Een windstille maandagmorgen in het late voorjaar. Op de kade achter het Centraal Station te Amsterdam komt de stad tot leven. Een kwartier eerder nog de verlatenheid van het weekend. Een kwartier later de gonzende drukte van de week. Over het gladde water van het IJ klinkt, van de overkant, de tingel van een scheepsbel. De klok van het station wijst kwart over zeven. Tolhuispont nummer 16 vaart, precies op tijd, van Noord weg naar de stad toe.
Een rijnaak vaart voorlangs, een zeeschip loeit de hoorn, vier minuten later schuurt de pont het hout van het havenhoofd.
Fietsers en brommers schuiven naar voren. Met een zachte bonk landt het vaartuig verend tegen de stootwand stadszijde.
Brommers en motoren worden aangetrapt.
De pont ligt stil. Een moment van afwachting als bij lopers achter het startlint.
De klep gaat omlaag.
Hij is halverwege.
Stop.
Het moment van de foto.
De ponten van vóór zeven uur varen tamelijk leeg op en neer. Die van tien voor zeven lost een brommer, vier fietsers en een vorkheftruck, en hij vaart met zes man aan boord terug naar Noord.
De ponten rond halfacht zijn drukbezet, maar dan staan de scholieren al vooraan.
En het ging ons om de werkers.
De pont van kwart over zeven is de pont van de werkers.
De foto had een dag later genomen kunnen worden: dan zou de man helemaal rechts met de Adidas-tas er niet opgestaan hebben, en de dikke man achter de lichtmast links evenmin. Ook zou de besnorde racefietser met wollen ijsmuts erop ontbroken hebben: drie kennelijk incidentele overvaarders.
De anderen zouden er wel op zijn teruggevonden. Want bijna iedereen die om deze tijd op de pont staat, staat altijd om deze tijd op de pont.
De pont van kwart over zeven is hun vaste pont. We konden ze, op de drie dagjesvaarders na, gemakkelijk terugvinden.
Twee jongens bleken op weg naar school, en vielen dus buiten de opzet. Twee voetgangers in het gangpad links stelden geen prijs op een gesprek, en een fietser achter tegen de bus aan evenmin.
De anderen hebben we opgezocht: tweeëndertig mannen en vrouwen, de jongste zeventien, de oudste vierenzestig, op weg naar hun werk.
Van twee van hen hebben we, op hun verzoek, de naam veranderd. Zij komen dus onder een schuilnaam, de anderen komen onder hun eigen naam aan het woord.
Ze komen uit de wijde omgeving.
De heer Lof uit Broek in Waterland, 64 jaar, is als eerste op weg. Hij zit die ochtend, als alle ochtenden, om halfzeven op de fiets. Tien minuten later stappen Jannie en Linda Kolijn te Edam in de auto van hun vader. Om kwart voor zeven bromt Van der Wiel weg van zijn woonboot bij Zaandam. Vijf minuten later kust, achteraan in de Banne Buiksloot, Kuyper zijn vrouw. Ellen van Delft rent om de bus van één minuut voor zeven te halen die haar naar de pont brengt. Chiel van Daalen moet precies om zeven uur op zijn fiets zitten. Ahmet Kaya kan nog tot tien over zeven thuisblijven, hij woont vlak achter het tolhuis. Het laatste stuk racet of rent of scheurt iedereen. Dan gaat de klep omhoog, en zoeken ze allemaal hun vaste plek op.
Je kunt twintig jaar op de pont staan of dertig: een woord wisselen doen de vaste vaarders nooit.
Kristel staat altijd met zijn brommer rechts vooraan tegen de klep. Visser zal je nooit ergens anders aantreffen dan schuin achter de bus. De Moes leunt met zijn fiets tegen de schoorsteen. En als De Ramdanie uit het gangpad rechts tevoorschijn komt, komt rondvaartkapitein Veldman links vanonder de overkapping vandaan.
Ze weten het van elkaar en ieder respecteert een anders werk.
Ze kennen elkaar.
Dat wil zeggen: iedereen herkent iedereen van de foto. Maar niemand kent iemands naam.
Want je kunt twintig jaar op de pont staan of dertig: een woord wisselen doen de vaste vaarders nooit.
Aan de overkant waaieren ze weer uit naar de wijde omgeving. Mevrouw Aantjes werkt vrijwel aan de kade, bij de PTT, dus die is gelijk aan de koffie. Rob Wijtenburg moet nog naar het andere eind van Amstelveen brommen. Krish Marapin komt, als laatste, om halfnegen op zijn werk te Hoofddorp aan.
Dan is iedereen aan de slag.
De volgende ochtend om kwart over zeven treffen ze elkaar weer.
Is dat alles? Hebben ze niet meer gemeenschappelijk dan die vier minuten zwijgende overvaart elke morgen?
De heer Lof, die tweeëndertig jaar met de pont gevaren heeft en over een paar maanden met pensioen gaat, kan zich één man herinneren met wie hij wel eens een praatje maakte. ‘Ik kende zijn naam niet. Ik wist alleen dat hij familie had in Duitsland. Op een dag zag ik hem niet meer. Nooit meer teruggezien. Zomaar van de ene dag op de andere. Misschien is er van mij straks ook wel iemand die denkt, verrek, ik zie die ouwe niet meer.’
Er is inderdaad weinig dat de pontvaarders verbindt, behalve de overvaart.
Tenminste: persoonlijk.
Dan leggen we de gesprekken naast elkaar, we verwerken de gegevens: er blijken frappante onderlinge overeenkomsten te zijn.
Er is bijzonder veel dat ze verbindt.
Dat wil zeggen: als groep.
Het verhaal van de foto is een groepsportret.
