‘De bestuurders van lijn 16’ van Elma Verhey (1951-2019) en Gerard van Westerloo stond op 29 september 1984 in de kleurenbijlage van Vrij Nederland. De foto’s bij het verhaal werden gemaakt door Willem Diepraam. Diepraam was nadien ontevreden over het resultaat en heeft de foto’s weggegooid. Bij deze herpublicatie staan daarom foto’s uit het archief van Hollandse Hoogte.

‘Een bestuurder die nog naar kaartjes vraagt, die heeft de zwarte band karate’

Tussen het Centraal Station en het Olympisch stadion rijdt tramlijn 16 op en neer, zes kilometer, het record is twaalf minuten.
Per dag vervoert lijn 16 bijna 20.000 passagiers, vol­gens de bestuurders onder te verdelen in nors zwijgend bankpersoneel, zwartrijders, messentrekkers, chagrij­nen, zenuwlijers, voetbalfanaten en de vaste passagiers, ‘een nachtzuster, die geeft altijd een snoepje.’
Elma Verhey en Gerard van Westerloo zochten de 28 vaste bestuurders van lijn 16 thuis op. Als het met ze gaat, zoals het gemiddeld gaat met de Amsterdamse trambestuurders, dan halen drie van hen hun pensioen en zijn er veertien afgekeurd, voordat ze 47 jaar wor­den.
Trambestuurder op lijn 16 in Amsterdam: ‘Als ze me morgen ontslaan, ben ik overmorgen zakkenroller.’

‘Ik stond met een paar collega’s voor het Cen­traal Station, dubbel hebben we gelegen. Piet, ook zo’n moordgozer, had in zijn wagen een blindengeleidestok gevonden. Hij komt ermee naar ons toe en zegt: “Geintje.”
Wij wachten een paar minuten, zijn tram loopt aardig vol.
Hij zet een zonnebril op, we nemen hem met twee man tussen ons in, hij met die stok op de grond tikken en wij maar zeggen, pas op, hier is een stoep, voorzichtig, daar loopt iemand. We doen de deur open en hijsen hem de trap op. “Hier zitten de knoppies, voel maar. Kan je bij de pedalen? Voorzichtig rijden hoor.”
Piet gaat op zijn stoel zitten en wij draaien ons om.
Hele tram leeg.’

Want het vervoerbedrijf mag geleid worden door een verzameling ruisvoorns, de passagier in het algemeen mag een agressief chagrijn we­zen en de stad in het bijzonder een dependance van Meerenberg, onderling, de vaste ploeg van lijn 16, nee echt, ze véchten ervoor om erbij te mogen. ‘Trouwens, het is de enige lijn waar op het dagje uit de vrouwen méégaan.’

Advertentie

Advertentie

In memoriam: Elma Verhey (1951-2019), strijder voor ‘ons soort mensen’ 14 januari 2019

Als ze onderling zijn, zijn ze met achtentwintig man en nul vrouw. Een paar rijden tijdelijk niet, want zitten in de mutatie: op kantoor vanwege hun rug of in de remise vanwege een bedlegeri­ge vrouw thuis. Met vijfentwintig van hen heb­ben we gesproken, voor ons in werk-, voor hen in vrije tijd, altijd bij hen thuis, en meestal in het bijzijn van hun echtgenote. Het verhaal hieronder is hun verhaal.

Aandacht voor de passagier

‘Vroeger was ik artiest, zeg ik altijd, nou ja, assistent-toneelmeester en officieel ben ik bank­werker. Dat toneelgedoe is leuk voor als je vrije jongen bent, bij Mies bleef het rustig, met Kiss werd het een puinbak. Ga je ermee door, dan maak je je eigen kapot. Dus toen heb ik een bon voor de tram ingestuurd. En nu zit ik zes jaar hier, en al vier jaar vast op de 16. Lekker druk, op de 6 val ik in slaap. En ik rij gewone mensen, op de 24 krijg je dat uit de hoogte ge­doe van, bestuurder heeft u een couponnetje voor me. Als ik klachten heb, komt het van de 24. Kan ik bij u een ticket kopen? Nee me­vrouw, dan moet u op het vliegveld wezen. Diep beledigd. Ik zeg, kusje, kusje, om het goed te maken. Gelijk een brief eroverheen en ik moet bij de chef komen. Ik mocht het nóóit meer doen en zeker niet daar. Of mijn rol is stuk, er staat alleen 24 voorop en geen Centraal Station. Vraagt zo’n streepjespak op de halte: welke kant gaat u uit? Ik zeg, als u me effe helpt, dan lopen we samen naar achteren, rij ik hem te­rug. Hup, weer een brief. Ik ben ook maar een bestuurder, en ik zeg wel eens wat, op de 16 kan dat. Heb ik ’s ochtends mijn kacheltje aan, komt er een mevrouw binnen die zegt: “Wat stinkt het hier” . Ik zeg: “Wat neemt u grote stappen.” Schunnig natuurlijk, schiet zo mijn bek uit. Zij gelijk een grote bek terug. Ik zeg, gelijk heb je wijfie, opgelost. Dat kan op de 16.
Ik kan nou eenmaal niet als een dooie diender zitten rijden, maar het wordt moeilijk om dolle­tjes te maken. De mensen zijn zo agressief ge­worden als de kolere. Zeg je nou, doe effe die si­garet uit dan kan je een stoot voor je kieuwen krijgen. En als passagier onderling zitten ze er voor halfdood bij. Ik rij met een volle bak, en ik hoor niks. Dan roep ik wel eens: hé, rijd ik nou alleen of zijn jullie er ook nog? Je rijdt ze met zó’n porem naar hun baas toe en ’s avonds heb­ ben ze nog zó’n porem. Vooral het bankwezen is daar sterk in.
Je staat bij het station, hoeveel trams gaan er nou niet door de Vijzelstraat, nee allemaal in je volle 16. Staan ze als haringen tegen elkaar aan te zwijgen, tot in mijn deur toe.
Zeg ik tegen de buitenste, ken ik er nog bij? Nee, zegt hij, het is vol. Dus ik zeg, daar zitten de knoppies, je hebt het vast wel eens gezien, dus als jij hem nou rijdt, ga ik effe koffiedrinken. Geintje. Grote bek terug. Staan er vijf wa­gens achter elkaar, bestuurder, welke gaat het eerste? De achterste, mevrouw. Loopt ze daar nog heen ook. Bestuurder, gaat u naar het Con­certgebouw? Nee mevrouw, ik moet vanavond werken. Gewoon een geintje. Maar je moet op­passen, want als je je omdraait heb je een klacht te pakken.
Als Amsterdammer zijnde kan ik niet begrijpen dat het allemaal zo scherp is geworden. Een bestuurder die nog naar kaartjes vraagt, die heeft de zwarte band karate. En iemand uit de tram zetten? Voor roken, patat en ijs zou het kunnen. Begin ik daaraan, dan houd ik niemand meer over. Of beschonken en lazarus in de tram, vrouwen lastig vallen. Denk ik: zal ik gaan? Vooruit dan maar, ik ga. Hé fascist, want het was een Turk. Kan ik er wat aan doen dat het een Turk is, maar dan kom je gelijk op discrimi­natie. Daar gooien ze alles op en dat kan ik niet hebben. Het is een Turk, hij vreet knoflook en hij staat in mijn nek te wasemen. Ik zeg, ouwe, ga effe achterin zitten, je stinkt. Gelijk discrimi­natie. Flauwe kul. Had er een dronken kerel gestaan, had ik het ook gezegd. Alles wat jij glo­baal zegt vinden zij discriminatie. Je gaat naar achteren, je vraagt of iemand zijn sigaret wil uit­ doen, vragen zij: heb je dat vóórin ook ge­vraagd? Dus ik doe het niet meer. Het beste is gewoon blijven rijden, doorrijden, verstand op nul, schermpie voor, dan heb je het minste last. Maar leuk is anders, persoonlijk zeg ik graag ge­lijk wat ik denk, kan me niet donderen wat.
Dus nou zeg ik niks, ik doe niks, ik vraag nie­mand om zijn kaartje, ja opoe, die vraag ik al­tijd, heb je je kaart bij je, want ik weet, die heeft een jaarkaart. En ondertussen rijd ik dus met een hoop spanning. Lees nou eens op wat voor leeftijd wij doodgaan. Dat is het enige waar ik in die bladen op let. Het kan zijn dat er eentje overschiet maar ik zie er alleen maar van zeven­envijftig, achtenvijftig en negenenvijftig jaar.
Als je nou vraagt, wat is er leuk aan dit vak, dan zeg ik: je kan nog eens knokken. Als ik ’s och­tends om negen uur besluit dat ik zin heb om te vechten, kan ik om tien uur een pak slaag heb­ben. Geintje. Nee echt, ik zie me hier niet met pensioen gaan. Maar wat moet ik anders? Terug naar de fabriek zeker. Dat kan niet, want die is er niet meer. Komt er morgen een baas die wat anders voor me heeft voor dezelfde prijs, ben ik weg. Ik kan maar één ding doen, en daarmee krijg je dat ziekteverzuim omhoog. Als ik voel dat het niet gaat, blijf ik een paar dagen thuis. Van kantoor uit weten ze precies hoe het moet — die verzinnen toch allerhande acties? De actie kallum-an, want dat is beter voor mijn gestel. Op de 16 kan dat niet. Leg jij de mensen die de trein van vijf uur willen halen maar eens uit dat je bezig bent met de kallum-an actie. Voor mijn gestel is er maar één ding slecht: als ik om vijf over vijf aankom.
Of over de discriminatie, want daar beschuldi­gen ze ons ook van. Moesten we voor naar een cursus, krijgen we een filmpje te zien. Komen vijf passagiers binnen, ik als bestuurder pak er een tussen uit en vraag hem naar zijn kaartje — laat het nou een Turk wezen. Mag ik dus niet meer doen. Ben ik nou gek, of zijn zij het? Ik vraag nóóit iemand naar zijn kaartje en zéker geen Turk, en zeker niet alléén een Turk, want dan heb ik gelijk discriminatie aan mijn reet, en dat kost me mijn baantje, dus ik kijk wel uit. Maar zij van kantoor denken dat het wél zo gaat, en die vinden ons dus slecht. In het huisje roe­pen wij black beauty tegen een Surinaamse col­lega, of we zeggen, dag mijnheer De Bruin, en hij roept terug, ben je daar weer, De Wit of hal­lo, bloedzuiger. Dus nou is er een actiegroep op­gericht tegen de discriminatie in de huisjes, en wij moeten daarvoor naar een cursus, verplicht, want anders gaan we natuurlijk niet. En dan le­ren ze je dat je eerst tot tien moet tellen, en dan niks doen. Zo ben ik toevallig niet en bij een ge­wone Amsterdammer hoef je daar ook niet mee aan te komen. Die heeft gelijk zijn woordje klaar, de meesten willen ook iets terug horen. Op de cursus willen ze horen dat je agressief bent, dus als zij vragen, wat doe je als je een net-niet ongeluk maakt en die kerel in die auto roept ook nog klootzak, dan zeg ik dus: hem door het raampje trekken. Dat doe ik niet, maar dat wil­len ze horen. Dus dan kunnen zij onderling over dat antwoord nog wat discussiëren en ondertus­sen mag ik koffiedrinken. Of ze willen horen dat ik autoritair ben, en ze vragen hoe ik met mijn kinderen omga. Daarop heb ik gezegd: ik zal jul­lie iets leren. Dat kind zijn wij en autoritair is het bedrijf waar we werken. Die lui, het zijn net Jehova’s Getuigen. Ze willen je bekeren dat jij méér in het belang van de passagier gaat wer­ken. Als een engel zit ik achter het stuur, begrip op te brengen voor de passagier, die achter mijn rug de tent afbreekt. Ik moet een harnas aan­ trekken, ik moet denken, misschien heeft ie wel moeilijkheden thuis. Maar ik als bestuurder, ik kan niks hebben. Voor ons hoeft er geen een be­grip op te brengen, totdat er een van ons met de tafels begint te gooien.
Eén keer heb ik het gedaan ook, dat was lachen, echt aandacht voor de passagier. Er komt een vrouw de tram in, heel verhaal, ziekenhuis, moeilijk lopen, hoe kom ik nou in de volgende tram? Dus ik zeg, moedertje, help ik je toch ge­woon even in de volgende. Blijkt dat ze met de metro meemoet. Beloofd is beloofd, dus ik met haar al die trappen af. Ik kom terug. Negen trams achter me en de lijnchef boven aan de trap. Wat is dat, godverdomme, brult hij. Ik zeg, dat moet jij toch weten. Service aan de pas­sagier.’

De omslag van de kleurenbijlage van Vrij Nederland van 29 september 1984.
Van A naar B

Bestuurders van lijn 16 zeggen in het algemeen hun tram ‘nog slechts van A naar B te rijden, hoe heten die dingen ook alweer, passagiers’ kunnen ermee van het Centraal Station naar het Olympisch Stadion (en terug).
Materieelbreuk, ziekteverzuim en bevroren wis­sels niet meegerekend verlaat de eerste wagen om 05.48 uur de remise, de laatste is daar tegen 01.21 uur terug. Volgens de jongste tellingen zijn er dan, in de tussenliggende uren, 19.758 reizigers in- en 19.739 reizigers uitgestapt; het verschil verklaart wellicht waarom de bestuur­ders van een zwaar beroep spreken.
De verbinding wordt onderhouden door maxi­maal (in de winterspits) elf en minimaal (op de zomeravond) vier wagens, die over de zes kilometer rail, al naar het uur van de dag, tweeëntwintig tot eenendertig minuten mogen doen. Volgens de dienstregeling mag u zich, als u er een net gemist hebt, in afwachting van de volgende nooit langer dan een kwartier en nooit korter dan zeven minuten op de halte laten natregenen.

In de zomermaanden kun je beter dan van lijn zestien spreken van lijn sixteen; de voertaal ach­ter de cabine is dan Engels. Dat komt door de route, die het halve Amsterdamse hotelbestand aandoet en op het eindpunt de camping. In de winter trekt de zestien een gemêleerd publiek, met een overmaat aan bankemployés, die zich laten vervoeren van en naar hun werk in de Vij­zelstraat, die ook wel de ABN-straat genoemd wordt.

