Aangewezen zijn op jezelf als gezelschap was (is) meer dan ooit het geval.Was je alleen, dan was je ook echt vaak alleen omdat vrienden door al de beperkingen in café’s, restaurants en bioscopen niet zo maar op konden draven om met je op stap te gaan De deur uitgaan? Alleen als het echt noodzakelijk was. Mensen thuis ontvangen? Beter van niet. Thuis werken aantrekkelijk? Tot je bedenkt dat het ook een soort droogzwemmen is: de afwezigheid van direct contact met collega’s breekt je na verloop van tijd op. Alleen zijn met jezelf kan een opgave zijn.
Wie met zichzelf door één deur kan ligt niet met zichzelf overhoop.
Maar er zijn genoeg mensen die het alleen zijn prima vinden. Precies met dat woord: ‘prima.’ Dat wil zeggen: ze vinden het fijn. Ze kunnen het goed met zichzelf vinden, hebben genoeg stof om over na te denken. Ze geven zichzelf te ruimte, worden niet geïnterrumpeerd. Ter voorkoming van zelfgenoegzaamheid zorgen ze voor enige zelfkritische tegenspraak. Wie met zichzelf door één deur kan ligt niet met zichzelf overhoop. Die zou zelfs een socratische dialoog met zichzelf kunnen aangaan, een waar je elkaar met elke vraag de duimschroeven aandraait.
de aandacht van jezelf afleiden
Maar helemaal alleen met jezelf gaat niet lang goed. Er moet ook iets zijn dat gedaan móét worden, iets om de aandacht van jezelf af te leiden. Over manieren waarop je met jezelf alleen kan zijn gaat A History of Solitude van David Vincent, het tweede boek over eenzaamheid in een paar maanden na de Biography of Loneliness van Fay Bound Alberti.
Bound Alberti probeert antwoord te geven op de vraag hoe het komt dat (vóór de coronacrisis) van de bijna zevenenzestig miljoen Britten negen miljoen zich eenzaam voelt. De ideologie van ‘het eigenbelang eerst’ van het neoliberalisme, de ‘dereguleringen’ en de fragmentering van de samenleving door de privatiseringen van Thatcher zijn is niet moeilijk aan te wijzen als de belangrijke oorzaak.
Het geluk komt niet altijd van de intimiteit van geliefden.
Bound Alberti’s boek gaat over de zorgelijke staat van de eenzaamheid en over de Britse samenleving die steken laat vallen. Maar het woord ‘solitude’ dat David Vincent gebruikt voor eenzaamheid ben ik niet geneigd als ‘eenzaamheid’ te vertalen, maar eerder als ‘alleen zijn’ of ‘op jezelf zijn.’
Een niet gering deel van zijn boek is gewijd aan de voordelen van het alleen zijn. Het geluk komt niet altijd van de intimiteit van geliefden. Hij wijst op Solitude, een boek van Anthony Storr uit 1997 waarin die schrijft dat ‘persoonlijke relaties van intieme aard’ niet de ‘belangrijkste, of de enige, bron van menselijk geluk zijn.’ Intieme relaties kunnen weliswaar nog veel geluk brengen, maar de vele echtscheidingen garanderen niets meer.
witte plekken
Zoals witregels in poëzie een belangrijke functie kunnen hebben, zo hebben momenten of tijden van ‘op jezelf zijn’ de functie van witte plekken, niet ingenomen door andere mensen. De rol van die witte plekken is door allerlei dichters bezongen, maar Lord Byron krijgt van Vincent de taak het namens de robuuste tak van de romantici te doen met een paar regels uit Childe Harold’s Pilgrimage: het voor korte of langere tijd ‘op jezelf zijn’ is er voor om je gedachteleven grondig te vernieuwen en dat nieuwe ook te koesteren: ‘Soon in me shall Loneliness renew/Thoughts hid, but not less cherish’d than of old.’
Revitalisering van de geest is het terugkerende motief om de afzondering en de eenzaamheid op te zoeken. Het schilderij Der Wanderer über dem Nebelmeer van Caspar David Friedrich is het bijna tot cliché geworden beeld van die zucht naar een tijdje afwezig te willen zijn en willen uitkijken op het Niets. Dit is niet de afbeelding die bij wilde wandelaars of bergbeklimmers in trek is want de op zijn rug geziene man is gekleed voor een deftige wandeling en niet voor een moeizame klauterpartij over besneeuwde rotsen.
Het aantal mensen dat de witte plekken in het leven regelmatig opzoekt neemt gestadig toe. Er komen steeds meer wandelaars, al of niet in het bezit van Rousseau’s Overpeinzingen van een eenzame wandelaar (1782). De sabbatical, het jaar er tussenuit, de retraite (een paar maanden bezinning), het klooster, het kluizenaarsbestaan, de eenzame zeiler: het zijn allemaal manieren om voor een tijd bij jezelf terug te komen: het is vluchten voor het te veel van de wereld.
coronagestuurde gemoedstoestanden
De quarantaine om het coronavirus buiten de deur te houden is ook een vluchtroute, noodgedwongen ditmaal, maar wel met hetzelfde effect: men wordt op zichzelf teruggeworpen.