Het is niet moeilijk om het groepsportret van een onderschrift te voorzien: van links naar rechts, de ruggengraat van het Nederlandse productieapparaat.
Er staat niemand op die hoog is of die een leidende functie heeft. Er staan er voldoende op die nooit hoger komen. Maar iedereen die erop staat is een verbazend betrouwbaar werknemer.
Er staan op: een instrumentmaker, een timmerman (2x), een banketbakker, een automatensteller, een PTT-beambte, een administratief medewerker(ster) (4x), een schoonmaakster, een autowasser, een tijdschrijver, een medewerkster van het GAK, een bode, een belastingambtenaar, een magazijnknecht, een meet- en regeltechnicus, een computerbediener (2x), een portier van politie, een computeranalist, een ambtenaar, een NS-monteur, een loodgieter, een elektricien (2x), een strijkster, een kapitein van een rondvaartboot, een boekbinder, een taxichauffeur en een archivaris v.h. melkhandelaar.
Samen hebben ze 453 jaren in loondienst doorgebracht. Daarvan hebben ze er 291 bij hun laatste baas gewerkt, die in veel gevallen ook hun eerste baas was. Bijna 65 procent van al hun arbeidsjaren dus, bij één en dezelfde baas.
Hun groepsportret is méér dan een portret van werkers: een portret van noeste werkers. Hun gezamenlijk ziekteverzuim is te verwaarlozen. Hun gezamenlijke werkloosheid kan men eerder in weken dan in jaren afschatten. Ze gaan in doorsnee om zeven uur van huis en ze komen in doorsnee om vijf uur weer terug, wat hun werkdag, met de reis mee, op tien uren brengt. Ze leggen dagelijks gemiddeld 28 kilometer af, in trein, tram of bus, op fiets of brommer. En ze zijn daarmee gemiddeld 82 minuten onderweg, op en neer gerekend. Een paar minuten daarvan staan ze, bij elkaar, op de pont. En ze hebben, behalve die vier minuten, een voor hen vanzelfsprekende arbeidsethiek gemeen. Het zijn niet de mensen die de samenleving besturen. Het zijn de mensen die de samenleving draaiende houden. ‘Je kan beter zeggen, de enkelleving,’ zei er een, teleurgesteld.
Het groepsportret kan in cijfers worden beschreven. Acht vrouwen staan erop. Vierentwintig mannen. De vrouwen gemiddeld 29,9, de mannen gemiddeld 39,4 jaar. Vijf van de acht vrouwen ongehuwd (en jonger dan 25). Vier van de vierentwintig mannen niet getrouwd (allen jonger dan 19). Et cetera. Het heeft niet veel zin. Groepsportretten worden niet op het centraal bureau voor de statistiek vervaardigd: er zijn wel sprekender trekken.
Er staat niemand op de foto, wiens vader niet ook in loondienst werkte, en vrijwel niemand wiens vader het brood niet met de handen verdiende.
Een ervan realiseer je je pas na veel gesprekken en plotseling: hún huwelijken houden wel stand. Er is niemand bij die niet bij haar eerste man of bij zijn eerste vrouw leeft. Niemands huwelijk is in de echt gescheiden of anderszins ontbonden.
Dit feit alleen al maakt het groepsportret tot een kasteportret: een beeld van het trouwe deel van de werkende klasse, dat, meestal zeer vroeg, de wezenlijke keuzes gemaakt heeft, en dat zich daarbij heeft gehouden – men kan ook zeggen: dat daaraan niet heeft kunnen ontsnappen.
Het is een door traditie bepaalde groep.
Er staat niemand op de foto, wiens vader niet ook in loondienst werkte, en vrijwel niemand wiens vader het brood niet met de handen verdiende.
En, behalve de dochter van de ambtenaar, volgt niemands kind een universitaire, dan wel een hogere beroepsopleiding.
Tonnie Hilstra (19) zegt dat zijn meisje, ook als ze getrouwd zijn, mee moet werken want ‘hoe harder ze meewerkt, des te eerder is alles afbetaald’. En mevrouw Meddens (60) werkt al jaren mee: ‘Nou gewoon voor het geld.’
Het is bij deze groep heel gewoon: jong of oud, kinderen of geen kinderen, de vrouwen werken óók. Die op de foto staan en getrouwd zijn, hebben een man die als stukadoor, elektricien of magazijnmeester het andere inkomen verdient. En de vrouwen van de mannen op het groepsportret staan achter kassa’s (3x), sorteren post, verzorgen bejaarden (4x) of fileren kip.
‘Waarvan de vrouwen niet werken,’ zei er een, ‘daarvan kan je wel zeggen, die hebben een salaris tot en met.’
Er zou een interessante lijst aangelegd kunnen worden van de beroepen die niet op het groepsportret voorkomen: politicus, journalist, welzijnswerker, manager, socioloog – de lijst is uit te breiden. Wellicht dat hún vrouwen, sinds het feminisme, ook werken.
Maar om een andere reden.
De vrouwen die bij het groepsportret horen, werken om het geld: daarzonder zou hun gezin in de welvaart niet delen.
‘Je zou anders de auto weg moeten doen,’ zegt mevrouw Brudet (40). ‘Je kan óók eens een stukje meubel kopen,’ zegt mevrouw De Ramdanie (37). Of ‘een stukje kleren’: mevrouw Kuyper (42).
Wat verdienen mensen die gemiddeld tien daguren aan hun werk kwijt zijn? Niet iedereen wilde dat vertellen. Sommigen krijgen premies, en dan ‘wekt het op mijn werk agressie op als ze het van mij horen’. Anderen hebben aan fooi soms wat extra.
