Wanneer Leonard Woolf in 1927 het manuscript van Virginia Woolfs roman To the Lighthouse heeft gelezen wil zij geen ongeduldige indruk maken door meteen te vragen wat hij er van vond. Teruggekomen van een bezoek aan haar vriendin Vita Sackville-West ging ze quasi rustig zitten, ‘zonder iets te vragen’. Maar hij kwam er zelf mee. ‘Hij noemt het iets geheel nieuws’, schrijft Woolf in haar dagboek, ‘een psychologisch gedicht’.’
Dat markeerde iets. Maar dat nieuwe kwam niet uit de lucht vallen, al was het in To the Lighthouse de eerste keer dat Woolf het consequent door de hele roman toepaste: het weergeven van de stroom aan gedachten en gevoelens die personages beheersen, bekend geworden als de ‘stream of consciousness’. Pijnlijke of opwekkende herinneringen, angstgevoelens, erotische verlangens, losse gedachten, spanningen: in een bijna willekeurige stroom laat Woolf zien wat zich onder de oppervlakte in het innerlijk van ieder mens afspeelt. In Ulysses beoefende James Joyce het in overtreffende trap.
Virginia Woolf en James Joyce braken daarmee met het benauwende victorianisme en met de stroming in de Engelse literatuur die het tot ongeveer 1910 uit hield: de Edwardian novel van schrijvers als Arnold Bennett en John Galsworthy. Daarin ging het vooral om een wereld die zich aan de oppervlakte afspeelde, die van uiterlijkheden, liefst in de hoogste kringen: hoe een huis eruitzag, wat voor meubels er stonden, wat voor kroonluchters er hingen, wat voor manieren de bewoners hadden, wie men wilde zijn door kleding, houding en geheimzinnige etiquette. Woolf noemde deze schrijvers ‘materialisten’.
mannen als uilskuikens
Virginia Woolf verplaats zich in Naar de vuurtoren in de geest van al haar personages. Ze geeft weer wat er omgaat in mevrouw Ramsay wanneer haar man in het begin van de roman zegt dat het morgen slecht weer zal zijn en dat ze daarom niet naar de vuurtoren kunnen (waar ze in hun vakantiehuis op uitkijken). Dat is tot verdriet van zijn zesjarige zoon James die op schoot bij zijn moeder zit omdat ze hem aan het voorlezen is uit de sprookjes van Grimm. Verdriet is een klein woord voor wat er in James omgaat na de mededeling van zijn vader. Het is meteen een voorbeeld van het ongecensureerde gehalte van wat zich in het hoofd van iemand af kan spelen: ‘Als er iets als een bijl, pook of ander wapen dat de borst van zijn vader had kunnen doorboren en hem had kunnen doden onder handbereik had gelegen, had James het gepakt’.
Wat zich in Naar de vuurtoren afspeelt is een beschaafd, maar wel degelijk onthullend menselijk demasqúe.
Wat er in James omgaat is karakteristiek voor het soortelijk gewicht van de emoties en gevoelens van de acht kinderen van het gezin Ramsay en hun vijf gasten. Wat zich in hun hoofd afspeelt is veel radicaler dan wat er uiteindelijk in woorden uit komt. Zo denkt de schilderes Lily Briscoe dat mevrouw Ramsay medelijden heeft met alle mannen (ze hebben een ‘tekort’), maar dat nooit van haar leven hardop zal zeggen. Ook zal ze niet gauw hardop zeggen dat ze liever mannen als uilskuikens had dan intelligente schrijvers van proefschriften.
Een andere gast, Charles Tansley, zit met zichzelf in de knoop en wil niet meedoen met ‘dat stomme geklets dat deze mensen van hem verwachten’. Speciaal aan vrouwen en hun domheid heeft hij een hekel: ‘Vrouwen maakten beschaving onmogelijk met al hun “charme”, al hun domheid.’ Dat zal hij niet gauw hardop zeggen. Wat zich in het hoofd van Lily Briscoe afspeelt krijgen we te zien tijdens haar worsteling met het schilderij dat ze aan het maken is van mevrouw Ramsay en James. Elke streek is een verovering op haar (niet geuite) gevoelens voor mevrouw Ramsay, die ze bewondert als moeder van acht kinderen en een tirannieke man. Daar doorheen schieten ook nog haar gedachten over mannen en het huwelijk, waar ze beslist niet aan wil (‘haar bleef die verwatering bespaard’).
niet ingeloste verlangens
Wat zich in Naar de vuurtoren afspeelt is een beschaafd, maar wel degelijk onthullend menselijk demasqúe, resultaat van de opkomst van de psychologie, van het bespreekbaar worden van emoties en gevoelens na de victoriaanse, angstvallig alles toedekkende tijd. ‘Bloomsbury’, de artistieke elite aan schrijvers, schilders, filosofen en non-conformisten die in de Londense wijk Bloomsbury woonden, hebben daar, en speciaal Virginia en Leonard Woolf met hun Hogarth Press, een groot aandeel in gehad. Als een soort geciviliseerde bohème maakte ‘Bloomsbury’ de omgangsvormen losser, gingen makkelijk verhoudingen aan, waren verslingerd aan kunst en creativiteit, schreven romans, dagboeken, brieven, kritieken en essays. Het huis waar het gezin Ramsay elke zomer twee maanden verblijft is een ongedwongen verzamelpunt van clevere gasten en gezinsleden van wie het gedachteleven overloopt van verwachtingen, gevoelens, kleine spanningen, ambities en momenten van rust en kalmte.