Vanaf het Centraal Station rijdt lijn 16 over het Damrak naar de Dam. De ‘vrije trambaan’ al­hier, een lichtelijk verhoogd weggedeelte, wordt door vreemdelingen niet zelden voor een beschermd voetpad, door vrachtwagens voor losplaats en door automobilisten voor uitwijkhaven aangezien, zodat de bestuurders eerder van een permanente kermisattractie spreken dan van de rustige doorrijmogelijkheid waarvoor de baan bedoeld is. Het Rokin is doorgaans in ver­bouwing en levert dus minder moeilijkheden op voor de trambestuurder dan voor de man achter de drilboor.
Via de Munt, die vanaf oktober aanstaande voor ruim een half jaar onder behandeling komt, voert de route door de Vijzelstraat naar het We­teringcircuit, het centrum uit, de Pijp in. Op de hoek van de Ferdinand Bolstraat en de Albert Cuyp gaat de concurrentie van lijn 24 (‘een kou­de kaklijn’) en lijn 25 (‘telt niet mee, komt van de remise Lekstraat’) rechtdoor. Als lijn 16 linksaf zou gaan, dan zou hij, wat ooit gebeurd is, ont­sporen en de drukste straatmarkt van Nederland binnenrijden; om te beginnen de haringkar van de gezonde apotheker.
Hij hoort rechtsaf te gaan, waar hij het leukste stuk (driehonderd meter) van de route bereikt: het verlengde van de Albert Cuypstraat. Op de hoek van de Frans Halsstraat onderhoudt meni­ge bestuurders een contact waarover we, hoe kuis ook, beloofd hebben geen nadere medede­ling te zullen doen in verband met huwelijksontwrichting. Doorgaans hebben ze er alle tijd voor. Met name de bezoekers van de vele Suri­naamse eethuisjes hier zien de trambaan aan voor het dooie lijntje Paramaribo-Onverwacht, dat ze toch ook als parkeerplaats gebruikten. Na de Albert Cuyp komt 16 in de betere buur­ten, waar om te beginnen de bezoekers van het Rijks, het Stedelijk en het Concertgebouw ge­lost worden en verderop de hotelklanten. De De Lairessestraat en de Krusemanstraat zijn recht, breed en lang. Hier is het de kunst om op de stoplichten en gemiddeld vijftig te rijden. Bij het Haarlemmermeerstation rijdt 16 langs zijn thuishaven, die dan ook remise Havenstraat heet. Daarna linksaf over de Amstelveenseweg naar het stadion en het eindhuisje. Wie daar binnen twintig minuten aankomt, heeft te hard en wie er na een halfuur nog niet is heeft te lang­zaam gereden. Het eindhuisje wordt gedeeld met de collega’s van lijn 6, naar verluidt een dooienlijntje, waarop een bestuurder per etmaal ƒ 12,45 omzet.
Tien minuten pauze. Daarna vice versa.

Post

Door zijn collega’s wordt hij op handen gedra­gen: altijd bereid om een dienst over te nemen. Hij is de meest ervaren bestuurder van lijn 16. Volgens de lijnchef is hij ook de beste. Nooit ziek, nooit te laat, nooit een klacht. Een rijstijl om een puntje aan te zuigen. Zelden een aanrij­ding.
Thuis heeft hij een grote kast. Daarin ligt, keu­rig geordend, een enorme stapel enveloppen en drukwerk. De afzender is steeds dezelfde: het Gemeente Vervoer Bedrijf Amsterdam.
Alle enveloppen zijn ongeopend. Om al het drukwerk zit het wikkel nog.
De bestuurder is vast van plan zijn verzameling bij te houden totdat hij gepensioneerd wordt. Die dag zal hij alle enveloppen en alle druk­werk, stevig bijeengebonden, in dozen verpakt, naar het Gemeente Vervoer Bedrijf terugzen­den. Daarna is het bewijs geleverd. Al die post was overbodig.

De vaste ploeg

Met achtentwintig man vormen de bestuurders die wij gesproken hebben de vaste ploeg — een enkeling onder hen rijdt al sinds mensenheuge­nis op lijn 16. Men kan ze onderverdeeld zien in de ouderen (5) die nog als conducteur op de loopwagen zijn begonnen en de jongeren (de rest) die allemaal een ander beroep hebben uitgeoefend voordat ze bij de gemeente zekerheid en bij de tram vijfhonderd gulden méér kregen. De laatste bestuurder is vier jaar terug in dienst gekomen — sindsdien moeten er bestuurders af, en is er niemand meer bijgekomen.
De vroegere werkkring van de jongste lichting is tamelijk verscheiden. Grosso modo wordt lijn 16 dezer dagen gereden door een ex-timmerman, drie ex-metaalbewerkers, een voormalig employé van de Amro Bank, een idem van KNSM, een ex-bandenmonteur, een ex-giroloper, een ex-banketbakker, een voormalig assistent-toneelmeester, een ex-vrachtchecker, een ex-confectioneur, een ex-meubeltransporteur, een ex-filiaalchef van De Gruyter, een ex-isoleerder, een ex-elektromonteur, een ex-autoverhuurder, twee ex-bouwvakkers, een ex-melkboer en een gewezen ober.
Twee bestuurders zijn ouder dan vijftig jaar. Drie zijn er jonger dan dertig. Met zijn allen hebben ze er, gemiddeld ruim negen jaar op de 16 op zitten.

De laatste bestuurder is vier jaar terug in dienst gekomen — sindsdien moeten er bestuurders af, en is er niemand meer bijgekomen.

Ze werken in wisseldienst en op, voor burgers, onmogelijke uren, wat door de meeste bestuur­ders zelf leuk (‘kerstochtend met een lege wagen door de lege stad, heerlijk’) gevonden wordt en door hun echtgenotes minder — ‘hij zal verdom­me ook nóóit eens thuis zijn met mijn verjaar­dag’. De roosters worden, verdeeld over zomer en winterdienst, zéér lang van tevoren bekend gemaakt, zodat bestuurder Klapmuts nu al weet dat hij op vrijdag 24 mei 1985 dienst 23 heeft, op welke dag hij dus om acht minuten vóór half­ zeven uit de remise Havenstraat weg moet rij­den, en om zeventien óver vijf de wagen bij het eindpunt stadion aan een ander over mag geven. Langenberg heeft volgend jaar vakantie van 10 tot en met 24 juni, met oud en nieuw is Palte vrij.
Voor de onregelmatige diensten worden, behal­ve toeslagen in geld, ook extra verlofdagen uit­gekeerd, die deels in het rooster ingebouwd zijn en deels vrij mogen worden opgenomen — als de dienst het toelaat. Het zinsdeel achter het streep­je zal in dit verhaal zo niet de hoofdrol, dan toch de eerste bijrol spelen.
Over de diensten zelf verschillen de ouderen en de jongeren van mening. Volgens de jongeren worden die steeds rotter — ze wijzen daarbij op een vrije zaterdag die ze recentelijk hebben moe­ten inleveren. Volgens de ouderen moeten ze niet zo uit hun nek lullen. Zij hebben het nog meegemaakt dat je, bij wijze van spreken, met opgaande zon uitreed en na cafésluiting binnen­ kwam. Toen stond de bestuurder nog achter zijn draaiwiel; na harde strijd hadden ze een paardenzadel op een stang gekregen. Hoewel de deur in die dagen openbleef, scheen er zelden ie­mand ziek te worden, en dat terwijl er in de Leidsestraat nog auto’s reden, zodat er helemaal geen doorkomen aan was. Maar ja, dat is waar, je had het publiek mee. ‘Wat doe je dame, ga je met mij mee of zoek je de restauratiewagen?’
Dat kon toen nog.

Is een bestuurder ziek of anderszins verhinderd, dan neemt een lid van de reserve zijn dienst over. In vroeger jaren was de kantine van de Ha­venstraat Amsterdams grootste klaverjasclub. Nu er van Den Haag bestuurders af moeten, wordt het er soms akelig stil: ook die omstandig­heid speelt een rol in dit verhaal. De reserves wachten tot hun naam wordt afgeroepen. Er is de vaste reserve, die alleen op één bepaalde lijn komt, de rayon reserve, die alleen op de lijnen van één remise komt en de algemene reserve, die op elke tram kan worden ingezet. Elke reserve droomt ervan om ooit vaste bestuurder te wor­den — nu er bijna niemand meer durft weg te gaan wordt die droom voor menigeen onder­hand een nachtmerrie.

Los van zijn toeslagen heeft de bestuurder een karig inkomen; met (onder andere) zijn onregelmatig-werktoeslag, zijn gebroken-dienst-toeslag, zijn rijdend-personeeltoeslag en zijn overwerktoeslag komt hij, netto, gehuwd, en met twee kinderen, op circa 2.350 gulden per maand uit, waarvan hij zelf een gedeelte van zijn ziektepremie moet betalen. Om auto, koophuis, schoolgaande kinderen en de bouvier Bianca te kunnen onderhouden moet een forensende be­stuurder al wel over een meewerkende vrouw dan wel over bijklussen beschikken.

Ook onder trambestuurders heeft de stadssane­ring toegeslagen. Van de vaste bestuurders van lijn 16 wonen er nog maar negen in Amsterdam tussen IJ en Amstel, zes zijn er naar de buiten­wijken, vooral Noord, verdreven en dertien bui­ten Amsterdam: de verste naar Hoorn, de rest bij Aalsmeer of Purmerend.

Over één ding zijn ouderen en jongeren het wél eens: de pest van de gebroken diensten. In de spits zijn er meer trams en dus bestuurders no­dig dan op de rustige momenten. Het komt dus voor dat een bestuurder van zeven tot elf uur moet rijden, daarna tot halftwee vrij heeft, en dan tot kwart over vijf weer aan de slag moet. Voor de meesten zit er niet veel anders op dan die vrije uren te verlummelen, waarna ze, dood­moe daarvan, aan deel twee beginnen. Daarte­genover staat de gouden week, die eerst een vrij weekend, dan twee werkdagen en dan weer vier vrije dagen achtereen telt. Bijna elke bestuurder probeert op die twee tussendagen die hij wél moet werken verlof op te nemen. Het feit dat hem dat, sedert de bezuinigingen, als regel ge­weigerd wordt, leidt rechtstreeks tot het wezens­kenmerk van de Amsterdamse trambestuurder, die van lijn 16 incluis: hij zegt barst maar en blijft thuis.

Ontiegelijk hard

‘Wij kennen dat nog, dat in de bocht die tram opvangen. Vol eropaf, op tijd remmen en in de bocht schakelen, kijk dat noem ik rijen. Die jon­ge jongens kennen dat niet meer, die hebben meer dat langzame. Ik rij op tijd weg, ik rij dóór en ik kom vier minuten voor mijn tijd bij het station, lekker tijd voor mijn sigaretje. Ik rij wéér op tijd weg, kom ik mijn opvolger pas te­gen bij de Prinsengracht! Maar ja, wij hebben het nog geléérd. Negen weken opleiding en goeie instructeurs.
Ik rij zelf ontiegelijk hard, maar zo dat je bij mij, als passagier zijnde, niet omvalt. Die macht heb­ben wij ouderen nog. En toch maar twintig aan­rijdingen in tweeëntwintig jaar, en maar één keer eruit gelopen. Dertig december 1980, heb ik een foto van. Sta ik met de 757 dwars over het Weteringcircuit, met mijn neus in de rond­vaartboot naar Ouderkerk. Die bocht, dat ging goed, en ineens was die tram weg. Ik zeg dus: die tram was rot.
Zeggen die jongeren dat wij te pittig rijen, want die willen klagen over de rijtijd. Ik zeg: er is rij­tijd zat. Maar dan moet je wel kennen rijen. Ik heb De Lairessestraat altijd groen. Ik weet pre­cies hoe laat die lichten opengaan, daar rij ik op. Moet ik een lichie pikken, dan ben ik kleuren­blind. Ik weet precies waar de slechte passagiers zijn, daar rij ik dóór. Emmastraat, Obrechtstraat, dat schorem dat een halte meegaat om aan de noodrem te trekken. Hou ik allemaal re­kening mee.
Kijk nou eens hoe die jongere bestuurders bij de halte komen! Heeft het geregend, schieten ze door, moeten ze extra remmen, blokken trap­pen. Kan ik geen rijen noemen. Maar ja, dat van ons, dat willen ze niet meer. Het moet langza­mer en dat ken ik nou net niet.
Ik zeg dan op mijn beurt: ik rij niet alleen pittig, ik ben ook veel gauwer bij de halte weg, en daar ligt het aan. Is mij zo geleerd. Passagiers opne­men en tóch op tijd wegkomen. Kan je dat niet, sta je een kwartier. Komen er Amerikanen bin­nen, moet ik ze uitleggen waar het Rijksmu­seum is. Heb ik mooi geen tijd voor, ik rij op de stoplichten. Dus ik doe gewoon de deur dicht en ik druk op het knoppie, weg. De nieuwste sport is nou dat je je hand moet opsteken om mij te la­ten stoppen bij de Keizersgracht. Doen ze dat niet, rij ik dóór. Heb ik tenminste die lui van de ABN niet. Mijn record is twaalf minuten van het stadion naar het station, maar dat was een weddenschap. Zó rijen, dat ken Eddie nog en dat kan ik nog, als enigsten.
Nou nog steeds, als ik bij de rayonchef kom, be­gint die over het Weteringcircuit. Dat ik mijn passagiers heb omgekocht. Ze hebben allemaal gezegd: hij heeft rustig gereden. Maar gelooft zo’n geitebreier dat? In dit bedrijf is het zo, de tram deugt altijd, de passagiers zijn engelen, alleen de bestuurder, die is verkeerd, vooral de oudere bestuurder.
Ik kan toch niet nóg langzamer rijden? Moet je dan het gekanker van de passagiers horen! Nou kan mij dat niet schelen, ik draai toch al die bin­nenspiegel weg, dat ik die chagrijnige porems niet hoef te zien. Maar evenzogoed zit ik wel met een pilletje op de bok, valium maar dan zo dat je er niet suf van wordt. Heb ik sinds die zelfmoord op lijn 1. Ik rij vijftig, vrije trambaan op de Overtoom, het regent lekker, de lampen hangen naast de baan, ik zie een schim, ik gooi alles erop wat ik heb, en het was gebeurd. Oude vrouw, morsdood. Ik had natuurlijk gelijk moeten janken, schreeuwen, bieren. Maar de tram moest dóór, dat was het belangrijkste. Op de loopwagen heb ik er ook een hartstikke dood ge­had. Liep tussen twee wagens in. De dokter zegt: ga jij maar eens veertien dagen lekker vis­sen. Ik kom terug, ligt die tekening met dat bloed nóg op straat. Was ik gelijk wéér weg, weer veertien dagen.
Die twee waren de erge, de rest is blikschade. Zie ik een aanrijding aankomen, eentje met blik­schade dan, ik ga er zó in. Gooi je alles erop, dan heb je in de tram meer gewonden dan daar­ buiten. Ik doe er niks meer tegen. Laatst nog, de dochter van mijn dokter. Duikt met haar auto een meter, twee meter voor me, hup, bij De Bijenkorf de baan op. Dan doe ik niks meer, ik zet ’m erin. Je hebt géén gewonden in de wagen, je hoeft niet te schrijven, zij is fout, dat is duide­lijk. Ik ben niet zo’n makkelijke.
Ik zit nou al maanden thuis met een tennisarm, kan je nagaan dat ik in die tweeëntwintig jaar heb gereden. Ik heb mijn benen onder me en mijn voeten op het pedaal, ik zit zo hoog moge­lijk en kaarsrecht. Kennen de jongeren niet meer. Er rijdt er een op 13 met zijn benen op het dashboard, kijk dat bedoel ik nou. Je hebt nog wel vaklui onder de bestuurders, maar het zijn er niet veel meer.
En wat je meekrijgt, laat ik mijn mond maar houden. Ze komen binnen met zó’n porem, en dan wél vragen of ze er bij mij uitmogen. Blijf ik mooi zó zitten, ik kijk lijnrecht voor me uit. Van de week nam een mevrouw het voor mij op. “U kan toch lezen, hier geen uitgang.” Doet me dan weer goed, die mevrouw, ook een van de ouwere garde. Want de jongeren, ik zeg niks meer. Vriendelijkheid is er niet meer bij. Ze leggen een kaart voor je neer en ze zeggen geen stom woord. Of een tientje. Zeggen ze niks, stempel ik een dagkaart. Is dat een geintje? vragen ze. Nee, een gebbetje. Ik ben geen automaat waar je een gulden ingooit en uit zijn kont komt een kaartje. Gewoon een geintje, mag niet meer. Komt er een mevrouw op de wagen, bestuur­der, kan u me effe prikken? Zeg ik: moet u om halfzes terugkomen, dame, want dan ben ik klaar met mijn werk. Zij dubbel van de lach, toevallig een leuk echtpaar. Zal ze een brief schrijven! Als bestuurder zijnde moeten wij van het bedrijf uit recht voor ons uit kijken, kaartjes verkopen en rijden. Ik heb wel gereden met een kerstboompje verlicht voor in de wagen. Mocht niet. Een bestuurder van lijn 1 is met een stip­peltjesoverall in die stippeltjestram gaan zitten. Mocht niet, werd er bij het Leidseplein afge­haald. Nee dan vroeger, met de bijwagen! We hebben er wel een loper in gehad en een pot­kacheltje op het achterbalkon. We namen brom­fietsen mee en hele bankstellen voor Piet zijn tuinhuis, gevonden bij het grofvuil. Toen kon je nog lachen. Maar je reed ook met drie man. Nu ben je alleen en de passagiers zijn tegen je. We hebben wel gehad dat er een thee mee had in een Grolschflesje. Ik bij het Centraal Station zwaaiend met die fles aan mijn mond de tram in. Kijk, dat kon toen nog. Willem Rietveld, ook zo’n ouwe gabber. Heeft wel eens twee haltes naast zijn tram gelopen, zogenaamd dat ie hem duwde! Die heeft een hartaanval gehad en is dood.
Wat heb ik aan die tweeëntwintig jaar overge­houden? Die tennisarm en dat ik agressief ben. In het ziekenhuis zeggen ze dat ik maar béter een paar sigaretten kan roken, dan is het minder. Dat Damrak, daar wen ik nooit aan. Als dat één lange gele banaan is alleen maar door die rotbussen voor de rondvaartboten; en dan moet je nog maar zo’n klein rotstukkie naar het sta­tion. Ik kan het niet helpen, ik ben van de ouwe stempel: daar maak ik me iedere keer kwaad over.’

