In de hele wereld zaait het coronavirus dood en verderf. Maar dat wil nog niet zeggen dat ‘we’re all going through the same experiences,’ zoals David Brooks, de gerenommeerde columnist van The New York Times, meent. Daaruit spreekt een iets te gretige behoefte aan saamhorigheid en universele eenheid.
Brooks, die zich in zijn nieuwe boek De tweede berg een ‘relationist’ noemt, iemand die vindt dat de redding van de wereld zit in de verbinding met andere mensen, lijkt zich wel content te voelen bij deze epidemie: we zouden allemaal (‘the entire human family’) in hetzelfde schuitje zitten. Dat komt Brooks, gezien de strekking van zijn boek, goed uit. Dat schuitje moest eens een flinke storm doormaken om weer met beide benen op het gemeenschappelijke religieuze fundament te komen staan.
Maar we zitten maar tot op zekere hoogte in hetzelfde schuitje. De mensen van wie geen dierbaren door het virus zijn overleden hebben een heel andere ervaring dan degenen die een vader, moeder of broer hebben te betreuren. Oudere mensen die binnen moeten blijven hebben hun vier muren wel gezien. Regisseurs die hun film of toneelstuk niet in première kunnen laten gaan staren voor zich uit. Talloze mensen verliezen hun baan. Scholieren kunnen geen examen doen. Vakanties waarnaar uitgekeken is weg.
Dat zijn allemaal andere ervaringen. In New York kunnen de doden niet behoorlijk begraven worden omdat het er te veel zijn. Hoe universeel is het schuitje van die doden? Die hebben allemaal een hoogst individuele naam, een leven, een geschiedenis, een baan. Ze hadden hartstochten, kinderen, familie en plannen. Dat is geen zaak voor ‘the entire human family’, maar voor elke familie afzonderlijk.
na regen komt zonneschijn
Als een na-regen-komt-zonneschijn-optimist stoomt Brooks meteen door naar de tijd na de crisis: we zullen op deze tijd terugkijken als een van de ‘most meaningful periods of our lives’. Al die individuele doden zijn verleden tijd. We zijn een onderdeel ‘van een groter verhaal van verlossing.’ De epidemie is nu wel een monster, ‘but it gives birth to a better world.’ ‘Er komt al een nieuwe energie in de wereld.’ ‘Iedereen hunkert naar nauwere banden en een diepere zorg voor elkaar.’ ‘Er komt een nieuwe introspectie de wereld binnen.’ Er zullen ‘diepere gesprekken gevoerd worden en fundamentelere vragen worden gesteld.’ ‘Er zullen sterkere zelven opstaan.’ ‘Lijden werkt als een verlossing.’
Als een na-regen-komt-zonneschijn-optimist stoomt Brooks door naar de tijd na de crisis: we zullen op deze tijd terugkijken als een van de ‘most meaningful periods of our lives’.
Hier spreekt de onlangs bekeerde Brooks die het lijdensverhaal inclusief opstanding omarmt als het verhaal van zijn en het leven.
Brooks is in zijn columns met behulp van deze ramp aan het oogsten wat hij in De tweede berg heeft gezaaid: nu is het tijd om van de mensen weer een gemeenschap te maken, zie maar hoe afhankelijk ze nu van elkaar zijn. Brooks schrijft dat we ‘diep in ons zelf moeten dalen’ om ‘daar op zoek te gaan naar ons onbegrensde vermogen voor andere te zorgen.’ Het ‘relationisme’ zal het (hyper)individualisme verdrijven en de coronacrisis zal ervoor zorgen dat we ‘in liefdevolle onderlinge afhankelijkheid met anderen’ gaan leven.
levensprietpraat voor volwassenen
Het is een volslagen uit de lucht gegrepen veronderstelling dat deze plaag ‘een betere wereld zal baren’, zoals Brooks denkt en wil. Dat is puur wensdenken. Maar het is geheel in overeenstemming met de strekking van De tweede berg, dat een boek is van een bekeerling en een evangelist. In De tweede berg wordt nogal wat aangesneden. Het gaat niet alleen over het diepe dal waaruit Brooks moest klimmen na zijn scheiding, ook over zijn bekering, na jaren te hebben gezwalkt tussen het jodendom en christendom, koos hij voor het christendom.
En over ‘je hart en ziel vinden’, ‘een toegewijd leven’ leiden, een roeping volgen, het hebben van een mentor die je van levenswijsheden voorziet, over stichten van gemeenschappen. Veel hiervan is levensprietpraat voor volwassenen (‘Ik moet naar mijn leven luisteren’) die nog als kleuters in het leven staan. Nu moeten er ineens ‘verborgen harten’ gevonden worden, is ‘het leven niets dan genade’, moet er ‘vervulling’ komen en ‘verlossing’ en daar mag voor geleden worden. Je mentor moet je ‘bij de hand nemen’, er wordt ‘gehunkerd’ naar ‘toewijding en ‘opoffering’.