Maar zelfs dan: premie en fooi meegerekend verdienen, van alle tweeëndertig pontvaarders, drie mensen (de instrumentmaker, de ambtenaar en de belastingman) meer dan achttienhonderd gulden per maand netto.
We hebben iedereen gevraagd of hij/zij tevreden is met het verdiende loon – het antwoord op die vraag is standaard.
‘Iedereen wil méér, dat is logisch, maar méér kun je ergens anders ook niet krijgen, en als ik het vergelijk met…’ De vraag werd steevast in vergelijking en dan met ja beantwoord.
De vergelijking betrof altijd een naastliggend beroep of een belendend bedrijf – nimmer de journalist, socioloog, welzijnswerker of politicus, ook deze lijst is uit te breiden.
En dus zeggen ze dat ‘je me niet hoort klagen’ of dat ‘ik er goed van kan komen’ of dat ‘we mooi elke dag vlees op ons bord hebben’. Als er teleurstelling is bij deze groep, dan niet in de eerste plaats over het beschikbare maandgeld.
Wat kun je met dat maandgeld doen?
Wel een auto kopen, die heeft bijna iedereen, maar niet een huis.
Er zijn er, onder de pontvaarders, maar twee die een eigen woning hebben: de een gesteund door rijkspremies en de ander doordat hij het huis van zijn ouders kon overnemen: ‘Je zou wel willen,’ zegt Tonnie Hilstra ‘een eigen huis, lijkt mij ideaal. Maar dat kunnen we toch nooit betalen. Misschien een woonboot.’
Het alternatief voor de noeste werker: geen eigen huis, maar een eigen woonboot.
Van der Wiel heeft er een (langs het Zijkanaal H), Hilstra woont bij zijn ouders op de boot (langs de Landsmeerdijk) en de ABN-bode Meddens heeft er een (langs de Buikslotermeerdijk).
En alle drie zijn het zelfgebouwde drijvende paleisjes op betonbasis waar, behalve een groot deel van het geld, ook een overgroot deel van de vrije tijd in wordt gestoken.
De rest huurt, bijna altijd een bovenwoning.
En heeft een tuinhuis of een stacaravan: de rijkdom van de noeste werker. Van de mensen op de groepsfoto brengen er elf de weekenden en de vakanties met hun gezin door op het stacaravancomplex of in de volkstuintjes. De twaalfde, mevrouw Diderich, staat voor een tuintje ingeschreven.
Het zijn misschien wel de mensen die hun inkopen doen bij Dirk van den Broek (‘Zijn de koeken gebroken? O, dan komt dat blik van Dirk’), maar het zijn niet de mensen die met Dirk van den Broek naar Spanje gaan – eerder nog met Albert Heijn naar het Concertgebouw.
Want ze steken hun vrije tijd (behalve in de winter, wanneer ze op de tv koersen) in dat merkwaardige parallelbezit dat een tenthuisje op een eiland, een optrekje op Sint-Barbara of een caravan te Ockenburg zijn kan, en dat in alle gevallen de betekenis heeft van een wél bereikbare eigen, veilige plek, een plaats waar je de stad, de huurflat en het werk kunt ontvluchten.
Je bent een arbeider, en dan gaat het effe anders. De rijken zetten hun auto achter slot en grendel.
De ruggengraat van het groepsportret begeeft zich per fiets of brommer naar het werk. Een aardige vraag: wanneer is die voor het laatst gestolen?
We hebben het alleen over het laatste jaar nu.
De heer Meddens: ‘Afgelopen zaterdag. Achter het Centraal Station. Ik wou naar het bloemencorso. Vroeger was daar een stalling. Ik had hem heel verdekt neergezet. Het slot lag er nog.’
Verzekerd? ‘Nee.’ Zijn vrouw: ‘Twaalfhonderd gulden, moet ik twee maanden voor werken. Mijn plezier is eraf.’
De heer Menningh: ‘Een maand geleden. Uit de stalling bij het Havengebouw.’
Angelo Koster: ‘Aan het eind van de zomer, bij het terrein van de Volewijckers. Was ik aan het trainen voor honkballen.’
Nellie Grijpsma: ‘Begin dit jaar. Stond bij de Amstelbrouwerij. Was in brand gestoken.’
De heer De Waal: ‘Eén in de vernieling geslagen en één gestolen, dit jaar. Nou ja, die eerste was een gemeentebrommer.’
En dezelfde: ‘En mijn auto, die is opengebroken. Ik had er een paneeltje in gemaakt, je kent dat wel, stereo-installatie, toerentellertje, watermeter, als je het zag, een plaatje. Hoeven ze maar even los te trekken, de draadjes doorknippen en je tilt het hele paneeltje eruit. Wat moet je? Ik blijf maar rustig, je staat toch met je rug tegen de muur. Als mijn vrouw en kinderen waren gestolen, dan ga ik door roeien en ruiten. Je bent een arbeider, en dan gaat het effe anders. De rijken zetten hun auto achter slot en grendel.’
We zijn op zoek naar een van de pontvaarders – in het late voorjaar wilde hij ons alleen zijn postbusnummer geven. Achter het nummer school een adres in Oost.
We komen in een verlaten straat, waar we, op het opgegeven huisnummer, door een Turkse man niet te woord gestaan worden.
En de buren kunnen zich geen naam als door ons opgegeven herinneren.
Via een behulpzame gemeenteambtenaar krijgen we een ander adres, dit keer in Zuid. Ook daar weet niemand zich bij de naam iets voor te stellen: maar dit keer op een manier die duidelijk maakt dat niemand zich er iets bij wil voorstellen. Uiteindelijk helpt een jongen ons. Die man heeft hier wel gewoond, maar hij is plotseling vertrokken.
