ een andere wending gaf: dankzij Eribon ging hij lezen. Dankzij Eribon belandde hij op de juiste school. Toen hij zich wilde wreken op de jongens die hem in elkaar hadden geslagen, realiseerde hij zich dat hij moest worden als Eribon.

Het gesprek over klasse in Frankrijk wordt aangezwengeld door mensen die zelf afkomstig zijn uit die arbeidersklasse, terwijl het debat in Nederland de laatste tijd vooral werd gevoerd naar aanleiding van Joris Luyendijks De zeven vinkjes, of het succesvolle tv-programma Sander en de kloof van Sander Schimmelpenninck.

Lees ookSander Schimmelpenninck: ‘Alles is geluk aan mij’9 december 2021

Hier in Nederland staan ook mensen op uit de hogere klassen om het onderwerp klasse bespreekbaar te maken. Zegt dat jou dat er iets aan het veranderen is?

‘Ja, en dat is goed, natuurlijk. Maar wat ik belangrijk vind, is de taal die we spreken als we klasse aan de kaak stellen. Ik geloof niet zo in mensen die zeggen: check je privilege, of: wees je bewust van je privileges.’

Waarom niet?

‘Het is voor mij, politiek gezien, het laatste narcistische trucje van de geprivilegieerden. Als je het wilt hebben over een situatie van onderdrukking, en vervolgens ga je het hebben over hoezeer jij geprivilegieerd bent, dan voelt dat voor mij als een trucje. Politiek gezien zijn er mensen die het systeem willen behouden, die er wel over willen praten, maar het niet actief willen veranderen.

‘Ik hoor vaak, als ik lezingen geef, de privileges van de “witte heteroman” benoemd worden. Dat voelt voor mij toch als iemand wegzetten.’

Ik ken de Nederlandse situatie natuurlijk niet, maar als je zegt: jij bent hetero, dus jij hebt een privilege, dan gaat het niet over homofobie. Als je zegt: jij bent wit, dus je hebt privilege, hebben we het niet over racisme. We moeten niet zeggen: check je privilege, we moeten het over klassenracisme hebben, klassenonderdrukking, klassenoverheersing. Snap je? Het is een politiek gevecht. Als je het bij het individu houdt, wordt het statisch. Want dan is het gevecht voorbij. Oké, je bent man en wit, dus shut up. Maar als je links bent, progressief, je wilt een betere wereld, dan moeten we het daarover hebben. We moeten het over de taal hebben.’

Edouard Louis

Welke taal bedoel je dan?

‘Ik hoor vaak, als ik lezingen geef, de privileges van de “witte heteroman” benoemd worden. Dat voelt voor mij toch als iemand wegzetten. Kijk naar mijn vader, denk ik dan: hij is vijftig en hij kan niet lopen en niet ademen, welk privilege bedoel je precies? Of mijn broer, ook een witte heteroman, die is drie weken geleden overleden, hij was 37.’

Wat vreselijk, gecondoleerd. Wil je daar wel over praten?

‘Ja, want het is politiek. Het is belangrijk. Hij was wanhopig en arm, en hij dronk te veel en het heeft hem kapotgemaakt. Mijn moeder was bij hem, ik ben erheen gegaan toen ze me belde. Ik had hem al tien jaar niet gezien, dus voor mij persoonlijk… Maar hij is dood, een witte heteroman is dood en hij was 37 jaar. Het maakt dat ik me ongemakkelijk voel op het moment dat “witte heteroman” gezien wordt als iets van privilege.’

Hij is even stil. ‘Dus ja, ik weet dat er homofobie bestaat – god, ik wéét dat. Ik weet dat er racisme bestaat, ik weet dat mijn broer bepaalde dingen nooit heeft meegemaakt die zwarte mensen wél elke dag meemaken, ik demonstreer zo’n beetje elke week in Frankrijk tegen politiegeweld. Wat ik maar probeer te zeggen, is: dominantie is geen statisch gegeven. Het is geen vast gegeven. Het verandert door de tijd heen, het is een film, geen foto. De mensen die in mijn jeugd machtig waren, die het mij als homoseksueel en mijn moeder als vrouw moeilijk maakten, die mensen kunnen nu niet ademhalen – mijn broer, mijn vader. Mijn moeder is ontsnapt, ik ben ontsnapt. Mijn vader zit vast. Mijn broer is dood, en ik leef. In een maatschappij kun je niets voor eeuwig vastleggen. Zo van: jij bent dominant, ik ben slachtoffer. In mijn leven ben ik zowel slachtoffer als dader geweest. Dat is de wereld, dat is waartoe je je moet verhouden. Dat geldt ook voor nadenken, voor schrijven, voor politiek bedrijven.

Zoals de filosoof Derrida zegt: je moet altijd leven met het idee dat iets nooit af is, dat je altijd opnieuw moet beginnen. Het moment dat je zegt: nu snap ik het, zó zit de wereld in elkaar, zit je fout.’