Donkergrijs rijden

Voor zover dit verhaal óns verhaal is, begint het op een warme zomerochtend in de portiersloge van de remise Havenstraat. De eerste trams zijn net de deur uit. Eén voor één druppelen de bestuurders binnen.
Een vroege zit tegenover de portier koffie te drinken. Een pluk collega’s tekent de presentie­lijst.
‘Wie wil er lootjes kopen voor de kerstloterij?’ roept hij.
‘Man, zeik me niet aan mijn kop.’
‘Weet je wat de hoofdprijs is?’
‘Wie heeft het nou over Kerstmis? De mussen vallen van het dak.’
‘De hoofdprijs is een toegekende dag verlof.’
‘Wat? Kom op! Tien lootjes.’

De dienstdoende lijnchef Van Eekelen mompelt iets over grijsrijden en wij begrijpen dat het weer mis is. Als er normaal gereden wordt gaat dat via het gele rooster. Voor de stillere dagen is er het witte rooster — elke lijn een wagen min­der. Een grijs rooster bestaat niet. Als het tóch gereden wordt, is het hommeles.
‘Donkergrijs,’ zegt Ome Jan, de nachtportier. Zijn dienst zit erop en hij pakt zijn tas in.
‘De Lekstraat hoef je ook niet meer te bellen,’ zegt hij tegen zijn vervanger. ‘Die komen zelf mensen te kort.’

Als om kwart voor zeven de laatste wagen uit­ rijdt kan de balans worden opgemaakt. Acht wa­gens zijn binnen blijven staan, omdat er geen bestuurder voor is komen opdagen. Lijn 16 rijdt met twee trams minder dan normaal.
‘Als je ze wilt spreken,’ zegt de vervanger van Ome Jan cynisch, dan moet je niet mar hun huis bellen. Je kan beter gelijk bij de camping langs­ gaan.’

De zaak escaleert nog verder.
Een slimmerik van lijn 24 blijkt wagen 638 mee­ genomen te hebben in plaats van wagen 683. En wagen 638 is kapot. Lijnchef Van Eekelen wil er onmiddellijk heenrijden, maar de dagportier houdt hem tegen.
‘Ben je gek? Maakt toch niets meer uit.’
Hij pakt papieren en gaat daaruit cijfers overschrijven.
‘Wat doe je?’ vraagt de lijnchef.
‘Mijn verlofdagen tellen.’

Later op de dag draait de dienst weer tamelijk normaal: dan zijn de dagreserves ingedeeld.
Maar de ochtend herhaalt zich de volgende dag en de dag daarna. Acht wagens binnen betekent: vijftien bestuurders niet op komen dagen — ze­ven worden er tussen vijf uur en zeven uur toch al in reserve gehouden.
De ochtend heeft zich de hele zomer van 1984 door herhaald: lichtbeelden bij het verschijnsel barst maar.

Vroeger had Amsterdam ontzettend veel bestuurders in reserve: de klaverjasclub. Toen ging Den Haag zich ermee bemoeien. De over­bodige reserve moest afvloeien. Den Haag en Amsterdam kwamen overeen dat het vervoerbe­drijf voldoende reserve mocht aanhouden om zestien procent ziekteverzuim op te kunnen van­gen. Dat is één.
Bestuurders hebben, ter compensatie van hun weekenddiensten, een aantal verlofdagen, die ze in principe mogen opnemen wanneer ze daar zin in hebben. Dat is twéé.
Eén en twéé samen leveren geen problemen op zolang de reserve omvangrijk is (zoals vroeger) of zolang het ziekteverzuim onder de zestien procent blijft (zoals nu soms, op regenachtige dagen).
Stijgt het ziekteverzuim daarbovenuit, dan is de reserve op.
Gevolg: het verlof wordt geweigerd.
Dat kan een paar keer gebeuren.
Gebeurt het te vaak, dan is er voor een bestuur­der persoonlijk maar één oplossing: hij vraagt geen verlof aan, maar hij meldt zich ziek.
Gevolg: het ziekteverzuim stijgt.
Gevolg: nog méér verlofweigeringen.
Gevolg: en zo ad infinitum.

Het is niet alleen maar literair om op te merken dat trambestuurders horen bij degenen die het maatschappelijk systeem draaiende houden.
In Amsterdam stokt het.

Foto: George Verberne/HH
De fatsoenlijken

‘Op de camping had ik een buurman die tram­bestuurder was, zo is het gekomen. Als ik begon was hij vrij, was ik vrij, dan was hij nóg vrij. Dus toen heb ik dat formuliertje ingevuld, voor een geintje eigenlijk. Als beroep had het mij nooit geleken, nogal belachelijk, vond ik, op en neer rijden. Maar toen ik van de verdienste hoorde! Ik heb dat formuliertje ingestuurd, de sollicitatie liep en werd afgerond, verder heb ik er niet bij nagedacht. Ik had leuk werk, bij Van der Meer, altijd blije gezichten, ja wat wil je, ik kwam de meubels brengen. Ik ging om halfacht weg ’s morgens en als het meezat was ik om elf uur ’s avonds thuis. En toch ging ik er bij de tram nog op vooruit!
Ik rijd nu negen jaar op de tram, in het begin ging ik echt met plezier. Als ik grieperig was ging ik toch. Ik dacht, het is de tram, die moet rijden. De laatste twee jaar denk ik, laat ze alle­maal de kolere krijgen. Ik ben gauwer ziek. Ik denk eerder: vandaag maar niet. Dat ben ik niet alleen. Dat is algemeen zo bij ons.
Waar het nou aan ligt, ik weet het niet. Niet aan de jongens onderling. Ik geef toe, er zijn er bij die rijden als beesten. Hoe minder mensen hoe beter, denken die, zo snel mogelijk terug in het huisje. Met die bemoei ik me niet. In het huisje ga ik ergens anders zitten. Ik ben zelf helemaal niet zo’n snelle jongen. Voor een oud vrouwtje dat meewil stop ik als het moet tussen de haltes. Dat vind ik nou leuk. En kinderen, die mogen bij mij gerust aan de knoppies komen. De meeste collega’s zijn net als ik: rustig, en dat merk je ook aan hun rijden.
Waar ligt het dan wel aan? Ik merk sinds een paar jaar, ik kom thuis en ik ben doodmoe. Binnen vijf minuten lig ik plat. Wordt er voor thuis dus niet gezelliger op, heb ik vroeger nooit ge­had. De kinderen doen niets bijzonders, ik maak me kwaad omdat ze te hard praten of rommel maken. Ik zoek dus eigenlijk iets om ruzie te maken en om eens flink te kunnen schreeuwen. Ja, waarom? Ik denk dat ik op de tram gezellig zit op te kroppen. Je doet wel alsof het je niks kan schelen, maar dat is dus niet zo. Sta ik stil achter een vrachtwagen, kan ik begrijpen, als het moet help ik lossen. Sta ik stil achter een deuk die een broodje is halen, blijf ik rustig wachten. Tenminste dat denk ik. Kwaad maken heeft geen zin. Maar ik bén wel kwaad. En dan krop ik het leuk op voor later.
Het komt hierop aan, denk ik. Als ík naast de pot pis krijg ik een schorsing. Maar aan wat je passagiers doen heeft het bedrijf maling. Zak­kenrollers in de tram? Ik mag er niet eens meer voor waarschuwen. Vandalisten? Het bedrijf laat ze lopen. Vroeger dééd je nog wat. ‘Dames en heren, ik waarschuw u, er zijn zakkenrollers in de tram.’ De mens is niet zo bijzonder, dat loopt nu eenmaal door de stad. Mag ik niet meer zeggen. En het publiek is alleen maar bang, een getuige krijg je niet. Als de dood dat ze later ge­pakt worden. Laatst weer een oude vrouw ge­rold. Iedereen ziet het, niemand zegt iets. Ik sta alleen en ik kan niks doen: pas als ik een getuige heb, mag ik de politie oproepen.
Dat krop ik dus op, maar ik kan het niet goed verkroppen. Ik haal ze er zo uit. Meestal zijn ze bruin, ze hebben van die plastic tasjes bij zich en daarmee zwaaien ze naar ons. Ik kan het niet helpen. Die bruinen worden erop aangekeken, maar ze zijn het ook die het doen. Drugs­verslaafden, denk ik. En ze spelen meer met messen, het gaat niet meer met blote handen.
Ik weet ook wel: er wordt zoveel verteld. Ik kan niet instaan voor wat een ander vertelt. Maar wél voor wat ik zelf meemaak. Ik ben met een mes bedreigd, door een Surinamer. Had in een andere tram iets gedaan, springt over in de mij­ne. Ik vraag hem om zijn kaartje, heeft hij niet. Ik zeg, vertrekken. Deed hij niet. Dus ik roep op dat ik moeilijkheden heb met een passagier. Komt hij met zó’n mes op me af. Wat dacht je? Wegduiken, het enige wat je kan doen. Hij springt door de voordeur en ik meld dat ik be­dreigd ben. Ze komen niet eens kijken. Is toch niets gebeurd? Ondertussen zit ik te beven, bij elke halte verwacht je hem terug.
Dat hangt me de keel uit. Pakken ze er een, mag hij even mee naar het bureau om een formulier in te vullen en dan weer naar buiten. Als ik me twee keer verslapen heb, moet ik bij de chef ko­men. Ik kan niks en ik mag niks. Dus ik probeer er maar niet meer naar te kijken, minder op te letten. Het raakt ook zo gewoon. Ik meld zelf ook veel minder dan vroeger. Maar het vreet wel aan me.
En nou kom je op een gedachte, vroeger wist je niet eens dat die gedachte bestónd. Waarom doe ik het nog? Eigenlijk ben je gek, dat je nog vroeg opstaat en naar je werk gaat. Met een uitkering en klussen verdien je méér. Die dat doen bren­gen wij met de tram trouwens weg. Daar erger ik mij aan. En aan die kraakacties, slopen de boel op kosten van die wél werken. Zelf blijven ze in hun bed liggen, alleen voor de demonstra­tie staan ze op. Dus nou kom je op de gedachte: ik zou ook wel eens thuis willen blijven, ’s Och­tends lekker naar de camping in plaats van naar de tram. Met de tram loop je toch maar vast in hun demonstratie, als er iemand niet kan poe­pen wordt er een demonstratie gehouden. Al­leen voor ons niet. Ik kan niks meer, ik kan mijn baas niet eens een grote bek geven, want dan ben ik mijn baantje kwijt. De maatschappij is niet zo best.
Misschien dat het daardoor komt. Vroeger ging ik stemmen, als ik niet kon, ging mijn vrouw voor mij. Zonde toch om je stem verloren te la­ten gaan. Nu ga ik niet meer, ik denk er niet meer aan. Zinloos.
Van je kennissen komen er ook steeds meer zon­der werk. En je hoort ook steeds meer, wat zou ik nog proberen? Niks doen bevalt best en ik klus er wat bij. Het probleem is de fatsoenlij­ken. Die worden de dupe.’

Het advies

De afgelopen zomer waren er dagen, waarop het ziekteverzuim onder Amsterdamse trambestuur­ders in de buurt van de dertig procent kwam. Of ziekteverzuim? Binnen het vervoerbedrijf spreekt men (directeur J.M. Ossewaarde) meer van arbeidsverzuim — daar gaan ze er ook van uit dat niet iederéén met een verantwoorde kink­hoest onder de wol ligt.
Er wordt nogal cynisch over gedaan — ‘er zijn er die bleek van hun vakantie terugkwamen, maar die tijdens hun ziekteperiode aardig zijn bijgebruind’; want als er een verschijnsel zó groot en zó beangstigend is, stort men zich graag op de enkeling aan wie men denkt te kunnen zien wat er aan de hand is.
De vorige zomer was het minder, maar niet an­ders, en de zomer daarvoor en daarvoor… laten we ons bepalen tot H.J.A.M. Divendal, perso­neelsfunctionaris, die zeven jaar geleden al een onderzoek publiceerde, waaruit bleek dat in 1975 het ziekteverzuim onder bestuurders 23,1% was en in 1976 nog iets hoger: 23,4%, dit alles nog zonder de tien procent bestuurders die meetellen op medisch/sociale gronden tijdelijk de bedrijfspost rondbracht in plaats van de wa­gen te besturen.
Het verschil met nu is, dat er in die jaren aan het verschijnsel niets gedaan hoefde te worden: Amsterdam had, vooruitlopend op tóén nog ver­wachte uitbreidingen van het net, erg veel reservebestuurders aangenomen. De dienst kan, bij wijze van spreken, met de reserve van de remise Havenstraat gewoon doordraaien, ook als in de remise Lekstraat de builenpest was uitgebroken. Een paar jaar later was dat anders. Het stadsver­voer in Amsterdam kost per jaar (althans kostte in 1981) 527 miljoen gulden en brengt per jaar (althans bracht in 1981) 81 miljoen op, zodat het Rijk er 446 miljoen op moest toeleggen, bijna drieëntachtig procent. Daar wilde het Rijk wel mee doorgaan — op voorwaarde dat het ziekte­verzuim omlaag ging, en dat de reserve werd uitgedund.
De reserve is uitgedund. Plotseling bleken de oudere bestuurders, vrijwel zonder uitzonde­ring, aan jicht, reuma, bijziendheid of een ver­bogen ruggengraat te lijden, zodat ze en masse de WAO werden ingewerkt. In 1981 bereikten drie bestuurders hun pensioen en werden er drieën­vijftig afgekeurd. Sedertdien worden er ook geen nieuwe meer aangenomen. Tussen 1980 en 1984 verminderde het aantal Amsterdamse trambestuurders van 1.017 (m/v) tot 921 (m/v). De bedoeling is dat het aantal nog tot onder de 900 zal dóórdalen.