Welke vormen dat aan kan nemen is te zien aan de subtiel-geestige tekeningen van de Vlaamse tekenaar en schilder Benoît van Innis. Benoît maakte jarenlang omslagen en illustraties voor Vrij Nederlands Repubiek der Letteren. Niet minder bekend is hij door The New Yorker, waarvoor hij in de loop der jaren 35 covers maakte.
Van Innis kent de coronagestuurde gemoedstoestanden van zijn alter ego van binnenuit en geeft ze nauwkeurig en met absurde humor weer.
Hij was een tijdje uit het oog geraakt, maar half maart beleefde hij een plotselinge opstanding toen hij, geïnspireerd en gedwongen door het coronavirus, elke dag een snelle tekening ging maken over de geestelijke en fysieke toestand waarin zijn alter ego zich door het virus ging bevinden.
Vrienden en kennissen kregen die tekening dagelijks op hun computer. Er hebben zich nog geen coronadagboekeniers gemeld, maar in Benoît hebben we een goed alternatief: hij kent de coronagestuurde gemoedstoestanden van zijn alter ego van binnenuit en geeft ze nauwkeurig en met absurde humor weer. Alles wat er aan verlangens, frustraties, obsessies, absurditeiten is opgekropt, alle gewoonten, klusjes, tics en overmoedigheden die à la quarantaine in hem opkwamen vonden gevisualiseerd hun weg. Hoe het alter ego onder spanning staat is te zien aan de sigaret die onafgebroken in zijn mond hangt.
Jacques Tati-achtige humor
Na drieëneenhalve maand is er al een boek met de tekeningen die Benoît vanaf 14 maart heeft gemaakt: Instant Light. Als eerste valt natuurlijk de schetsmatige, maar trefzekere losse stijl op waarmee Benoît het in quarantaine-verwarring verkerende leven tekent. De verwarring zit al in de vorm.
We krijgen de hele innerlijke storm te zien die woedt in Benoîts alter ego.
Ook al heeft hij deze losse stijl wel eens eerder gebruikt, we kennen Benoît vooral van de verstilde absurde tekeningen van mannen en vrouwen die, goed gekleed en in prachtige interieurs, doen alsof ze het leven aan kunnen, maar aan wie de innerlijke spanning in alles is af te lezen.
De gedempte kleuren van deze geschilderde tekeningen horen bij zijn Jacques Tati-achtige humor. Die keert nu terug in de coronatekeningen. We krijgen de hele innerlijke storm te zien die woedt in Benoîts alter ego: hoe hij verlangt naar een echte voetbalwedstrijd, niet een van de televisie. Hoe hij een reis door zijn kamer maakt. Hoe hij op de ochtend van 14 april alle voorwerpen in zijn kamer groet (‘Bonjour’ tegen de tafel, de lamp, de bloemen…). Hoe hij in boxershort een ‘opstanding’ beleeft. Hoe hij alle dranken in huis soldaat maakt. Hoe hij hoort dat Ikea weer open is en de aanvechting niet kan weerstaan om aan karaoke in zijn eigen huis te gaan doen.
Hij krijgt de gekste ideeën: hij wil zijn memoires schrijven, en even later heeft hij op 7 mei al een roman geschreven waarvoor hij een titel zoekt. Dit komt allemaal in de coronamens op. De held van deze tekeningen is de universele coronamens: claustrofobisch besprongen door de raarste impulsen. Hij kan gaan denken, zoals bij Benoît, dat hij zijn huiskamer tot badkamer moet maken, uit pure verveling. Of dat diezelfde coronamens met een elektrische zaag in zijn handen vraagt ‘wat zal ik vandaag eens gaan doen?’ Het is niet uit te leggen humor: het zijn geen grappen, er wordt niet nadrukkelijk leuk gedaan, het is geen slapstick. Het is de wereld van Benoît die door Sempé, Laurel and Hardy, Jacques Tati en Saul Steinberg heen is gegaan en bij zijn unieke zelf is uitgekomen.
Hoe alleen in zijn kamer Benoîts alter ego ook is, hij is als moderne mens tegelijk natuurlijk ‘never alone’. Op een van de tekeningen is ook te zien hoe hij wordt omgeven door WhatsApp, Messenger, Instagram, Twitter, Netflix, Google, Email, Skype, Zoom, iPhone en een échte brief in een envelop van papier. Dat is La Condition Corona: alleen met z’n allen.
Instant Light door Benoît van Innis is uitgegeven door Posture Editions.
A History of Solitude door David Vincent is uitgegeven door Polity Press.





Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.