Waarheen?
We krijgen een vaag adres in Noord.
Daar zoeken we en vinden we hem.
‘Ik kon geen adres geven, ik wist niet of ik hier mocht blijven,’ zegt de pontvaarder als hij ons opendoet.
‘Ik had dit huis gekraakt.’
En hij vertelt hoe ze opgejaagd zijn, de stad door, omdat geen enkele instantie ‘mij als arbeider’ kon helpen om een onleefbaar vorig huis te ontvluchten.
‘Je werkt,’ zegt hij, ‘maar je krijgt ontzettend het gevoel dat het om je heen niet deugt.’
‘Het hapert om je heen,’ zegt een ander – bijna iedereen vertelt wel een hopeloos verhaal. Niet van horen zeggen, maar uit ervaring. Bij de een is ingebroken, de ander is van de ene dag op de andere ontslagen, een derde is in de tram haar tasje kwijtgeraakt.
De vrouw van een geportretteerde pontvaarder: ‘Mij hebben ze met twee messen in mijn buik staan prikken. Twee grote messen, en een trap in mijn donder. Ik was net naar het postkantoor geweest om mijn man zijn geld op te halen. Zestienhonderd gulden. Ik heb niemand iets verteld hoor. Ik heb het aangezuiverd met mijn spaarcenten, nou ja, dat is dan ook op. Na een jaar heb ik het pas verteld. Ik was verschrikkelijk bang, want hier in de buurt sterft het van de bosjes. En die jongens hadden gezegd dat ze me dood zouden maken als ik iets zou vertellen.’
De pont vaart weer en iedereen heeft zijn vaste plekje gevonden – je hoeft geen groot psycholoog te zijn om waar te nemen dat de plek die ieder uitkiest iets (niet veel natuurlijk) vertelt over zijn/haar aard. Het meisje van de Amro-bank, dat ‘echt niet zo hoeft op te vallen’ zal je nimmer vooraan aantreffen, op de plaats van de automatensteller die een Triumph Spitfire wil kopen en op de markt heeft gestaan. En de bode van de ABN die het ‘levensgevaarlijk’ vindt om ‘tegen de grote heren iets te zeggen’ zoekt de veilige beschutting van het gangpad, die de man die eerlijk zegt ‘als het mij bij een baas niet bevalt, kras ik op’ niet nodig heeft: die staat vooraan en geeft vroegtijdig gas.
Zo hebben ze allemaal hun vaste, min of meer bij hen behorende plek; de vastigheid die ze in hun baan en hun huwelijk hebben, op de pont in beeld gebracht. Maar terwijl ze hun eigen leven – na vijfentwintig, dertig of tweeëndertig jaar pont mag je dat toch wel zeggen – volgens vaste lijnen hebben ingericht, bekruipt ze het gevoel dat de wereld om hen heen zijn vertrouwde orde verliest – ze hoeven dat niet in de krant te lezen, ze ervaren dat aan den lijve.
Wijzelf hebben een jaar bij onze dochter ingewoond. We konden niets fatsoenlijks krijgen.
De heer Menningh woont sinds vijf jaar in Noord. Daarvoor woonde hij op Oostenburg. Waarom is hij verhuisd?
‘Ik ben niet verhuisd,’ zegt hij. ‘Ik ben uitgefikt.’ En hij vertelt het verhaal. Hij is iemand die ‘niet stil kan zitten’ en die ‘altijd in mijn huis, of bij mijn kinderen thuis’ bezig is met ‘iets te vertimmeren, op te knappen, vloertjes te leggen’.
Zo ook het huis op Oostenburg: ‘Een rotstraat misschien, maar van binnen was het af.’
Toen kwam er boven hem een junk wonen.
In het begin ging dat wel. Het was lastig omdat die jongen de hele nacht boven hun hoofd rondsprong, maar ze moesten toch lachen, wanneer hij, als weerwoord op klachten, zei dat hij overdag van hún last had, want dat hij dan moest slapen.
Later werd hij minder aanspreekbaar – op het laatst lag hij voornamelijk op een matras op de vloer te roken.
Ze hadden hem al menigmaal gewaarschuwd.
Het gebeurde toch.
Hij lag met een kaarsje aan op de vloer, raakte buiten kennis, het kaarsje brandde door: de hele woning van zolder tot kelder in de vlammen opgegaan.
De jongen, onverzekerd, stond buiten in zijn onderbroek op en neer te springen: een paar dagen later zagen ze hem rondlopen, geheel in de nieuwe kleren gestoken en overigens ook geholpen aan een andere woning, in de Kinkerbuurt ditmaal.
‘Wijzelf hebben een jaar bij onze dochter ingewoond. We konden niets fatsoenlijks krijgen.’
‘Het gaat er niet om,’ zegt de heer Menningh, ‘dat ik niet tevreden ben. Ik ben wel tevreden, we hebben het niet slecht. Vroeger, laat ik zeggen, tien jaar terug, was ik misschien minder tevreden, materieel dan. Toen had ik wel het gevoel, om me heen loopt alles wel. Nu ben ik tevreden met wat ik heb, maar het is niet meer geharmonieerd.’
Het is een gevoel dat veel mensen van het groepsportret uitspreken. Als er klachten zijn, dan niet over de welvaart, waar ze, met veel geploeter en met vrouwen die meewerken, hun deel uiteindelijk van krijgen. Het is het onbehaaglijke gevoel dat het om hen heen niet veilig, of misschien beter, niet ordelijk meer is.
De heer Visser: ‘De tijd is veranderd. Er zijn nog wel regels, maar je hebt niet meer het gevoel dat het goed is om je daaraan te houden.’