Degenen die iets aan het ziekteverzuim hadden moeten doen waren de heren De Haan Onland & Brokerhof, adviesgroep voor structuur en samenwer­king in organisaties, want die werden er, eind jaren zeventig, bijgehaald als het eigentijdse antwoord op een uit de hand gelopen verschijnsel. De heren maakten er, in nauwe samenwerking met de me­dezeggenschapscommissie en onder toezicht van de ‘Stuurgroep ziekteverzuim GVB’, véél werk van. Ze legden niet minder dan 1.057 perso­neelsleden van het vervoerbedrijf niet minder dan 285 vragen per persoon voor, op grond waarvan ze tot een nauwkeurige weging konden komen van niet minder dan vierennegentig facto­ren, die huns inziens het ziekteverzuim konden verklaren. Aan het slot ervan stond vast dat de voornaamste factoren onder het rijdend personeel tram (zo heten trambestuurders in zulke onder­zoeken) met name de factoren 89, 16, 67 en 36 waren. Trambestuurders werden ziek, omdat (factor 89) hun werk geestelijk nogal inspannend was, omdat (factor 16) ze niet goed wisten wat ze aan hun chef hadden (dat klopte, want die was als gevolg van de democratisering juist afge­schaft), omdat ze (factor 67) te moe werden en te weinig rustpauzes kregen en omdat ze (factor 36) weinig invloed hadden op de uitvoering van hun werk, dat zich binnen voorgeschreven procedures voltrok (dat klopte ook, want de tram van 08.21 was, dient, sedert de oprichting van het vervoer­bedrijf, inderdaad op het voorgeschreven uur van 08.21 te vertrekken. Ook, maar van minder belang waren de factoren 6 (taakbreedte werk) en 49 (behoefte aan méér overleg).
Op grond van deze bevindingen kwam de ad­viesgroep tot een serie vergaande reorganisatieaanbevelingen (chef terug, méér overleg, méér zelfstandigheid voor de bestuurder, opdeling van het vervoerbedrijf in kleinere eenheden) die ook uitgevoerd werden.
Intussen is dus alles veranderd.
Op één detail na.
Het ziekteverzuim, waar het om begonnen was, is niet gedaald maar nog verder gestegen.

De goeie aard niet

‘Dat ík ruzie zou krijgen, ik ruzie, zeven jaar ge­leden kon ik mij dat niet voorstellen. Ik heb er knap spijt van dat ik toen weggegaan ben bij de KLM, het gaat nou weer goed daar. Maar ja, dat is achteraf. Toen dacht ik: op tijd wegwe­zen, als het kan naar de gemeente. Mijn vader is conducteur geweest dus ik ben naar het tramkantoor gestapt en ik ben aangenomen.
Misschien als ik onverschillig zou zijn, maar dat ben ik niet. Misschien heb ik niet de goeie aard voor trambestuurder. Ik heb altijd met mensen willen omgaan, deed ik bij de KLM ook.
Vracht. Daar vroegen de mensen gewoon om hun spullen en ze maakten een praatje. Maar op de tram. Ik zou het mij niet aan moeten trekken, maar het is me vies tegengevallen.
Er staat een auto op de baan. Je rijdt nog, en ze willen er al uit. Je staat stil en ze worden wild. Slaan het ruitje stuk om de deur open te krijgen. Vandaag had ik er eentje, ik moet eruit. U moet niks, u mag misschien. Ik wil fatsoenlijk behan­deld worden en niet agressief. Zeggen ze: die trambestuurder is zo agressief. Maar ze zijn het zelf. Ze komen binnen: stempel! Waarom zegt zo’n man dat zó?
En het ergste is: in de tram heb ik daar geen tijd voor, dus de pestbuien krijg ik thuis. Denk ik: zal ik er een paar weken tussenuit gaan? Kan ik toch ook weer niet waarmaken. Een paar dagen dan? Met mooi weer ga ik naar de camping, bij­komen.
Het is een zwaar beroep, vind ik, en er staat zo weinig tegenover. Het geld natuurlijk, daar doe je het voor en dat wordt ook minder. En voor de rest, zo’n groot bedrijf, ze doen niets om het voor ons bestuurders draaglijk te maken. Koffie tussen de ritten moet je zelf betalen. Als je lange pauze hebt en je wilt rusten zijn er in het huisjes geen stoelen genoeg. Even naar huis bellen kan niet als je buiten Amsterdam woont. Voor je uniform krijg je twee stoombonnen per jaar, lo­gisch dat je er zo bij loopt. Je kaarten en je wis­selgeld moet je onder je arm meenemen. Als het gestolen wordt ben jij verantwoordelijk en je bent niet verzekerd. In de kantine kan je een fri­kadel krijgen, maar geen fatsoenlijke hap. Klei­ne dingen, maar je krijgt toch het gevoel, aan mij laat de baas zich weinig gelegen liggen. Ik moet wél verplicht van hem vier dagen over een film praten, waarin ik iedereen laat lopen en al­leen die Turk naar zijn kaartje vraag. Dan snap ik het niet meer. Dan denk ik, wat zal ik mij aan de baas gelegen laten liggen?
En toch, als ik om halfzes weg moet ’s ochtends, dan ben ik om vijf uur al in de remise. Dat zit nou eenmaal in me. De wagen nalopen op het vangnet, de lijnfilms, het zand nakijken, de remblokken proberen, officieel heb je daar een paar minuten voor. Maar ik doe het graag goed en op mijn gemak.
Rij ik dan uit, stille straat, niks aan de hand, voel ik me prettig. Maar dan komen je passa­giers, mijn eerste opstopping, ze willen dat je er dwars doorheen gaat. Zit er een vóór me vast, zet ik mijn tram bumper tegen bumper voor de veiligheid. Klootzak, roepen ze, en ze klimmen eroverheen. Ik vraag me af, waarom? Mag het niet meer menselijk? In Zuid heb ik er een kind onder gehad. Ze stak zó over, ik bel, ik rem, het was gebeurd, ik reed dat gele jasje in. Mijn hart zat híér. Na een paar seconden zag ik het capuchonnetje weer omhoog komen. Het bedrijf vond het niet goed dat ik dat kind thuis op ging zoeken. Kon ik wel eens toegeven dat ik fout ge­weest was. Ik ben toch gegaan.
Naar mij zijn ze ook niet komen kijken, zó’n bedrijf, maar dat kon er niet af. Het kwam, ik vroeg of hij zijn sigaret wilde uitdoen. Hij geeft geen sjoege. Dus ik zeg, zou je het met plezier willen doen? Komt hij met dat mes. Ik ben ach­teruit teruggelopen tot ik bij het wisselijzer kon. Ik steek je overhoop, roept hij. Ik denk, daar ga ik, maar voor het zover is krijgt hij een zwieper. Op dat moment springt hij de tram uit. Ik ben naar de remise gereden en naar huis gegaan, paar dagen thuis gebleven. Niemand gezien.

In Zuid heb ik er een kind onder gehad. Ze stak zó over, ik bel, ik rem, het was gebeurd, ik reed dat gele jasje in. Mijn hart zat híér.

Wat voor iemand viel u aan? vragen wij.
‘Ik vraag iedereen om zijn sigaret uit te doen,’ zegt hij. ‘Kijk mij er niet op aan.’
Waarop?
‘Dat het een Surinamer was. Straks kost het me mijn baan als ik zeg dat het een Surinamer was.’
Dat meent u niet.
‘Je hoort het niet te zeggen.’
Van wie niet?
‘Je bent bang om voor racist uitgemaakt te wor­den. Er is nu een speciaal telefoonnummer, dat je kan klagen over bestuurders die discrimine­ren. We hebben er onderling in het huisje over gepraat. Wat we tegen jullie zeggen, komt in de krant. En wat gebeurt er dan met ons?’

‘Het is gebeurd op een zondagavond, een uur of acht. Zitplaatsen driekwart vol, zo’n vijftig man. Niemand dééd iets. Iedereen bleef gewoon zit­ten. En het bedrijf zegt, laat maar gaan. Behalve als de tram in de fik staat. Dan zeggen ze: waarom heb je niks gedaan?
Ik denk nu maar, het wordt betaald, daar doe ik het voor. Redelijk betaald nog, maar het staat stil. Alles hebben we aangeschaft toen mijn vrouw ook nog werkte, toen kon het. De cara­van, de auto, de meubels. Vorig jaar hebben we de auto weggedaan, met de trein en de bus naar de camping. Zo’n gesleep. Hebben we overwo­gen om ook de caravan weg te doen. Maar wat krijg je er nog voor? En dan zitten we hier op vier hoog. Dus toch maar weer een auto. Alles precies uitgerekend, geen overbodige dingen, veel gehakt, niet naar de bioscoop, dan red je het allemaal net. Ik heb die caravan nodig. Een paar dagen op de camping geweest, gaat het wel weer. Maar hoe dichter we bij Amsterdam ko­men als ik terugrijd, des te rotter ik me voel.’

De open vraag

Blijkbaar waren de factoren 89, 16, 67, 36 en in mindere mate de factoren 6 en 19 statistisch gesproken dus uiterst relevant, maar leidde hun organisatorische verwijdering toch niet tot ver­mindering van het ziekteverzuim.
Het kan dus haast niet anders, of er moest nóg een factor zijn, die de heren De Haan Onland & Brokerhof over het hoofd hebben gezien.
Die was er inderdaad: factor 95a, het feit dat de tram door Amsterdam rijdt.

Mogelijk uitgaande van de veronderstelling dat het gemeente vervoerbedrijf als zodanig daar weinig aan kon veranderen, beperkten De Haan Onland & Brokerhof zich tot wat ze de bedrijfs­gebonden ziekmakende factoren noemden — misstanden dus, die wél door het bedrijf uit de weg konden worden geruimd.
En zo betroffen de 285 vragen die het rijdend personeel tram voorgelegd kreeg uiteenlopende kwesties als de luchtverversing in de cabine, de stand van de stoel, de toegankelijkheid van het bedrijfsmaatschappelijk werk en de bezwaren, verbonden aan een zittend beroep.
Het moet gezegd: de antwoorden op die vragen zouden het werk van een trambestuurder, bene­vens de ziekmakende factoren daarin, uitput­tend hebben beschreven — als tenminste zijn tram niet in Amsterdam, maar door de weilan­den reed, als er onderweg geen mens zou instap­pen, als hij onder het rijden niet afgeleid werd door bijgedachten over een teruglopend inko­men en hoe daarmee het gezin draaiende te hou­den, dit alles in verhouding tot de buurman, die een uitkering heeft en bijklust, als, meer in het algemeen, de mens goed was, geen zakken rolde, niet in trambanken sneed en nimmer klootzak riep, het laatst wel tegen een bestuurder, dus als, kort en goed, de route van lijn 16 door El Paradiso voerde, in plaats van door de Albert Cuyp, waar die rotsurinamer die kleredeuk van hem weer eens op die zeikbaan heeft geflikkerd.

De belangrijkste bijdrage van De Haan Onland & Brokerhof tot begrip van het uit de hand gelo­pen ziekteverzuim was dus niet hun eindrap­port, maar het besef dat de resultaten daarvan er niets toe deden. Postuum voert de directeur van het vervoerbedrijf te hunner verdediging aan dat De Haan Onland & Brokerhof óók best be­seften dat ze met hun aanpak van de bedrijfsge­bonden factoren hooguit twee procent van het ziekteverzuim konden afkrijgen en dat ze daar nooit een geheim van maakten — behalve dan toch in hun publicaties.
Wij ondertussen mogen dus als vaststand aanne­men dat het geen bedrijfsgebonden, organisato­risch te veranderen kwesties zijn die de tramcabine leeg en de ziekenboeg vol houden, maar maatschappelijke factoren, welker beïnvloeding we inderdaad minder in handen van de direc­teur GVB als wel in die van de politiek hebben gelegd.

De Haan Onland & Brokerhof hebben naar die bezwarende omstandigheden heel even geluisterd. Na vraag 285 hebben ze, alsnog een open vraag gesteld. De antwoorden op die vraag konden in de statistische verwerking niet worden meege­nomen, zodat ze in het eindrapport, bij wijze van appendix, slechts terloops werden aan­gestipt. En uit die antwoorden blijkt dat ‘gewei­gerd verlof’ ook nog wel eens wil leiden tot een ziekmelding, evenals de gebroken dienst, terwijl vooral bij vertragingen de bestuurder zich door reizigers bedreigd kan voelen, wat naar alle waar­schijnlijkheid niet geheel zonder invloed is op zijn algemeen welbevinden, evenmin als de pro­blemen, verbonden aan het woon-werkverkeer, des te klemmender nu steeds meer bestuurders bui­ten Amsterdam wonen. ‘Het zou goed zijn als de­ze punten eens nader werden onderzocht,’ schrij­ven meergenoemde heren na anderhalf jaar on­derzoek.
Zo hebben ze alles waar, maatschappelijk gespro­ken, het hart en de mond van elke bestuurder van overloopt, uiteindelijk in een niet bedrijfsgebon­den voetnoot weggedrukt.

De voetbaltram

Op een warme augustusavond in het jaar 1984 spelen te Amsterdam vier voetbalelftallen, waaronder die van Ajax en Feyenoord, een vriendschappelijk toernooi in het Olympisch Stadion.
De tram heeft zich terdege voorbereid. De aan- en afvoer van de vele duizenden supporters is in handen gelegd van lijn 16, daartoe versterkt met negen extra wagens. Het heeft veel moeite ge­kost om die bemand te krijgen; het is zomer, het is vakantie en overdag waren er al niet voldoen­de bestuurders om de normale dienst te rijden. Maar het is gelukt: chefs staan met portofoons op de eindhalte en langs de route, vrijwilligers van lijn 2 hebben zich voor overwerk gemeld, lijn 6 zal als het nodig is de route van lijn 16 volgen.
De aanvoer verloopt vlekkeloos, ook al omdat de belangstelling voor het voetbal wat tegenvalt. Gelukkig is de Feyenoord-aanhang op station-Zuid gelost en vandaar te voet onder politie-escorte naar het stadion gebracht. Ze zullen de­zelfde weg teruggaan — minus die ene jongen die door een verdwaalde Ajax-supporter werd neergestoken, maar dat is een ander verhaal.
Tegen elven staat het einde van de laatste wedstrijd en dus de afvoer gepland. Lijn 16 is uitgerust om binnen een kwartier enkele duizen­den toeschouwers van het stadion de stad in te rijden. De extra wagens staan klaar in de vlakbij gelegen remise Havenstraat. De chefs staan weer met hun wagentjes en hun portofoons op de halte en langs de route. De bestuurders in het huisje hopen op een rustigstemmende overwin­ning voor Ajax, welke hoop, blijkens een aanrol­lende geluidsgolf om kwart voor elf, op het laatste moment vervuld wordt.
Dan is de wedstrijd afgelopen. In het schijnsel van de Stadionlampen zwelt een dichte stroom mensen door de stadionpoort naar buiten rich­ting tramhalte. De eerste wagen rijdt voor, neemt passagiers in en vertrekt. Een chef meldt dat alles rustig is. De afvoer komt op gang.
Vlak daarop klinkt, vanuit de dichte stroom mensen, een krijgsgehuil op, tamelijk ver weg nog, maar snel naderbij komend. De tweede tram vertrekt, de bestuurder steekt zijn duim op, niets aan de hand. Wachtenden verdringen zich op de halte, in de hoop een zitplaats te be­machtigen in de wagen die nu oprijdt.
Dan plotseling is het krijgsgehuil vlakbij. De wachtenden stuiven uiteen. Het krijgsgehuil neemt bezit van de halte en van de tram. On­middellijk gaat de binnenverlichting uit, buizen losgedraaid. ‘Ajax forever,’ brult een kluit jon­gens en meisjes en ze proberen de tram uit de rail te hossen. De blauweuniformen snellen toe, springen de tram in en slaan de hossende kluit met de bullepees naar buiten. ‘Vertrekken,’ zegt de politiecommandant tegen de bestuurder, die gehoorzaamt en leeg wegrijdt. De vierde wagen rijdt vóór —de uniformen zorgen dat Ajax for­ever niet in de buurt kan komen. De andere pas­sagiers aarzelen in te stappen. De vierde wagen rijdt nauwelijks gevuld weg.
In de zijstraat groeit ondertussen de stoelt extra wagens, die van de remise naar het stadion zijn gereden. Een nieuwe wagen komt op de halte, een moment van onoplettendheid en de kluit jongens en meisjes heeft er bezit van genomen. ‘Ajax forever’ — ze wachten tot de tram zich in beweging gezet heeft, draaien dan opnieuw de lampen los en hervatten het hossen. De bestuur­der krijgt, nog maar tien meter van de halte ver­wijderd, opdracht om te stoppen, hij kijkt recht vóór zich uit, bangelijk en klein in zijn cabine. Een zijruit barst uit de sponning. Dit keer slaat de politie alleen de staande passagiers naar buiten. ‘Doorrijden.’ De bestuurder rijdt weg, in de drukte gaat het maar heel langzaam. Schreeu­wende jongens klimmen ondertussen door de open ruit weer naar binnen. ‘Ajax forever.’ Een politiebusje dwingt de bestuurder tot stoppen, iedereen wordt nu de tram uitgeranseld. De bestuurder moet leeg door, en bij het Weteringcircuit draaien.
Op de halte bij het stadion ondertussen is geen mens meer te bekennen. Wie van plan geweest was om met 16 naar huis te rijden, heeft de ge­beurtenissen aangekeken, zijn schouders opge­haald, zich omgedraaid en is doorgelopen: de ene lege extra wagen na de andere rijdt vóór, dóór en terug naar de remise.
De chefs pakken hun portofoon in en vertrek­ken. Ze begrijpen dat het niet meer nodig is. De tram heeft die avond, ruw geschat, 270 mensen vervoerd.