De ‘tweede berg’ van de titel slaat op een nieuwe fase in iemands leven nadat hij al carrière heeft gemaakt. De tweede berg duikt op als zo iemand bedenkt dat er toch iets meer moet zijn in het leven dan geld verdienen, in een mooi huis wonen, reizen maken en genieten. Het is dan tijd om het leven van zin te gaan voorzien. Er moet anders geleefd gaan worden, dan ‘kunnen we baden in de echte zon.’
de goede en de slechte weg
Dit idee van een tweede berg, een tweede (‘diepere’) fase in het leven, is een van die gratis zelfhulpbedenksels, naar analogie van de twee wegen die het protestantisme voorhanden heeft: de smalle (goede) en de brede (slechte) weg. Of één weg, maar dan een moeilijke, met heel veel hindernissen, als een kruisweg (‘Tijden van lijden geven ons een schop onder de kont’). Bij het beklimmen van de eerste berg, waarin alles in het teken staat van het maken van carrière, gaat het volgens Brooks om gelukkig worden.
Bij de tweede berg gaat het om het ervaren van ‘vreugde’, en om ‘de hogere roep van hart en ziel.’ Het leven staat dan niet meer in het teken van het egoïstische ‘ik’, maar van dienstbaarheid, van onderworpenheid, van zorgen voor anderen. ‘Als ik mensen ontmoet’, schrijft Brooks, ‘die een leven van diepe verbintenissen leiden, word ik het meest geraakt door de echtheid van de vreugde die ze uitstralen.’
‘Als ik mensen ontmoet’, schrijft Brooks, ‘die een leven van diepe verbintenissen leiden, word ik het meest geraakt door de echtheid van de vreugde die ze uitstralen.’
Van dit uitstralen van vreugde maakt Brooks veel werk. Hij gaat ‘vreugde verzamelen’ en legt er allerlei soorten van aan: fysieke vreugde (houthaken), collectieve vreugde (samen dansen), emotionele vreugde (moeder die naar haar baby kijkt), spirituele vreugde (het ervaren van de zuivere geest), transcendente vreugde (één voelen met de natuur), en vooral ‘morele vreugde’, wanneer iemand de incarnatie van deugd en goedheid is. Mensen met morele vreugde hebben ‘het innerlijke licht’.
van kritische columnist tot evangelist
Alles maar ‘vreugde’ noemen waar mensen genoegen aan beleven, zoals Brooks doet, is wel erg lichtzinnig met de taal omgaan: er wordt een emotionele lading aan iets gegeven dat het niet heeft. Het is oneigenlijk gebruik van emoties. Mensen die zoveel ‘vreugde uitstralen’ lopen het gevaar griezels gevonden te worden. Het is opdringerig. Brooks voelt zich er juist goed bij, hij wil het liefst omringd worden door mensen die ‘van binnenuit gloeien.’ Dat gloeien is het gevolg van het dienstbaar in het leven staan. Bij de vreugde van de bergbeklimmer hoort nederigheid, opoffering en ‘zoeken naar verbinding.’
Zo iemand zou wel eens de slaaf van al zijn goedheid kunnen worden.
De ‘vreugde’ en alles wat daarbij komt kijken is Brooks remedie tegen het egoïsme en individualisme waar we de laatste vijftig jaar onder geleden zouden hebben. Brooks erkent dat ‘de jaren zestig’ bevrijdend hebben gewerkt, maar daarna zou het mis gegaan zijn. Hij wijdt dat als republikein niet aan het vrijgevochten neoliberalisme en de anarchie van het kapitaal die voor de kloof tussen rijk en arm zorgt, maar aan het ‘hyperindividualisme’.
David Brooks is veranderd van een kritische columnist en schrijver van boeken als Bobos in Paradise en The Social Animal in een evangelist. Die praat soms in tongen: ‘Het universum plooit zich naar de goedheid in ons’. ‘Waar bevond ik mij op mijn pad richting God?’ Of die Augustinus vereert die de liefde van God ‘als een heerlijke en brandende honger voelde’. Toen Brooks een keer op een ochtend in de metro stond ging ineens een schakelaar in zijn hoofd om en zag hij dat ‘iedereen een ziel had’.
Dat is rijkelijk laat voor iemand van bijna zestig.
Er is niets mis met het pleiten voor aangename verhoudingen tussen mensen en er op wijzen dat we in veel opzichten afhankelijk zijn van elkaar, maar op de manier waarop Brooks het doet werkt het averechts. Je wordt er even een verdomde egoïst van. In zijn wereld moet je altijd ‘vreugdevol’ gestemd zijn en vooral ‘dankbaarheid, verrukking en vriendelijkheid’ uitstralen. Dat is te veel straling.
De tweede berg. De zoektocht naar een zinvol leven door David Brooks is vertaald door Joost van der Meer en Bill Oostendrop en uitgegeven door Het Spectrum.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.