Mevrouw Kuyper: ‘Je gaat je schrapper zetten, je zet je meer af. Iedereen is agressief, je bent zelf ook gauw op je tenen getrapt. Wij zijn gelovig, wij proberen verdraagzaamheid na te streven, maar het lukt steeds minder. Het hapert, bij jezelf hapert er ook iets. Er is een groot gevoel van machteloosheid.’
En de heer Meddens: ‘In de stad komen wij niet meer. Met al die berovingen, dat is in één keer doodgeslagen.’
Lang geleden, toen de creativiteit de macht zou overnemen en de maatschappij op een amalgaam van krenten, nepalsigaretten en geintjes op het Spui zou worden omgeturnd, bestond er een ander woord voor de ruggengraat: het klootjesvolk. Er kan, vanzelfsprekend, weinig waardering opgebracht worden voor de leefwijze van hen die de maatschappij draaiende houden, wanneer die omver moet worden geworpen.
Met de creativiteit is het zo best niet afgelopen. Het klootjesvolk ondertussen werkte dóór.
De jongens die toen op de lts zaten en in de buurt van het Spui niet kwamen, staan nu op de pont: naast hun vaders en moeders die er nog stééds op staan, en naast hun jongere broertjes en zusjes die erbij zijn gekomen.
En nog steeds werken ze dóór.
Ze hebben de verandering gezien – van dichterbij vaak dan de doorsnee-politicus, de doorsnee-socioloog en de doorsnee-hulpverlener. Die wonen zelden met Turken op de trap, en ze worden ook weinig bedreigd door gedwongen ontslagen. De meeste mensen van het groepsportret kunnen de omslag wel ongeveer dateren: het ging langzaam, een ‘gevoel ging je bekruipen’ of ‘langzamerhand kwam je erachter’, maar zo’n vijf, zes jaar geleden, toen was het er: het gevoel dat de last te zwaar wordt.
Sedertdien trilt de ruggengraat.
‘Hun worden geholpen, want hun zijn zielig. Wij zijn niet zielig, dus voor ons is er niks’ – het is een thema dat in alle denkbare variaties in de gesprekken voorkomt. ‘Hun’ zijn de probleemgevallen, de zelfverkozen niet-werkers, tot wier heil een gigantisch regelingensysteem werd opgebouwd, waarvan de noeste werkers zelf geen gebruik maken, maar dat, voor een zeer groot deel, wel bekostigd wordt ten laste van de ruggengraat.
Zelf spreken ze, in dit verband, over de bijstand, de uitkeringen en de huursubsidies. Dat er, daarnaast, door hen danig gedokt wordt voor de renteaftrek, kooppremies en belastingfaciliteiten der meer welgestelden onttrekt zich veelal aan hun waarneming.
De term klootjesvolk dient, met excuses, in het sociaal-historisch archief te worden bijgezet. Het groepsportret toont geen door materiële driften bevangen mensen die hun ideaal zien in de dagelijkse hantering van een volautomatische roomklopper. Het toont een groep die, hoe voorspelbaar en geregeld hun leven ook is, uiteindelijk, buiten de regelingen om, hun eigen zaakjes in eigen handen hebben gehouden.
Niemand van het groepsportret kent de burelen van het bijstandskantoor dan wel de loketten van het WW-wezen uit eigen, langdurige ervaring. Niemand die een vanzelfsprekend beroep doet op het gemeenschapsgeld ten bate van zijn woning, de inrichting daarvan, de huur die ervoor betaald moet worden en het onderhoud, groot of klein. Ze klussen zelf.
We hebben ze allemaal opgezocht – menigmaal moesten we daartoe een van die moderne armoeflats betreden, waarvan de betegelde hal naar urine stinkt, de glazen scheidingswand in brokken op de grond ligt, de lift een halve meter boven (of onder) de vloer stilhoudt en de stortkoker het huisvuil opwaarts lijkt te stuwen. Dan stonden we voor de deur, we belden aan, de deur ging open en we betraden een paleisje: er is een fiks perceel bos gerooid om het totaal aan hout, door het groepsportret vertimmerd, te leveren.
En dóén ze een keer een beroep op de overheid, dan kan het niet. De Moes kon, na het ongeluk dat zijn dochter invalide maakte, geen benedenwoning krijgen – hij woont nu op de vijftiende verdieping van een dure flat met lift. De Waal kon, toen hij geterroriseerd werd door zijn buren, geen andere woning krijgen – hij woont nu in een gelegaliseerde kraakflat. En Menningh moest, nadat zijn woning uitgebrand was, een jaar lang inwonen voor hij een flat in Noord kreeg.
En voor het overige heeft het groepsportret zijn huizen eigenhandig piekfijn voor elkaar geklust.
Als we bij Tonnie André komen verlaat zijn vader (die bij de sleepdienst werkt) het huis, trap, emmers, kwasten en schuurpapier onder beide armen. Op weg naar zijn broer om ‘effe wat te verven en een paar deurtjes in te hangen’. Als we bij Tonnie Hilstra de woonboot verlaten brengt hij ons nog even langs het schuurtje op de wal: daar staat zijn vader, samen met de Italiaanse schoonzoon die de belendende boot bewoont, aan een voor fl 50,- van de NDSM overgenomen draaibank onderdelen voor een boot te vervaardigen. Hij heeft er al een afgebouwd en verkocht en van de winst heeft hij zich het materiaal aangeschaft om zijn eigen boot van een tweede verdieping te voorzien. En bij de heer Menningh moeten we dan en dan maar liever niet komen, want ‘de vloer ligt open, storten we beton in’.