Een kwartier later zijn de stadionlichten ge­doofd en is het plein even leeg als anders. Op de normale tijd vertrekt een normale lijn 16, als al­tijd op dit uur van de avond met maar een paar plaatsen bezet.
Op hetzelfde moment arriveert in de remise de gemolesteerde tram, bestuurd door een overwerker van lijn 2. Hij levert zijn wagen af bij de nachtploeg, die al met een nieuwe ruit klaar staat. De bestuurder meldt zich af bij de nacht­portier, hij zegt niets en gaat naar huis.
De dienstdoende lijnchef meldt dat alles rustig is. Hij gaat achter zijn bureau zitten en neemt de ziekmeldingen voor de volgende dag door.

De bewoonde wereld

‘Het komt door die man in Almere, mijn laatste klant van toen ik nog cv-monteur was. We drin­ken een pilsje, ik vraag, wat doe je? Tram­bestuurder. We komen op het inkomen, mijn ogen rollen uit de kassen. Dat was loon naar werken. Dus toen heb ik gesolliciteerd en tot mijn verbazing werd ik aangenomen.
Van me zelf ben ik geen Amsterdammer, ik ken­ de die hele stad niet. De eerste dag van de oplei­ding kwam ik een uur te laat, ik kon het gebouw niet vinden.
Toen mijn opleiding voorbij was wist ik niet veel méér. Ja, waar de knoppen voor waren en dat er 263 soorten kaartjes zijn. Dat werd uitge­legd op een bord zo groot als deze wand hier. Maar daar krijg je dus niet mee te maken. Je krijgt te maken met vader en moeder die met twee kinderen naar Artis moeten en die op tilt staan omdat ze daarvoor ƒ 7,85 moeten betalen. Of met zeventien Chinezen die een kaartje moe­ten. Mijn Chinees is niet zo goed meer, dus hoe leg ik die nou uit dat ze bij de sigarenboer effe een groepskaart moeten halen?
En van Amsterdam wist ik nog steeds niks, dus ik ging in het begin met een pakket boekies naar mijn werk, daar werd je stil van. Waar is het Wilhelminagasthuis? Waar is het Scheepvaart­museum? Vol vertrouwen stappen ze bij je bin­nen, wil je toch niet met je mond vol tanden staan. In die tijd, als er een instapte die zei, ik moet naar mijn hotel toe, het ziet er ongeveer zo uit, dan stopte ik bij elk hotel om te vragen of dit het was.
Dat is nou anders. Nou denk ik, over zes minu­ten komt er wéér een tram, vraag daar maar. Of ik zet ze af en ze bekijken het maar. Drie keer vragen of ze er nog niet zijn, de vierde keer zeg ik, ja hier is het, de groeten.
Het kwam zo maar: op een dag besloot ik, ik neem die boekies niet meer mee, ik lijk wel gek. Ja, waardoor?
In het begin dacht ik: de passagiers zijn mijn klanten, onmondige kinderen die willen dat ik ze netjes aan het handje thuis aflever. Dus dat doe ik, dat is mijn werk, leuk. Als verwarmingsmonteur had ik dat toch ook? Je moet iets lassen, je kan er niet bij, werken met spiegeltjes, vakmanschap is meesterschap, de boel weer wa­terdicht. Een moeilijke klus, toch weer gelukt: aan het einde van de dag kan je dan zo lekker tevreden zijn. Zo kwam ik ook op de tram, maar ik merkte, dat is niet de bedoeling. Ik kom als vreemde in Amsterdam, ik erger me mateloos aan de vernielingen, spul van de baas dat ze staan te slopen. Ik rij achter 12, ik zie dat ze ach­terin bezig zijn. Ik roep die 12 op, ik zeg, die met die rooie petjes staan achter in je wagen de boel te vernielen. Als je nou effe wacht, pakken we ze samen. Dat hoort de centrale. Heren, ge­woon dóórrijden, u remt de productie. O, denk ik, gaat dat zó hier. Kinderen onder de zestien mogen we vermanend toespreken, bij herhaling volgde een gesprek met de ouders. Snap je? Er gebeurt dus niks.
Zwartrijden idem dito. In het begin dacht ik: klanten moeten betalen, anders jatten ze van de baas. Dus ik wilde ze aanhouden, een bon ge­ven, eruit zetten. Was ook de bedoeling niet. Zwartrijden schijnt heel gewoon te zijn, nie­mand die zich daar druk over maakt. Dus dan ga je denken: waarom ik wél?
En dat gaat je steeds meer opvallen in die stad — ik kom van buiten, ik zie het verschil nog. Je passagiers stappen in, leggen geld neer en blij­ven gewoon wachten, geen woord. Ik vat dat niet. In een restaurant leg je toch ook geen geld neer en blijf je dan maar wachten tot ze je iets brengen? Of je staat vast, na een halve minuut beginnen ze al van kennen we er niet uit? Of precies andersom, je hebt een hele avond op de 6 gereden, dat is een dooie lijn, misschien 150 mensen op een avond, en die hebben allemaal als dooie vogeltjes achter je gezeten — je kan die tram gerust een halfuur stil zetten, vragen ze nog niet waarom, blijven ze doodstil zitten. Op het laatst ging ik met me zelf praten.
En dan merk je hoe onbeschoft de mensen in Amsterdam zijn. Je hebt een bijna aanrijding, nog net op tijd krijg ik hem stil, daar kan ik me ma­teloos aan ergeren, dat ze dan niet effe zeggen, hé, bedankt of, stom van me.

En zo verander je zelf. Echt een hekel eraan heb ik nog niet, de ene dag gaat beter als de andere. Kom ik nou ’s ochtends in mijn tram, de cabine in het kader van de bezuinigingen maar half schoongemaakt, de vuile vaat van de vorige dag nog in het huisje en een chef die begint met een partij gezeur, ja, als je dan als passagier begint te zeiken over een fout stempeltje, dan loop je kans op de wind van voren.
Ja kijk, en dan komt er die zondagmorgen bij de Spiegelgracht. Het is halftien, ik heb rood, ik laat mijn tram langzaam uitlopen, groen, ik trek op, een BMW. scheurt door rood, rost met volle vaart in mijn zijkant en drukt me de rails uit. Ik cross over het fietspad heen, ik zie die verkeerspaal op me afkomen. Tegen die paal sta ik stil. Ik tril op mijn benen, alles ligt door elkaar in de tram. Ik kijk naar die BMW, ik denk, minstens iemand met hoofdpijn. Ik druk op de noodknop, wat denk je? Geen contact. Achter me komt een 7, drukt ook op zijn noodknop, nog geen contact. Lijn 6 probeert het. Niks. On­dertussen zijn die lui van de BMW hem ge­smeerd op één na die een zware hersenschud­ding heeft. Blijken autohandelaren, die die nacht hun winst gevierd hadden, en die onver­zekerd met die BMW rondscheurden. Gaat het niet om, die ravage, je had het moeten zien, het gaat erom het duwde een kwartier voor ik con­tact kreeg met de centrale!
Daarna, dat moet ik erbij zeggen, ben ik goed opgevangen. De eerste keer dat daar wéér pas­seerde, verse sporen nog, trillende handen, raar gevoel. Later zag ik dat de chef met zijn auto achter me aan had gereden en dat vond ik ont­zettend aardig.

En dan komt, als klap op de vuurpijl, Ed van Thijn vertellen dat elke ambtenaar die discrimi­neert ontslagen wordt. Dat kan ik niet zetten.

Ik werk er nu vier jaar en ik begin te denken, barst maar. Ik wil mijn werk goed doen, zo fat­soenlijk mogelijk mensen van het stadion naar het station brengen en omgekeerd, als het kan zonder brokken: ik ben iemand, ik rem nog voor duiven.
Maar ik heb gemerkt, dat is niet de bedoeling, en verder mogen ze zich allemaal met ons be­moeien. Hoor ik op de radio de vakbond over het grote succes van de staking tegen de kernraketten: we móésten stilstaan, ons opgelegd door B. en W. Of je hoort dat de uitkeringstrekkers, die ochtend, ons uitrijden hebben voorkomen, want die waren solidair met ons. Ik heb geen uitkeringstrekker gezien, bonzen van de vak­bond, die wel. En dan denk ik: waar ben ik in beland, rij ik daarvoor? Laten ze zich druk ma­ken over mijn ouwe lui. Die hebben AOW en die kunnen de camping niet meer betalen. Heeft-ie zijn hele leven voor gewerkt. Hij heeft toch de welvaart gemaakt, waarvan zij die het nu voor het zeggen hebben profiteren? Ik noem het landverraders.
En dan komt, als klap op de vuurpijl, Ed van Thijn vertellen dat elke ambtenaar die discrimi­neert ontslagen wordt. Dat kan ik niet zetten. Er is geen één trambestuurder, die zegt, hé nikker, jij komt er niet in. Ik heb vervoersplicht, ik rij iedereen, ik discrimineer niet. Hij doet alsof wij dat wel doen. Ik kan het toch niet helpen dat het vaak Surinamers zijn die overal schijt aan heb­ben? Die hun ouwe wrak op de trambaan zetten en al zou ik dat ding in mekaar rijden, het GVB betaalt dus het is hun worst? Van Thijn staat daar niet, ik sta daarachter, ik kan vervelende ziektes krijgen en mijn voorouders hebben ook niet gedeugd. Ik kan dat niet meer hebben, dat trappen in onze richting en de zielige buitenlan­ders de hand boven het hoofd houden. Sta je dan nog wel in de bewoonde wereld, vraag ik mij af. Ik geloof niet dat zo’n man beseft wat hij aanricht met zulke woorden. Of wat het voor mij als trambestuurder betekent dat de zakken­rollers die ik rondrij van Van Thijn straks hun dagelijkse portie heroïne gratis mogen komen ophalen. Tegen die ouwe van mij zeggen ze: veertienhonderd gulden is best veel, in Bolivia hebben ze het nóg slechter.
Kom ik nou op de camping, vertellen die ande­ren die in hun oude vak zijn gebleven allemaal verhalen over wat ze gedaan en gemaakt hebben en tegen mij zeggen ze: jij moet niet lullen, wat doe jij nou, een beetje op en neer rijden. Heb ik vaak zitten zuchten, waar ben ik in godsnaam aan begonnen?’

De man achter de boom

Er is een tijd geweest dat een trambestuurder wist waar hij aan toe was. In beschrijvingen van die dagen komt steevast een uit graniet gehou­wen persoonlijkheid voor die lijnchef heette en met een stopwatch achter een boom verscholen stond om na te gaan of de tram van 12.42 ook inderdaad om 12.42 het Emmaplein passeerde; 12.43 kon hij nog door de vingers zien, 12.44 le­verde onherroepelijk een berisping op.
Daarna kwamen de jaren zestig — aan het eind ervan nam de tijdgeest ook bezit van de tram, sa­men met de woordvoerders van toen, die in het algemeen op een sociale academie hadden leren praten. Van het ene moment op het andere (ach­teraf) lezen en horen we niet anders dan dat het toen ‘slecht voorbereid’ en ‘van boven af opgelegd’ werd) bleek de tram gedemocratiseerd.
Ook trambestuurder moest gezien worden als een zelfstandig wezen dat verantwoordelijkheid kon dragen voor zijn eigen tram en medeverant­woordelijkheid voor de gang van zaken binnen het vervoerbedrijf.
Voor de man achter de boom waren de dagen geteld.
De sociale academie had hem als autoritair ont­maskerd. Bovendien was hij de drager gebleken van twee tegenstrijdige belangen, en dat kon niet. Hij moest zijn ondergeschikten op tijd ach­ter het stuurrad jagen én hij moest een open oor hebben voor hun noden en problemen, een combinatie waar ook Marx tegen gewaarschuwd zou hebben, als die zich in zijn dagen had voor­gedaan. Veel beter was het om die twee uit el­kaar te halen en om met name de noden en pro­blemen toe te vertrouwen aan een sociaal academisch geschoold oor, dat vrijelijk de trambestuur­der ter zijde kon staan, zonder hem, en passant, aan de dienstregeling te herinneren. De productieve kant van de zaak kon in wezen aan hem zelf worden overgelaten, waarbij hij zich gesteund moest weten door een centrale dienst­leiding.
De kwintessens van de democratisering was dus dat de functie van lijnchef werd afgeschaft, even­ als trouwens de lijnchef zelf.
Professionele personeelswerkers, professionele maatschappelijk werkers en professionele cursusbegeleiders namen zijn sociale taak over, en de trambestuurder werd niet langer vanachter een boom in de gaten gehouden, maar vanuit een centraalpost begeleid op zijn moeilijke pad door het stadsverkeer.
De medeverantwoordelijkheid voor het bedrijf ten slotte kwam tot uitdrukking in een medezeggenschapscommissie, waarin de zetels overigens door de vakbonden onderling verdeeld werden naar rato van hun ledental.

Nu is het vijftien jaar later: vrij algemeen wordt er binnen het vervoerbedrijf maar één redmid­del gezien om de brokken weer bij elkaar te krij­gen: de terugkeer van de lijnchef. Voor zover hij al weer terug is, neemt hij ’s avonds in de remise de telefoon aan en rijdt hij overdag met een wa­gentje door de stad, maar dat is de diepere be­doeling niet. Uiteindelijk moet hij toch weer de sergeant-majoor worden van een vaste ploeg bestuurders.