Meneer Ramsay, een gerenommeerd filosoof, is een ‘tiran’ voor zijn zoon James, maar Woolf laat hem ook door de ogen van zijn vrouw zien en door die van Lily Briscoe. Mevrouw Ramsay spaart haar man niet. Ze vindt hem afwisselend ‘wijs’ en onmogelijk ijdel, iemand die altijd zal proberen een gesprek in de richting van zijn boeken te sturen. Zijn dochter Cam vindt haar vader als hij in zijn studeerkamer zit te schrijven ‘heel sympathiek’, heel wijs, niet ijdel en geen tiran. Deze perspectiefwisselingen (door wiens ogen wordt iemand gezien), worden door Lily Briscoe voorzien van een verstrekkende overtuiging waar Virginia Woolf het mee eens lijkt: ‘Van alle beelden die mensen van elkaar hebben was immers de helft vertekend. Ze beantwoordden alleen aan je eigen doelen.’
Naar de vuurtoren is sterk vanwege deze evocatie van het verborgen gedachteleven van mevrouw Ramsay, haar gasten en haar kinderen. Maar niet minder vanwege de taal waarin de roman is geschreven: de vele treffende metaforen en vergelijkingen. Dat kan gewaagde vormen aannemen. Wanneer mevrouw Ramsay aan haar dochter Cam, die in gedachten verzonken bij haar staat, vraagt of ze aan iemand wil vragen of een paar gasten al terug zijn, schrijft Woolf: ‘De woorden leken wel in een put gegooid, waarin ze, hoewel het water helder was, toch zo vreemd werden vertekend dat je ze in hun val rond zag tollen om ten slotte wie weet wat voor patroon te vormen op de bodem van het verstand van het kind.’ Je ziet het voor je.
In Naar de vuurtoren is het alsof Woolf van zichzelf een intelligent uilskuiken heeft gemaakt om ervoor te zorgen dat al haar zinnen er luchtig bijstaan.
Mevrouw Ramsay is iemand van de gedecideerde zorgzaamheid, ‘zo kwistig en gul werd alles weggeschonken’. Wanneer ze een opbeurend gesprek heeft gehad met haar man voelt haar zoon James, die nog steeds tussen haar benen staat, ‘haar oprijzen als een fruitboom met roze bloemen, behangen met bladeren en dansende takken’. Maar zelf denkt hij op dat moment aan zijn vader als iemand met ‘een snavel van staal, het dorre kromzwaard van zijn vader, die egocentrische man, die pikte en hakte, om medeleven te krijgen’.
Na de dood van mevrouw Ramsay is het zomerhuis lange tijd verwaarloosd, maar ook weer opgeknapt. Wanneer meneer Ramsay met een paar gasten en twee van zijn kinderen terugkomt is James tien jaar ouder, zestien jaar. Ze gaan eindelijk met de zeilboot op weg naar de vuurtoren. Die staat voor het nog niet ingeloste verlangen. Bij verschillende personages duikt in de roman een zin op die hun permanente verlangen en onbehagen vertolkt: ‘iets te willen en willen en niet te krijgen’. Zo was het lang met James’ verlangen naar de vuurtoren, als metafoor voor alles wat hij nog in zijn leven wilde willen. Nu hij op weg ernaartoe de boot onder zijn hoede heeft terwijl zijn vader zit te lezen, keren zijn haatgevoelens voor zijn vader in volle omvang terug. Hij heeft steeds maar een mes in zijn gedachten en de aanvechting hem ermee te steken. Tot ze bij de toren zijn aangekomen, zijn vader zijn boek dichtslaat en hem voor het eerst van zijn leven een compliment maakt: voor het goede navigeren. Weg haat. James wordt er zo blij van ‘dat hij niet van plan was zich ook maar een sprankje blijdschap te laten ontnemen. Zijn vader had hem geprezen’. Niet alleen dat, ook de vuurtoren zelf bevalt hem: ‘het was een strenge toren op een kale rots. Dat bevredigde hem. Dat sterkte hem in een bepaald duister gevoel over zijn eigen karakter.’
Naar de vuurtoren is niet alleen bijzonder vanwege de caleidoscopische manier van schrijven waardoor je een kijkje krijgt in het hoofd van al haar personages. Ook door de lichte toon. Het is alsof Woolf van zichzelf een intelligent uilskuiken heeft gemaakt om ervoor te zorgen dat al haar zinnen er luchtig bijstaan.
Naar de vuurtoren door Virginia Woolf is vertaald door Barbara de Lange, van een nawoord voorzien door Marja Pruis en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.