Zo wonen de noeste werkers in hun ploeterhuizen: te klein, vaak of te duur, eigenlijk.
Mevrouw Aantjes heeft haar gezin grootgebracht op de bovenste verdieping van een eengezinswoning: het was de bedoeling dat er, na de woningnood, van begane grond en etage één huis gemaakt werd. Ná de woningnood kwam niet. Krish Marapin en Ellen van Delft hebben ‘ontzettende mazzel’ gehad, zeggen ze. Ze wonen samen op een kamer in het voormalige Icova-gebouw; de wc is aan het andere eind van een lange kloostergang, de kamer is groot, kost 550 gulden per maand en ‘we mogen er geen wand in timmeren, want dan is het geen kamer meer, dan is het een woning, en dan moeten we eraf’. De familie De Visser heeft negen jaar ingewoond in het bovenhuis dat ze nu zelfstandig bewonen. Mevrouw Brudet komt juist uit een wisselwoning, die ze, in afwachting van de renovatie, zeven maanden lang bewoond heeft. Sindsdien bedraagt haar huur fl 475,– en komen haar maandelijkse vaste lasten, met de fl 212,– voor gas en licht, de fl 60,– telefoonkosten, de fl 85,– studieverzekering kinderen, de fl 400,– autokosten en de fl 300,– aflossing persoonlijke lening voor de nieuwe meubelen op fl 1532,–; ongeveer het salaris van haar man dus.
‘En als het niet meer gaat,’ zegt mevrouw Hilstra, ‘dan werkt mijn man zaterdags en zondags en dan komen we er ook.’
Wij zijn malende gek geweest om zo hard te werken
Het is de eer van de mensen van het groepsportret en de zingeving voor al hun geploeter: zelf voor zichzelf en voor hun gezin te kunnen zorgen.
Ondertussen nemen ze, om zich heen, steeds méér waar dat dat niet de enige manier is. Iedereen kent wel iemand en de meesten kennen er heel wat die maandelijks thuisgestuurd krijgen waar zij elke ochtend om kwart over zeven voor op de pont staan.
Dat was geen probleem zolang het mensen betrof die ze bij wijze van spreken zelf konden zijn: ziekgewerkte collega’s, gedwongen ontslagen buurmannen, door een ongeluk getroffen kennissen. Het is nu wel een probleem.
De omslag is niet toevallig op ongeveer zes, zeven jaar terug te dateren. Sinds die tijd, ongeveer, zien ze, in angstig snel toenemende mate, mensen die helemaal niet op hen lijken een bijna vanzelfsprekend beroep doen op de door hén bijeenverdiende premiepenningen, en ze zien, ook al hand over hand, mensen die wel op hen lijken een neiging vertonen om met de uitkering om te gaan als gold het een betrouwbaar basisinkomen, in plaats van een zekerheid voor noodgevallen.
Het brengt ze in een merkwaardige dubbelpositie. Ze zouden er voor zichzelf niet aan moeten denken om géén werk te hebben en dus niet meer voor zichzelf te kunnen zorgen.
Tegelijk voelen ze hoe de motivering om onder die omstandigheden dóór te ploeteren, hen in de benen zakt.
‘Het gaat zo makkelijk, tegenwoordig,’ zegt de een. ‘Ze maken ons die voor ons centje staan, ontevreden,’ zegt een ander. ‘Wij zijn malende gek geweest om zo hard te werken,’ zegt een derde. ‘Ik probéér me niet te ergeren,’ zegt een vierde. En bijna iedereen zegt iets dat daarop lijkt. ‘Voor invaliden wil ik werken,’ (G. Kuyper) ‘maar voor lapzwansen met een uitkering en een baantje erbij, godverdomme, nee.’
‘Waarom ga ik nog?’ (Van der Wiel) ‘Half Nederland loopt overdag in de Kalverstraat.’
‘Het gaat zo makkelijk,’ (Jannie Kolijn) ‘omdat wij nog steeds bereid zijn de helft van ons geld aan een ander te geven.’
‘Ik kan niet leven,’ (Streutker) ‘van de zon, al lig ik de hele dag voor Hem op de knieën. De meeste anderen kennelijk wel.’
‘Ze plukken allemaal’ (mevrouw Diderich).
Er zijn twee, steeds terugkerende, klachten. Het verschil tussen een uitkering en wat er met werken te verdienen valt is te klein: men kan slechts met een zekere verbazing waarnemen dat de oplossing eerder gezocht wordt in een verlaging van de uitkering, in plaats van in een rechtmatige verhoging van het eigen schrale inkomen. En: ‘Ze willen tegenwoordig geen werk, ze willen een báán.’ ‘Werkloosheid is kieskeurigheid,’ zei er een, het vrij algemene gevoel van de pontvaarders tamelijk behendig formulerend. Het is het gevoel van mensen die zélf het soort werk doen dat niet in het bijzonder met carrièremogelijkheden dan wel persoonlijke zelfontplooiing gepaard gaat en die zien dat er, in díe branche, menige vacature onvervuld blijft.
De ruggengraat, kortom, werkt dóór.
Maar, sinds zes, zeven jaar niet meer zonder vraag. De meest wezenlijke en tegelijk de gevaarlijkste vraag.
Waarom doen we het eigenlijk nog?
De pontvaarders van het groepsportret hebben bij elkaar 232 jaar tussen Tolhuis en Centraal Station op en neer gevaren. Een gemiddelde van zeven jaar; het record staat op tweeëndertig jaar, die met zevenentwintig, vijfentwintig en negentien jaar kunnen zich eveneens op een zekere volharding beroepen.
De ouderen, op het groepsportret met één mevrouw van eenenzestig jaar en tien heren van boven de vijftig niet ondermaats vertegenwoordigd, stellen zich een variant op de vraag.