In de tussenliggende jaren is gebeurd wat een professioneel mens wellicht niet maar een nuch­ter mens wel had kunnen voorspellen: met de lijnchef verdween, voor de bestuurder, het enige alledaagse contact dat hij had met het bedrijf waar hij werkt en vice versa, voor het bedrijf het enige alledaagse contact dat het had met de bestuurders.
Voor dat alledaagse contact zijn twee instanties in de plaats gekomen, die mogelijk niet zo be­doeld zijn, maar die door de bestuurders wel als aan hen vijandig worden opgevat. De centrale dienst leiding, die de bestuurder per mobilofoon instructies kan geven en het sociaal verantwoorde oor, dat zich multidisciplinair per rayon in een sociaal team heeft verenigd, en dat weliswaar als één man achter de bestuurder staat, maar dan toch vooral om hem hun opvattingen, hun fat­soen en hun kijk op het etnisch zo rijk gescha­keerde Nederland van vandaag in zijn oor in te fluisteren.

Vaste passagier

‘Dat ik nog met plezier werk komt vanwege de jongens onderling, aangenaam, lijn 16, de gein­lijn. Er staan elf man voor lijn 16 op de wacht­lijst, dus dan kun je nagaan. Dat is nog als van­ouds. Ik ben begonnen als conducteur op de tweede bak. Je voetzolen smolten weg, de ijspe­gels hingen aan je neus, een zootje wind, niet te geloven, maar een gezelligheid!
De rest, mag ik wel zeggen, is een stuk minder geworden. Zóveel minder dat het een sleur wordt, gewoon. De eerste keer dat ik er iets van meemaakte, had je me moeten zien. Ik zag dat een zwarte van een vrouwtje jatte, ik vlóóg ach­ter hem aan. Hij was sneller. En nu, je hebt zó veel gezien, het gaat langs je heen. Bestuurder, ik ben bestolen. O. Ik ben bestolen. Door wie? Weet ik niet, hij is naar buiten. Wilt u dat ik achter hem aanga? Maar u kunt het toch dóórge­ven. Jawel, maar doorgeven aan wie en aan wat?’
Als zo vaak tijdens onze gesprekken met een bestuurder van lijn 16 zou ook dit keer een tussenopmerking van zijn meeluisterende vrouw voor een ommekeer zorgen. Tot dan toe moesten we vooral niet denken dat hij zich er­gens wat van aantrok. Het was een zwaar beroep, je hart kreeg opdonder na opdonder, hoe vaak remde je niet plotseling per dag, al was het maar voor een hond? En ging het een keer fout, kreeg je nog een proces ook. Stond er zo’n straatadvocaat te roepen dat je niet geremd had en dat je een moordenaar was, en die rechter on­dertussen maar schrijven! Wat had hij dan moe­ten doen? Die tram stilzetten, zodat ze met zijn honderdtwintigen in zijn cabine gelegen hadden? Er had zand op de baan gelegen, hoe had er zand op de baan kunnen liggen als hij niet ge­remd had? Goed, dat had hij gewonnen, maar toch. Had hij toch mooi in het openbaar gestaan. Wat kon hém de rest dan nog schelen? De passagiers doen toch óók niks? Er was ie­mand beroofd, en hij had ze moeten laten gaan, want niemand had iets gezien. Drie haltes ver­der was er een vrouwtje naar hem toegekomen. Bestuurder, het is waar hoor, ik heb het gezien. Had u dat niet eerder kunnen zeggen? Jawel, maar ze stonden met zulke messen. Dus wat ver­wachtten ze dan van hem? Irriteren deed het hem allang niet meer, hij was een rustig per­soon…
‘Jij een rustig persoon?’ had toen zijn vrouw ge­zegd. ‘Je hebt er een maagzweer van.’
Hij had het maar half gehoord en was doorge­gaan. ‘Ik denk, bekijk het maar, straks ga ik naar huis, lekker eten…’
‘Jij lekker eten? Man je hébt helemaal geen maag meer.’
En toen had hij gezegd: ‘Ze heeft gelijk, ik trek het me ontzettend aan. Maar ik ben een binnen­vetter.’

We hadden gevraagd of die maag met het werk te maken had. ‘De dokter zegt, half om half. Het zat er al. Maar het werk heeft het erger gemaakt. Je hart krijgt opdonders. Maar je maag ook. En ik blééf doorrijden, ik ben geen thuiszitter. Dronk ik water met azijn vanwege de pijn.’
Hij vertelt dat hij twee jaar uit de roulatie geweest is en nu weer voor de halve tijd werkt. Zijn collega’s waren hem patent blijven opzoe­ken, van de tram was er één keer iemand ge­weest. Wanneer of hij dacht weer te kunnen be­ginnen.

‘Ik kan er niet buiten,’ zegt hij. ‘Opa van zeven­tig, mijn vaste passagier. Geeft me een sigaretje voor straks of een appeltje. Ik weet niet hoe hij heet, hij zegt bestuurder tegen mij en ik zeg u tegen hem. ’s Ochtends gaat hij mee heen en ’s avonds terug, ik weet tot welke halte. Hij ver­telt ’s ochtends iets en ’s avonds gaat hij verder waar hij gebleven is. Hij heeft nou weer een vriendin. Dat mannetje maakt mijn rit gezellig. Het laatste nieuws is dat ze niet met hem wil trouwen. En zelfs die oude invalide mevrouw. Ook een vaste, maakt de hele tram binnen geen tijd chagrijnig. Ze zal en ze moet op de invalideplaats zitten. Is die bezet, gaat ze op de stoel daarachter net zo lang zitten mokken tot diegene opstaat.’
Voor zulke mensen reed je — als je die in de tram had dan was het weer als vroeger.

Wij vragen wat hij nou eigenlijk binnenvet.
‘Als je het dan wil horen: alles. Zal ik het goed met je maken? Vijftig procent betaalt niet meer. Controle is er niet meer. In de spits is het te vol, ’s avonds is het te gevaarlijk. Wordt er een zak­kenroller uit je tram gehaald, loopt hij een uur later weer zakken te rollen. Het verkeer is agres­sief geworden. De tram staat niet meer in aan­zien. De politie werkt niet meer mee dat je dóór kan. Het bedrijf zeurt mijn kop dol over de aan­dacht die ik moet geven aan de passagier. Zelf ben ik twee jaar knap ziek geweest, niemand ge­zien. Ik heb een nummer en voor hun bén ik een nummer. Gisteren had ik er een in de wagen, die heeft gescholden van het stadionplein tot het station. Ik had drie strippies gestempeld. Hij vond twee voldoende, ’s Avonds liggen je ban­ken open, en dat is geen blotehandenwerk. En er is niemand die er iets aan dóét.’
Wie zou er iets aan moeten doen? vragen wij. ‘Daar praten wij veel over in het huisje. Er is zo­ veel onvrede, je gaat denken aan de Centrum­partij. De partijen die er nu zitten, zeggen toch alleen maar dat wij overdrijven. Het valt alle­maal wel méé. En ze zeggen dat wij discrimine­ren. Ik discrimineer niet. Ik bedoel niet, die bui­tenlanders die hier wonen en werken moeten er­ uit. Maar die hier komen voor de bijslag of de kinderbijstand, misschien kunnen die toch beter terug naar Turkije. Ouwe mensen kunnen niet rondkomen, hebben een uitkering waar je schande van spreekt. Er hangt zo’n hoop omheen dat niet deugt. En nu zijn er steeds meer die denken, dan de Centrumpartij maar. Mis­schien dat dié iets kan veranderen als ze aan de macht komen. Misschien kan die iets doen aan de illegale buitenlanders. En aan de Nederlan­ders die bijklussen.’

Hij kijkt alsof hij wil vragen of wij daarvan schrikken. En dan zegt hij: ‘Die allereerste keer, dat ik achter die zwarte aanvloog, misschien zat daar toch iets van discriminatie in. Die keer heb ik zo opgevreten, daar ben ik die binnenvetter van geworden. Misschien kon ik het gewoon niet hebben dat het een zwarte was.’

Het achterste van de tong

Natuurlijk verhoogt de geregelde omgang met zakkenrollers, zwartrijders, scheldende automobilisten, messentrekkers en andere agressievelin­gen het algemeen welbevinden van een tram­bestuurder even weinig als de omstandigheid dat te Amsterdam blijkbaar het woordje goede morgen is vervangen door nors gezwijg en de af­scheidsgroet tot ziens door moet je een stoot voor je kanis?

De klacht van de bestuurders van lijn 16 is dat ze op kantoor, een in laatdunkende termen be­schreven mensensoort, daar geen oog voor heb­ben.
En dus zoeken wij ze op kantoor op: redelijke mensen die als chef vervoer, hoofd centrale dienst­ leiding, chef kaartcontrole of hoofd personeelsza­ken het dagelijks brood verdienen en die zich de tijd nog herinneren dat ze conducteur waren op de loopwagen of stuurman aan boord van een zeeschip. Gezamenlijk en in vereniging gaan ze ervan uit dat een trambestuurder weliswaar niet gek is, maar dat er op één en hetzelfde moment zo’n tweehonderd van door Amsterdam rijden, zodat de behoefte aan enige coördinatie van hen uit wel voor de hand ligt. Zodra we het daarover eens zijn vertellen zij van hun werk wat wij van hun werk weten willen.

‘Dat had ik jullie nog willen vragen,’ zegt hij. ‘Wat is eigenlijk een affiniteitstraining?’

Daarna komen we in de meer sociale regionen van het vervoerbedrijf: het lijkt wel of we met een snijbrander in de hand en een kous over de kop bij de kassier aankloppen. De vakbondsvertegenwoordiger binnen de medezeggenschaps­commissie heeft er ‘de grootste moeite mee’ dat we zo maar op de bestuurders van lijn 16 afgingen. Het bedrijfsmaatschappelijk werk wil over een mogelijk gesprek ‘eerst wel even een nachtje sla­pen’ en het stemt er uiteindelijk in toe, op voor­waarde dat er een bestuurder zelf bij het gesprek aanwezig zal zijn want alles gaat bij hun in alle openheid, en op voorwaarde dat het bedrijfs­maatschappelijk werk niet letterlijk geciteerd wordt, welke voorwaarde naderhand nog eens schriftelijk wordt bevestigd. De cursusbegeleiding voelt al helemaal niets voor een onderhoud, als het gesprek tóch gevoerd wordt en op het thema racisme komt begrijpen wij dat zij begrijpen dat wij op ‘een primeur’ uit zijn, maar dat zij helaas hun toekomstplannen ter bestrijding van deze ondeugd ‘nog even onder zich willen houden’; ze onderkennen dat er hier van een probleem, wellicht zelfs van een heet hangijzer sprake is, maar de handschoenen waarmee ze dat willen aanpak­ken moeten voorzichtig worden aangetrokken, nou goed een tipje van de sluier kunnen ze wel oplichten, het gaat meer in de richting van an­tropologen. En ook de coördinatiegroep onder­zoek ziekteverzuim kan helaas ‘het achterste van de tong niet laten zien’, er is, moeten we aanne­men, ‘een plan in ontwikkeling’, en natuurlijk, ze begrijpen de belangstelling van de media voor deze publicitaire topic, maar, u begrijpt, verder kunnen we daar niets over zeggen.

De vraag is hoe en wat de bestuurders met wie we te maken krijgen.
Daarvan maken we iets mee omdat er inderdaad (en gelukkig) een bestuurder aanwezig is bij ons onderhoud met het bedrijfsmaatschappelijk werk. We mogen er niet uit citeren, dus we moeten het parafraseren.
Op een gegeven moment komt het gesprek op het thema huisje.
Er zijn, zegt het bedrijfsmaatschappelijk werk, bestuurders die daar niet meer in komen vanwe­ge de onverholen racistische taal die er op het eindpunt door collega’s wordt uitgeslagen. De bestuurder denkt dat dat wel meevalt, volgens hem wordt er in de huisjes meer over auto’s gesproken. Nou ja goed, het geldt dan niet voor hem, maar voor anderen wél.
De vraag is wat het bedrijfsmaatschappelijk werk in zo’n geval doet.
Het blijkt dan dat het bedrijfsmaatschappelijk werk als zodanig in het algemeen gesproken slechts optreedt op verzoek van een bestuurder zelf, en dat er in de relatie tot hem een tweerichtingsverkeer dient te worden aangehouden et ce­tera et cetera, veel koffie en mededelingen be­treffende het optillen van een individueel niveau naar een algemeen niveau later blijkt het be­drijfsmaatschappelijk werk er, in het onderhavi­ge geval, toch wel sterk over na te denken om de bestuurder die het huisje niet meer in wil een assertiviteitstraining aan te bieden.
Suizebollend verlaten we de werkkamer van het bedrijfsmaatschappelijk werk.
Lang daarna hebben we de getuige-bestuurder weer eens aan de telefoon.
‘Dat had ik jullie nog willen vragen,’ zegt hij. ‘Wat is eigenlijk een affiniteitstraining?’

Overmorgen, op kantoor

‘Ik zal het kort met je maken: als er in dit bedrijf iets moet gebeuren voor de bestuurder, dan is het óf in behandeling, óf ze zijn ermee bezig, óf er wordt over gepraat óf het is doorgegeven. Dat komt, volgens het bedrijf loopt er maar één soort heilige in Amsterdam rond, hoe noemen ze zo iets ook weer? Passagier. Tegen ons zeg­gen ze: de tram is je schip en jij bent de kapitein. Ze bedoelen: zoek het verder zelf maar uit, klootzak.
Op kantoor schijnen wij niet zo’n zwaar beroep te hebben, nou, ze mogen het zó van mij overne­men. De hele dag moet je ogen voor en achter hebben, wéér zo’n slijmbal die voorlangs wil. Jij maakt een noodstop, de passagiers klagen over je rijgedrag, en jij zit met je hart in je keel. Ik rij op de vrije trambaan, veertig kilometer, honderdtachtig man in de wagen. Duikt er een op, noodstop, honderdtachtig man in mijn nek. Vangen elkaar nog op. Nou is het avond en stil. Omaatje loopt alvast naar de deur, noodstop, daar ligt omaatje, kunstgebit ernaast, gebroken dijbeen. Gelijk een chef. Hoe kan dat? Die auto weet van niks, die is allang weg. Volgende keer kan die auto de klere krijgen. Ik douw door, ik zet ’m erin. Godverdomme bestuurder, had je niet kennen remmen?
Voor het bedrijf valt de bestuurder in het niet, daar draait het om. Had je die heisa op kantoor moeten horen toen ze daar een prikklok kregen! Als ik me een keer verslaap, krijg ik strafregels. Met Pasen was het zó ontiegelijk druk, mijn kaarten waren op. Ik naar kantoor, kantoor was dicht, kas gesloten. Bestuurder, mag ik een kaartje? Van mij wel, maar ik heb geen kaartjes meer, overmorgen kunt u ze op kantoor kopen. Ze geven ons wél cursussen, laat ik zeggen een hersenspoeling dat de passagier altijd gelijk heeft, en dat we dat niet moeten vergeten. We zien een film waarin alle passagiers goeiemorgen zeggen, hoor ik nooit. Trouwens, die cursuslei­der was een ex-kapper.
Ik ging er graag heen hoor, de eerste dag. Ik dacht, ik heb nou vier jaar ervaring met rijden, daar wil ik wel eens over praten. Elke avond schrijf ik op, die bank is stuk, daar hangt de deur uit zijn scharnieren, dat stuk zit onder de viltstift, is het nou wel goed dat een paar mon­teurs de hele nacht bezig zijn om dat te repare­ren en verder niks? Maar daar ging het niet om. Het ging erom dat wij begrepen dat die gozer die die bank stukgesneden had waarschijnlijk die ochtend zijn grootmoeder had begraven.
Dus ik dacht, laat maar zitten, zó’n onwerkelijk iets. Weet je wat, mijn tram is anderhalve meter lang en wat ze achter me uitspoken, zoek het zelf maar uit. Ga ik naar achteren en ik zeg, je mag niet roken, dat is ruzie zoeken. Vraag ik ie­mand naar zijn kaartje, kan ik beter gelijk ziek thuisblijven. Op de nachtbus kunnen ze geen eens een kaartje meer kopen, want de bestuur­ der rijdt zonder wisselgeld. Te gevaarlijk. Wij zien dat de mentaliteit van de mensen steeds moeilijker wordt, maar dat zien ze op kantoor niet. Die denken dat Amsterdam vol engelen loopt en dat alleen de bestuurder een grote bek heeft en dwarsligt. Die kunnen dus ook niet be­grijpen wat voor waanzin een gebroken dienst is. Je draait de ochtendspits, je bent fris dus dat gaat nog. Dan krijg je tweeëneenhalf uur schaft, waar je niks aan hebt. Je gaat je auto wassen, koffiedrinken, boodschappen doen en als je weer begint ben je doodmoe van het rondhangen. Middagspits. Dat kan niet, dat breng je niet op, tenminste in Amsterdam niet. Dus nou heb je een hoop verlofdagen over en dan denk je: vraag ik toch verlof voor het tweede stuk van die dienst? Kan niet. Er moet ingekrompen wor­den, mensen te kort. Na de vierde keer denk ik, barst maar. Ik rij, zoek het zelf uit verder, ik zorg dat ik heelhuids thuiskom.
Ik ben een arbeider en ik werk voor mijn geld; er zijn er een hoop die dat niet kunnen zeggen. Ik stem PvdA en ik ben lid van de bond. Nooit anders geweest, zo was het bij mij thuis en zo was het bij mijn vrouw thuis ook. Ik ben té so­cialistisch om de bond te laten vallen. Maar ik heb wel op het punt gestaan. De staking vorig jaar, reken maar dat ik heb meegedaan. Het re­sultaat is dat de bond ons verkocht heeft. Ze hebben zoveel branie geschopt, we zijn socia­listisch, we gaan dóór tot we droog brood vre­ten, veel bieren, en toen het eropaan kwam heb­ben ze niet doorgezet. Gevolg, we zijn nou niet één volk meer, er heerst verdeeldheid, mooier kan Den Haag het niet hebben. Die bond is net hetzelfde als het bedrijf: hebben ons nodig, maar naar ons luisteren, ho maar. Wij wilden gratis rijden, langzaamaan doen, weet ik wat, in ieder geval, je passagiers ontzien en Den Haag tref­fen. Mocht niet van de bond. En ondertussen speelden zij in Den Haag handjeklap. Maar nou heb ik een brand-inboedelverzekering via de bond, is een paar tientjes goedkoper, ja even­ goed, het lijkt goddorie wel Wehkamp, en dus ben ik gebleven.
Ik rij door die stad, ik weet wat voor lui er in Amsterdam rondlopen. Zeg je iets, in het gunstigste geval doet ie het. Is het een agressie­ve, dan leg jij met een mes in je rug en ondertus­sen gaat een ander er met je wisselgeld vandoor. Als ze dat niet willen zien, voor mij hoeft het niet meer. Ik hoef ook niet meer naar de rooster-cursus die ze voor bestuurders willen geven. Die is er toch alleen maar dat wij nou eindelijk eens begrijpen wat zij allemaal voor ons bedacht hebben.’