Waarom deden we het eigenlijk?
Dat gevoel van schouders eronder, samen opbouwen, huppetee, dat is verdwenen.
Vlak voor en vlak na de oorlog stuurde katholiek Nederland een overmaat aan priesters naar Afrika. Die werkten daar hard, en bekeerden. En toen ze, moe en uitgewerkt, naar Nederland terugkwamen merkten ze dat dezelfden die hen zo enthousiast hadden uitgestuurd, bij hun afwezigheid de Moederkerk om zeep hadden geholpen.
Zo ongeveer moet het de ouderen onder de pontvaarders vergaan zijn.
Ze zijn vlak na de oorlog begonnen te werken. Ze werkten hard, namen genoegen met een karig loon en ze leefden een door de regelmaat van het werk bepaald bestaan. En nu ze bijna zijn uitgewerkt merken ze dat de ‘opbouw’ in het kader waarvan ze zich hun inspanningen getroost hebben, uitgelopen is op omvangrijke bedrijfssluitingen, massale ontslagen en, meer in het algemeen, een ontredderde economie.
Er is op de vraag geen antwoord – of beter, welk antwoord ook, er is niets meer aan te doen. De tijd is verstreken, het pensioen staat voor de deur, de keuze van toen kan niet meer worden overgemaakt.
Wat overblijft is een gevoel: een vrij algemeen gevoel van teleurstelling onder de oudere pontvaarders.
‘Ik denk nu: wat kan mij het schelen?’ Menningh, 57 jaar.
‘Ik dien mijn tijd wel uit.’ Schreuder, 58 jaar.
‘Ik zeg straks dag. Aju.’ Meddens, 62 jaar.
‘Dat gevoel van schouders eronder, samen opbouwen, huppetee, dat is verdwenen.’ De Moes, 53 jaar.
‘Ik ben het moe. Ik heb genoeg gewerkt.’ De Visser, 60 jaar.
‘Trots op die tweeëndertig jaar ben ik niet.’ Lof, 64 jaar.
‘Pakketje achterop en op de fiets, ik doe het nog, maar de lol is eraf.’ Streutker, 51 jaar.
De jonge pontvaarders kunnen zich de vraag nog wel met de mogelijkheid van een andere keuze stellen.
Waarom doen we het eigenlijk?
Ook zij zijn, op het groepsportret, niet slecht vertegenwoordigd: veertien van de drieëndertig zijn nog geen dertig jaar. De dertigers en veertigers zitten, naar verhouding, kennelijk meer achter het stuur en in de IJ-tunnel.
Waarom doe je het eigenlijk?
‘Omdat ik hem anders zijn benen breek,’ zegt de vader van Tonnie André, 19 jaar.
‘Omdat ik wel zorg dat hij uit bed komt,’ zegt de moeder van Tonnie Hilstra, 18 jaar.
‘Mijn vader zou me uit het huis gooien,’ zegt Angelo Koster, 17 jaar. Het is een deel van de motivering, tenminste voor de allerjongsten. De ouders van de jongste lichting ruggengraat dragen hún arbeidsethiek, niet zelden hardhandig, aan hun kinderen over.
Voor de iets ouderen, die al niet meer thuis wonen of die getrouwd zijn, ligt het wat minder helder. Maar er is, in hun antwoorden, wel één gemeenschappelijke noemer: iedereen geeft een louter individuele motivering.
Zou dezelfde vraag, een kwarteeuw terug, aan hun ouders gesteld zijn – hoogstwaarschijnlijk hadden die, naast het belang van hun eigen gezin, óók gewezen op iets als het landsbelang, de opbouw, samen moet je eraan werken, het land kan niet zonder productie – het antwoord, kortom, zou naast een individuele, ook een maatschappelijke component bevat hebben.
Die ontbreekt nu volstrekt – de meesten zeggen er uitdrukkelijk bij dat het louter om me (ongehuwd) of ons (gehuwd) zelf gaat.
‘Ik heb mijn doel omgezet in het huis en de baby.’ Chiel van Daalen, 28 jaar.
‘Ik denk nu, als het met mij maar goed gaat.’ Jaap Waterlander, 23 jaar.
‘Mijn vrouw, de boot en de baby, en de rest kan doodvallen.’ R. van der Wiel, 27 jaar.
‘Mijn werk is me prima, maar mijn droomreis lijkt me leuker.’ Linda Kolijn, 25 jaar.
En ze vertellen allemaal, zonder uitzondering, dat ze een strikte scheiding aangebracht hebben tussen hun werkuren en hun vrije tijd: waarbij ze het werk onder geen voorwaarde toestaan om de vrije tijd ‘ook nog eens te verpesten’. Overwerk zegt niemand te doen. En de gedachte aan het werk is verdwenen op het ogenblik dat de kaart in de klok gestoken, de naam op het variabele werktijdenpapier bijgeschreven of de kantoordrempel met de achterste voetzool overschreden is.
De dertigers en veertigers op het groepsportret (twee vrouwen en zes mannen) werken om het geld. Van de zes mannen zijn vijf gehuwd: alle vijf hun echtgenotes werken óók – als fabrieksarbeidster, caissière, administratief medewerkster, bejaardenverzorgster en kippenfileerster. Ze hebben, op één kinderloos echtpaar na, allemaal kinderen in de schoolgaande leeftijd: dat geldt voor de twee vrouwen van de foto ook.
Ze zijn meer of minder tevreden naarmate ze meer of minder een zekere carrière gemaakt hebben – de enige pontvaarders bij wie je, afgezien van de ambtenaar, van een carrière zou kunnen spreken komen in deze groep voor.
Als iemand daar wel, min of meer, in geslaagd is zegt hij ‘een grandioze baan’ (Arie de Waal) te hebben en neemt hij ‘wel eens werk mee naar huis’ (F. Kristel).
Zo zijn de pontvaarders van kwart over zeven: de ouderen teleurgesteld, de jongeren op zichzelf betrokken en de middengroep op het geld.
We hebben iedereen gevraagd of hij lid is van een vakbond: een enkeling slechts.
We hebben iedereen gevraagd of hij lid is van een vereniging: het komt sporadisch voor.
Het is een groep die zich, buiten het werk om, in het zelfvertimmerde paleisje, het op te bouwen gezinnetje en de afzondering van het tuinhuisje heeft teruggetrokken.
Ik heb een keer gestemd. Omdat mijn baas het wilde.
Een halve eeuw geleden zongen de socialisten te Amsterdam dat ze krachtig gingen protesteren, ‘luidkeels roepen, eisen wij, vrij vervoer als recht en billijk, met de ponten over het IJ.’
Er is dus iets bereikt. Nu de auto’s door de IJ-tunnel suizen, nou ja suizen, en de pont nog slechts voor voetgangers, fietsers, brommers en handkarren toegankelijk is, kan iedereen gratis op en neer.
Socialisten staan er trouwens ook niet meer op.
Zeker: de meerderheid zegt PvdA te stemmen. Er staan enkele cpn-stemmen in het gangpad. De meisjes Kolijn hebben het, in verband met de Markerwaard, nogal op D’66. Een paar gelovige arbeiders, om met De Waarheid te spreken, houden het oog nog bij Van Agt. Eén oudere vrouw is naar Wiegel, die het zo duidelijk zegt, overgeswitcht. De anderen stemden vorige keer nummer één van lijst één en zullen de volgende keer wel nummer één van dezelfde partij stemmen.
Ook dat is traditioneel zo bepaald.
Maar er is, politiek, iets veel belangrijkers aan de hand en dat kan, uit het opgegeven stemgedrag alleen, niet worden afgeleid.
De pontvaarders stemmen wel.
Maar ze hebben zo niet hun vertrouwen, dan toch hun belangstelling voor Den Haag vrijwel verloren.
‘Ik heb een keer gestemd. Omdat mijn baas het wilde.’ (Veldman)
‘CDA, maar ik luister niet. Ik wil ’s avonds wat anders aan mijn hoofd hebben.’ (Ans Jonker)
‘Ik weet niet op wie, ik zet zomaar een kruisje.’ (Streutker)
‘Of je nou door de hond of door de kat gebeten wordt.’ (Jaap Waterlander)
‘Veel maakt het niet uit.’ (Van Daalen)
Er is er één die niet mag stemmen: Ahmet Kaya, de Turk. ‘Ik ben hier,’ zegt hij, ‘ik wil mijn toekomst in Nederland onder de verzekering brengen.’
Dit is het verhaal van de foto – het verhaal van de toevallige mensen die op een maandagochtend in het late voorjaar op de pont van kwart over zeven stonden. Het is een bijna vergeten groep die nergens meer deel van uitmaakt.
Niet meer van de arbeidersbeweging. Op een PvdA-congres voeren de welzijnswerkers, de leraren, de economen en de sociologen het vrijwel exclusieve woord. En getrouwen van de VARA zijn ze ook niet meer, sinds het, in plaats van de ideeën, de programma’s zijn die het hem doen.
Niet meer van een kerkelijke stroming. Wellicht ontvangt een enkeling nog wekelijks de apostolische zegen, onderdeel van bijvoorbeeld een RK-emancipatiebeweging is hij allang niet meer.
Niet meer van een buurt: zeker niet de pontvaarders die uit de stad zijn weggesaneerd en ergens hoog op een contactloze armoeflat in Nieuwendam of de Banne Buiksloot geparkeerd zijn.
Niet meer van het bestuursapparaat: sedert de problemen per vliegtuig uit Suriname, per auto uit de Balkan of te voet vanachter de gesloten fabriekspoorten de stad zijn binnengetrokken, komt de bureaucratie niet meer toe aan zorg voor de ruggengraat, die immers geen urgente zorg vraagt.
En niet bij het maatschappelijk of welzijnswerk: lichtingen sociale academici hebben er een dagtaak aan om zich, met de juist niet normale probleemgevallen achter op de fiets, langs de bureaus van bijstand, woningtoewijzing, arbeidsvoorziening en overige hulpverlening te reppen.
Wat henzelf betreft: gevaar spreekt ze dagelijks vanaf de tv en uit de Noord-Amsterdammer, via de radio en de bedrijfskantine toe, en het zegt dat het slecht gaat in het land. En dat ze daar eerlang de gevolgen van zullen ondervinden.
Het is kwart over vijf.
Een scheepsbel klinkt, een pont vertrekt van achter het Centraal Station en vaart terug naar Noord. De mensen aan boord hebben hun vaste plek weer opgezocht en volbrengen de overtocht zwijgend.
Dan reppen ze zich naar huis.
Na het avondeten zetten ze de tv aan. De politicus die daarop het woord voert verstaan ze niet.
Dat is nog niet het ergste.
Erger is dat de politicus die het woord voert niet begrijpt dat hij hún taal allang niet meer verstaat.
U las het dragende verhaal van de op 7 november 1981 verschenen kleurenbijlage De pont van kwart over zeven. De tijdschriftproductie was gelardeerd met korte interviews met de pontvaarders. Mocht u die ook nog digitaal beschikbaar willen hebben, stuurt u mij dan vooral een mailtje.

Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.