Het Duitse consulaat

In het begin brachten we de kwestie bij ze op kantoor grappigerwijze ter sprake: het Duitse consulaat. Elke bestuurder van lijn 16 was er vroeger of later over begonnen. Het Duitse con­sulaat is een probleem.

Dat zit zo. Turken die in Nederland wonen moeten, als ze met de auto door Duitsland heen naar huis willen rijden, een doorreisvisum heb­ben, af te halen op het Duitse consulaat in Amsterdam. In de pre-vakantieperiode komen er dus van over heel Nederland Turken naar de hoofdstad. Ze arriveren op het CS, kennen heg noch stek en worden verwezen naar lijn 16. Ze kopen bij de bestuurder een strippenkaart en ze zouden hem daarbij vriendelijk gevraagd heb­ben of hij even wil waarschuwen als ze bij het Duitse consulaat zijn, wanneer ze daar ten­minste de taal voor gehad hebben. Bij gebreke daarvan zeggen ze iets dat ongeveer als ‘Dutsje könsjülât’ klinkt en nogal gebiedend overkomt. Geen probleem. De bestuurder zegt dat hij de hal­te af zal roepen en vertrekt. Op de Dam staat de be­zorgde Turk weer achter hem: ‘Dutsje könsjülât?’. Op de Munt: ‘Dutsje könsjülât?’. Op het Wete­ringcircuit:‘Dutsje könsjülât?’. Ter hoogte van de Albert Cuyp is de bestuurder stapelgek — wat nog niets is vergeleken bij de toestand waarin hij zich na drie ritten‘Dutsje könsjülât’ bevindt. Zelfs de meest verstokte anti-racist heeft ons toevertrouwd tijdens de vierde rit bij wijze van spreken rechtstreeks naar het partijbu­reau van Janmaat dóór te willen rijden.

Die ervaring vertelden we door binnen de socia­le regionen, met de bedoeling om daaraan een vraag te verbinden in de trant van, zou het niet mogelijk zijn een bordje in het Turks op te han­gen met een routebeschrijving tot aan het Duts­je könsjûlät, of zo iets.
Die kans kregen we niet.
Lang vóór we bij de vraag waren, suisde het ant­woord ons om de oren.

En daaruit bleek, we parafraseren andermaal, dat we ervan uit moesten gaan dat Nederland hard op weg was om een multi-culturele natie te worden, Amsterdam wel in de eerste plaats, en dat dit proces, mits aandachtig begeleid, wel­licht niet schokvrij maar toch ook zonder exces­sen kon verlopen, en dat binnen de afdeling de mening uitgekristalliseerd was…
‘Ja, maar het Duitse consulaat. Kan er niet…?’
Dat probleem als zodanig was nog niet aan de afdeling voorgelegd, maar het ging erom dat, in een geval als dit, allereerst de vraag gesteld werd, waarom zit die man ermee, in deze dagen stond zelfredzaamheid voorop…
‘…een bordje…?’
De vraag in zo’n geval was, onderkennen bestuurders dat het een algemeen probleem is, of zien ze het meer als individueel, zodat het van hun uit naar een algemeen niveau kon worden opgetild, waarbij…
‘…opgehangen worden in het Turks…?’
Wellicht zou kunnen blijken dat een betere voorlichting naar de bestuurder toe al voldoen­de was om de zaken bespreekbaar te krijgen. De ervaring leerde dat een vormingsweek, die de achtergrond van de allochtonen onder de aan­dacht bracht, vaak verruimend kon werken op de tolerantiedrempel…

Daarna zijn we erop gaan letten — niet meer in detail, maar in de wezenlijke zaken die de bestuurders kwetsen: hun overtuiging dat een derde van de passagiers meerijdt zonder te beta­len, hun ervaring dat zakkenrollen in de tram de specialiteit is van een Surinaams terreurgroepje, hun afkeer van het feit dat de tram ongestraft kan worden gemold, en, voor alles, hun ver­bijstering over de omstandigheid dat te Amster­dam agressie beloond en braafheid gestraft wordt.

Indertijd werden de zaken, waarvan hart en mond van elke bestuurder overloopt, door De Haan Onland & Brokerhof in een voetnoot weg­ gedrukt. En nog steeds worden ze, sociaal ver­antwoord, verborgen onder de quasi-meelevendheid van het geschoolde middenklasse-fatsoen.

Onvergetelijke dagen

‘Wat dacht je, als ik voor mijn eigen op pad moet? Dacht je dat ik dan met de tram ging? Ik ken het toch veel te goed. Ik heb een broer bij de tram, mijn vader heeft erbij gereden, mijn schoonvader, een zwager, ik rij zelf toch gauw achttien jaar —mij krijg je niet in die rijdende container. Ik heb zo goed als vrij reizen, maar ik waag er mijn familie niet aan.
Vroeger moest ik ook vroeg opstaan, weet ik. Maar je was ook op tijd klaar. En nou? Er zijn dagen bij dat je drie uur schaft hebt. Wat heb ik aan drie uur schaft? Heb ik mijn brood op, kan ik aan mijn neus beginnen. Wie dat allemaal be­dacht heeft, volgens mij gaat die zelf vrijdag vóór drieën naar huis.
En wat krijg je mee op de wagen? Het gaat mij erom dat ze hun bek eens opentrekken. Van halfzes ’s ochtends tot kwart voor zes ’s avonds, geen tetter kan eraf, laat staan goeiemorgen. Die banklui! Allemaal rotzakken. Er zijn erbij die hebben diploma’s dat je denkt, dat die niet voor hun eigen beginnen. Mooi geen woord, alleen zo’n porem. Als ze vragen wat ik doe, zeg ik on­derhand niet meer trambestuurder maar veerijder.
Maar ja, dat zeg ik, je mag blij zijn dat je een baan hebt. Van mij mogen ze de halve tram af­breken, ze gaan hun gang maar, als het maar achter me gebeurt. Had je dat vroeger, nou viel er aan die ouwe trammen ook niet veel te slo­pen, waar. Maar wat heb je nu? Ik heb wel een wagen vers uit de Tollensstraat meegenomen, na twee ritten kon hij weer terug van de spuit- verf en de troep. De stoelen zitten vast met vleu­gelmoeren, ik weet niet op welke sportschool ze zitten, maar ze krijgen ze los. Er was een chauffeur van de Enhabo, die verkocht gummiknup­pels, Heb ik ook nog meegereden. Maar ja, wat wil je? Raken doe je ze toch niet. Tegenwoordig hangen ze aan de deuren, rijden ze mee op het buitenbalkon. Eén keer heb ik ze erafgeschopt, acht weken met mijn poot omhoog gezeten. Ik raakte hun niet, ik raakte de stang.
Dus wat wil je? Betalen doen ze ook niet meer. Van sommigen ken ik dat nog begrijpen, het is pittig en een enkeltje kan je niet meer kopen. Maar ik kan toch niet blijven zeggen, je rijdt wel met mij mee, maar de strippenkaart komt van boven? En neem nou de controle. Zit er een bang vrouwtje, die kan zesentwintig gulden be­talen. Maar zeg je, hé broer, moet je een stoot voor je kanis, dan mag je een kaartje gaan trek­ken.
Nee, dat zeg ik. Ik rij van A naar B en van B naar A, pittig, ik mag wel zeggen zéér pittig. Je bent onderhand een half VVV-kantoor als je voorop zit. Die pakketten met voorlichting die ze in de tram hangen, ik zeg, hang ze in de plee, hebben ze nog nut. Het komt toch op ons neer. ‘Voordelige stempeltjes bij de bestuurder’. We­ten ze ook al.
Ja, ik ga niet de héle dag aan die stempel zitten draaien, dus die zet ik vóór. Kan je een verzame­ling aanleggen van de rotsmoezen die ze hebben om bij mij een stempeltje te halen in plaats van in de automaat.
En dan heb ik het nog over de goeien! Dat grut, die buitenlandse gozertjes, goed Nederlands spreken kennen ze niet, maar de ziektes, die kennen ze allemaal. Op bepaalde haltes kan je eruitspringen als je zo nodig moet, maar ik rij dóór. Nee, de tram, het is alleen maar rotter ge­worden en dat is het hele eieren eten. Nou wil­len ze ons heropvoeden, dat we beter met het publiek omgaan. Ik ben van vóór ’79, dus ik hoef niet. Maar ik zeg van mijn kant: als je nou eens begon met het publiek op te voeden? Ik ben niet meer om te turnen. Door wie? Door die chefs? Je moet bij de tram méépraten, anders stijg je niet. Die chefs zijn ná mij bij de tram ge­komen. Moet ik dan dank je wel en alsjeblieft zeggen tegen die geitenbreiers?
Of neem nou die vakbond. Die staking was toch een giller. Een aanfluiting. Ten eerste heeft het het bedrijf een hoop geld gekost, ten tweede de vakbond, ten derde de mensen en ten vierde heeft het niks opgeleverd. Die bond kan voor mij door de stront. Hebben ze iets voor mij ge­daan toen mijn depot was gestolen? Zeker te druk met de staking.
Nee hoor, als ik vrij heb ga ik vissen aan de Sloterplas, en dat is het. Maar dat zeg ik, die lui van 16, het is een leuke ploeg. Tweemaal in het jaar bowlen bij de Zoete Inval, een keer een dag uit met de bus en de vrouwen mee, want anders loopt het uit de hand. Want als we er met zijn allen uit zijn, dat zijn onvergetelijke dagen.’

‘Wij hebben hier mensen die al dertig, veertig keer een auto hebben opengebroken en die al die ke­ren door de officier zijn geseponeerd.’

Jan Jansen uit de Jan Jansenstraat

De meer of minder gedeelde ervaringen van de bestuurders van lijn 16 mogen onder de be­schermende deken van het sociaal fatsoen worden weggeborgen, de vraag is: kloppen ze?
De woordvoerder van de Amsterdamse politie zet uiteen dat assistentie aan een trambestuurder bij de politie dezelfde prioriteit heeft als assistentie-collega. Assistentie-tram wordt ge­middeld twee keer per dag verleend, daarbij meegerekend de kaartcontrole. De vraag is inderdaad, wat doet de politie dan? In principe wordt de kwestie bij verbaal geweld ter plaatse opgelost. Bij lichamelijk geweld of diefstal moet de verdachte mee naar het bureau. ‘Daar verho­ren we hem, we maken proces-verbaal op en dan moeten wij hem laten gaan.’ Dat is voor de politie zelf vaak frustrerend, begrijpelijk dat de tram­bestuurder het ook niet zó leuk vindt. De regel is nu eenmaal: alleen voor zaken waar een straf op staat van vier jaar of langer mogen we ie­mand méér dan de tijd die nodig is voor ver­hoor, meer dan zes uur, binnenhouden. ‘Dus het klopt als de bestuurder zegt, die zakkenroller of die kerel die mij bedreigd heeft of die die passagier ge­molesteerd heeft, die zie ik twee uur later weer rondlopen.’ De straf daarna is een zaak voor de officier van justitie en ‘die voert, dat is een pu­bliek geheim, een toenemend seponeringsbeleid, dus, laat maar gaan, de rechter kan het ook niet meer aan. Wij hebben hier mensen die al dertig, veertig keer een auto hebben opengebroken en die al die ke­ren door de officier zijn geseponeerd.’
Als bestuurders tegen u zeggen dat de buitenlanders erop worden aangekeken, maar dat het, in geval van moeilijkheden, ‘ook vaak die bruinen zijn die het, doen,’ dan is hei moeilijk om daarop een antwoord te geven. We moeten voorzichtig zijn met be­paalde cijfers, het is niet onze bedoeling om voedsel te geven aan Centrumpartijachtige figuren. Laat ik het zo zeggen, ik denk dat de bestuurders wel wat gelijk hebben. Sommige cijfers zijn voor bepaalde groepen niet zó leuk.’
Het hoofd kaartcontrole wil zijn antwoord op onze vraag of een zwartrijdende bedeesde bijstandsmoeder, die betrapt wordt en een rood hoofd krijgt éérder beboet wordt dan een agres­sieveling die amok wil plegen (eigenlijk wel, ja) graag plaatsen binnen het beleid van zijn kwets­bare afdeling. ‘Wij vinden dat we de zaak con­troletechnisch zo ruim mogelijk onder de knie moeten krijgen, dus als, wat vroeger veel ge­beurde, vijf man kaartcontrole met één zwartrij­der onder de arm naar het politiebureau stapte, dan reden er ondertussen honderd trams en bussen langs die helemaal niet gecontroleerd wer­den. Dus wij hebben nu gezegd, het mag nog steeds, maar doe het liever zo min mogelijk. Als je iemand naar zijn naam vraagt en hij geeft op Jan Jansen in de Jan Jansenstraat, dan kun je in­derdaad op het idee komen dat hij de kluit bela­zert, maar accepteer het toch maar. In de prak­tijk blijkt dat er van de honderd bonnen maar vijftien onbestelbaar terugkomen. Dus hebben we gezegd, verspil daar je tijd niet aan. Als bestuurders zeggen, bij moeilijkheden zijn het vaak buitenlanders, dan klopt dat wel met het plaatje van de kaartcontrole. In het algemeen schat ik zwartrijders op de helft Nederlanders de helft buitenlanders, niet zo gek als je bedenkt dat de kaartcontrole vooral in het centrum ope­reert. Bij aanhoudingen en moeilijkheden ligt dat hoger, dan zijn het vaker Turken, Marokka­nen en Surinamers met wie we problemen heb­ben. Ik heb nu een controleur in het ziekenhuis liggen die een trap in zijn kruis gehad heeft. Ik heb gezegd, voor jullie eigen veiligheid, ga geen Indiaantje spelen. Als ze dwars door je heen wil­len, kijk dan of je de politie kunt oproepen. Een enkele keer trekt er iemand een mes, dat kan va­riëren van een aardappelschilmesje tot zo’n lan­ge. Wij zeggen dan, trek je maar terug, ga in godsnaam niet de held uithangen.’

En hoe zit het dan met de gemolde stoelen en aanverwante?
De waarnemende chef van de Technische Dienst laat een overzicht zien waaruit blijkt dat er in 1983 een bedrag van ƒ 3.837.258,- aan kosten op de rekening stond die aan vandalisme moeten worden toegeschreven. Aan viltstiften alleen al gaf hij elfduizend gulden per maand uit, er waren twee man constant bezig met het viltstiftenprogramma. Het klopte wel, bij hun bestond dat idee van, niks zeggen en repareren, dat ding moest schoon en rijden. Ze hadden elektronica-vakmensen, all-round, maar als het nodig was stonden die evengoed te poetsen of een bank te repareren.

En wat ten slotte de agressie van de passagier betreft die niet meteen op de vuist gaat: die valt uiteraard niet in cijfers uit te drukken. Daarover dus, bij wijze van wraak, maar een authentiek bestuurdersverhaal.

Hij reed op het Rokin, in de tijd dat dat openge­broken lag, één grote moddertroep. De mannen met de drilboor konden niet zo gauw uit de weg, dus hij moest voor ze stoppen. Meteen stond er eentje achter hem, ‘ik moet eruit, ik moet eruit!’ De bestuurder had gezegd dat hij er niet uit mocht tussen de haltes, was die man gaan razen en tieren en op de deur bonken dat hij eruit moest. ‘Goed,’ had de bestuurder gezegd, ‘ga je gang maar.’ Hij had de deur opengedaan, de man was vloekend en tierend uitgestapt, en on­middellijk daarop tot aan zijn nek in de modder van het Rokin weggezakt. Ze hadden hem er uiteindelijk met behulp van een autoband weer uit­ gekregen.

Tweeënzeventig kilometer

‘Qua wonen vind ik Hoorn uit de kunst. Steeds meer collega’s komen deze kant op. Wat had ik nou in Amsterdam? Mijn kinderen lagen op sta­pelbedden, wilde ik groter, dan moest ik naar de Bijlmer. Zagen we niet zo zitten, zijn we in Hoorn gekomen. Prima, eindeloos.
Bij de tram heb ik gemerkt, die te laat komen zijn niet de forenzen. Ik wil het zelf kalm aan doen, dus als ik om negen uur moet beginnen ga ik om halfacht de deur uit. In de nacht, als ik dóór kan, is het veertig minuten, ’s Ochtends moet ik rekenen met de Coentunnel, meestal be­gint de file tussen de afslag Zaandam en het Essostation. Als het bij het Essostation begint, be­tekent dat vijfentwintig minuten, ’s Avonds gaat het sneller, dan reken ik voor de file een kwar­tier. Ik kan ook met de bus gaan. Ben ik in uni­form, heb ik vrij vervoer. Lijn 114 gaat niet door de Coentunnel maar over Edam. In de spits rijdt die vijfenzeventig minuten, ’s avonds vijfenzestig minuten. Dan ben ik bij de Nicolaaskerk. Zeg vijf minuten wachten op de tram.

De rijtijd naar de remise is tweeëntwintig minu­ten. Zeg dus maar één uur en veertig minuten, ’s Nachts rijdt die bus niet, dan moet ik met de auto. ’s Winters moet ik rekening houden met slecht weer, voor me zelf vind ik twee uur maxi­maal. Kom ik te laat door de sneeuw, dan wordt dat gepardonneerd. Heb ik een lange dienst, en zou ik met de bus gaan, dan ben ik dertien uur van huis. Ga ik met de auto, is het elf uur. Dus ik ga met de auto.
Ik rij samen met een ploegmaat die in de vaste reserve zit; we moeten wel allebei een auto heb­ben, want het komt niet altijd overeen. Aan ver­goeding krijg ik zevenentachtig gulden per maand, ik weet niet hoe dat vastgesteld is, dat doet het Rijk en het Rijk is de baas. Juffrouw Neelie zal zelf wel in een auto met chauffeur rij­den. Ik denk, alles wat je krijgt is meegenomen. Benzine kost 250 gulden in de maand, ik ben nu omgebouwd op gas, 170 gulden. Verzekering is 600 gulden per jaar, aanschaf 2.000 gulden, iedere drie maanden een beurt, 250 gulden. Dat komt me op 470 per maand.
Hij is ons beschreven als de man die trouw zijn diensten heeft gereden, tot hij voor de tweede keer zijn bril brak tegen de cabinespiegel, waar hij al zo vaak over geklaagd had. Op dat mo­ment hadden ze hem met z’n drieën niet vast kunnen houden, en dat moest, want hij wilde ie­dereen, inclusief zijn passagiers, uitmoorden.

‘Mijn vrouw merkt het ’t eerst. Die zegt, word je weer agressief? Ik zeg, nee hoor, niks aan de hand, maar dan bén ik het al. Er hoeft maar een kopje verkeerd te staan, en ik zet het hele huis op stelten. Je gaat schreeuwen, overspannen, zelf denk je nog dat het normaal is. De volgende dag rij je weer zes ritten met de 16, tweeënze­ventig kilometer door het verkeer, overal alert op, fietsers, voetgangers, auto’s, dan gebeurt er een héél klein dingetje, en plop, springt er een stop in je koppie. Het bedrijf stuurt je naar huis en zegt: “Beterschap”. En ik zit hier, de laatste jaren zit ik toch wel twee maanden thuis op de vijftien maanden, nou tweeëneenhalve maand.’
Hij is ons ook beschreven als de man op wie de collega’s ontzettend gesteld zijn.

‘Ik vind het leuk werk, elke dag wat anders. En lijn 16 is een eindeploeg. De enige lijn waarvan op het dagje uit de vrouwen meegaan. En ik héb er veel plezier aan. Neem nou het bankperso­neel, ik zeg altijd, je hebt de eerste lichting en de tweede lichting. De eerste lichting gaat tussen halfacht en acht uur van het station, dat zijn de lageren. Die zien je als gelijke, dus die praten. Er zijn er van wie het me opvalt als ze een keer later zijn: “Zeker een pan van je dak gewaaid vannacht?” De tweede lichting komt na kwart over acht. Hogeren, zeggen geen boe of ba. Dan vind ik het dus leuk als ik achter een vrachtwa­gen kom stil te staan.’

Dus wat is het?
‘Ik heb een eindeloos huis, goed het is een koop­huis, dure aangelegenheid in feite. Mijn vrouw werkt niet, nou ja, een beetje. We kunnen niet maar aan doen. Vroeger gingen we nog wel met de tent naar de Ardennen. We zijn ook wel eens in Sporthuis Centrum geweest. Kostte duizend gulden, had je nog maar één week. Er zijn belangrijkere dingen. Kijk eens wat kinderen kosten als die op de middelbare school zitten? We gaan dus niet meer op vakantie. Je loon wordt niet meer maar minder, het kan allemaal nog nét.
Ja god, als ik dan ’s ochtends om vijf uur in de auto zit, dan denk ik, zit ik weer, zoveel kunnen er blijven slapen. Moet ik weer, eerst in de file voor de Coentunnel, dan in de file op het Dam­rak. Het is werk, het is geen vrije wil. Kom ik op een kruispunt stil te staan, zou ik van alle ziektes er één krijgen, ik zou gelijk doodblijven. Denk ik, waarom doe ik dat? Heb ik geen stui­ver terug, roept mijn klant gelijk: dief. Het kan tien keer gebeuren, de elfde keer plof ik. “Ik ben geen dief, en nou eruit jij!”
En dan denk ik: doe ik het daarvoor? Al dat werk, net aan rondkomen en de waarschijnlijkheid dat ik mijn vijfenvijftigste niet haal zonder een hartinfarct?’

‘Ik heb wel een mening, maar ik ben huiverig om die te vertellen. Het komt in de krant. Dat is gevaarlijk voor me, zeker bij een sollicitatie. Wat ik vind, kan in het verkeerde keelgat schie­ten. Laat ik het zo formuleren: af en toe denk je, de Centrumpartij, ik stem erop. Maar het is ge­vaarlijk. Vandaag zijn het de buitenlanders, morgen de joodjes en dan de zieke mensen. Ik ben zelf joods, van vroeger dan. Maar je denkt toch, waarom niet? Klanten die niet werken, buitenlanders, húp, d’ruit. Ik weet, het zijn de Marokkanen die de tram schoonmaken, over die heb ik het niet. Ik redeneer zo: als ze aan je hachje komen, dan moeten ze er maar uit.
Ik moet voorzichtig zijn. We krijgen Surinamers mee, altijd wel potige jongens, vrij lenig en ze maken veel rotzooi in de tram. Het gebeurt achter me, ik rij dóór, en wat ik opvreet dat is mijn gevoel van machteloosheid.’

Nieuwe tijdgeest

De feiten die de bestuurders van lijn 16, rond­cirkelend in Amsterdam, door hun vooruit menen waar te nemen en de gebeurtenissen die zich volgens hen achter hun cabine afspelen, zijn dus niet alléén het overspannen verzinsel van in hun loon beknotte galspuwers: hun me­dedelingen dienaangaande kloppen tot op grote hoogte met de meer objectieve gegevens. Het probleem daarna is, dat het not done, en zelfs ge­vaarlijk in om over die ervaringen publiekelijk te spreken. Ze passen niet in de ideologie die hun sociale steunpilaren ze voorhouden, en die ze van hun politieke broodheren moeten aan­hangen.

Tegen ons praten ze dus met huiver en onder el­kaar, in het huisje op het eindpunt, praten ze vrijuit over ‘wat ik nu weer meegemaakt heb’: een halfondergrondse uitwisseling van ervarin­gen die, publiekelijk uitgesproken, tot een telefoonklacht wegens racisme en vervolgens tot op z’n minst een reprimande van de chef zou kun­nen leiden.
Het voor de hand liggende gevolg is een groeiend wantrouwen van alles dat de ideo­logie aanhangt, waarbinnen voor hun ervarin­gen geen plaats is: de gevestigde politiek, eer­tijds hun eigen PvdA in het bijzonder, de ge­vestigde vakbonden, de Abva/Kabo die de sta­king heeft laten mislukken voorop, en de ge­vestigde partijen in hun eigen medezeggen­schapsraad, met name als die aan de Abva/Kabo gelieerd zijn.
Bij de jongste verkiezingen voor die raad bracht één derde van de Amsterdamse bestuurders zijn stem uit. En van de bestuurders die wij spraken waren er acht op het denkbeeld gekomen om bij de eerstkomende kamerverkiezingen de Cen­trumpartij maar eens een kans te geven.

Nu ‘ze bovendien nog aan je loon komen ook’ wast het wantrouwen tot afkeer. De nog maar pas geleden voorgespiegelde, gestage inkomensverbe­tering, op grond waarvan een fiks aantal bestuurders voor de stadssanering gezwicht is en een duur koophuis in Hoorn dan wel een bovenmodaal huurhuis in Purmerend heeft be­trokken, blijkt op het loonstrookje niet en vol­gens de tv nooit meer plaats te vinden.
Dan komt de dag waarop je verlof wilt nemen, want daar heb je recht op.
‘Jawel,’ zeggen ze van kantoor, ‘maar vandaag kan het niet.’
Een bestuurder die zich ziek meldt moet dezelf­de dag nog een formuliertje sturen naar de GGD in Amsterdam, waarop hij globaal om­schrijft wat hij heeft en hoe lang hij denkt dat zijn ongesteldheid zal duren. Controle is er verder niet. Winstpunt uit de tijd van democratisering. Als hij dat wil, kan een bestuurder gemak­kelijk niet ziek zijn en toch een paar dagen ziek thuisblijven.
Dan wordt hem voor de tweede keer een dag verlof door ze van kantoor geweigerd. Het is een tijd van bezuiniging (‘O ja? En die heroïne dan, die die klanten gratis mogen komen ophalen?’) en er zijn niet voldoende reservebestuurders.
De derde keer komt de bestuurder nog wel op­dagen.
En de vierde keer zegt hij: sterf, rij zelf, bekijk het.
Twee dagen later is er post van de GGD-arts.

En nu het ziekteverzuim, het arbeidsverzuim dus, uit de hand is gelopen en er dus iets moet gebeuren meldt zich, onontkoombaar, de nieu­we tijdgeest.
De lijnchef, die terugkeert, is er de voorbode van.
En het slagwoord luidt: controle.

In m’n eentje

‘Ik herinner me nog de rookcoupés. Nu mag je niet meer roken. Ze doen het toch. Ik zeg er niks van, want ik wil geen heibel. Ze willen ook weer de harde banken terug. Veel stoelen gaan kapot. Als ik mijn tram inlever, zie ik het wel. ’s Nachts wordt het weer gerepareerd, ’s Ochtends is-ie heel en ga je weer gewoon rijden. Als ik rij zie ik niks. Ik zou iets zien als ik in de spie­gel keek. Maar ik kijk niet in de spiegel.
Dat schrijven gebeurt bij de scholen. Het begon in de tram, toen het op straat ook begon. In het speelkwartier gaan ze een halte mee of ze gaan met een kluit achterop hangen. Ik zeg niks, als het kan sla ik die halte over.
De tram is niets bijzonders. Is je fiets gestolen en je doet aangifte, dan lachen ze je uit. Pas de eerste keer? Mijnheer, waar maakt u zich druk over? Wordt de tram vernield, is-ie morgen weer gerepareerd. Het glijdt langs mij af. Ik ben zelf anders. Ik moest in de bibliotheek mijn tas afgeven, wegens stelen. Ik was zó diep beledigd, ik kom daar nooit meer. Maar ik bemoei me niet met wat anderen vinden.
Ik kwam bij de tram, ik had geen rijervaring, geen verkeersinzicht, zelfs geen rijbewijs, nu trouwens nog niet. Na anderhalve maand zat ik in mijn eentje op lijn 1. Het verschil is, ik zit nu in mijn eentje op lijn 16. De KNSM, waar ik werkte, ging hard achteruit. Ik zag een adver­tentie. Als het voor straatveger geweest was, had ik ’m ook ingestuurd.
Ik ben wel tevreden. Naar het gebral van het bondskader luister ik niet. Wij eisen zus, wij ei­sen zo, ik eis dat helemaal niet. Het bedrijf geeft mij een tram en betaalt me mijn loon. En de pas­sagiers, er is een nachtzuster en die geeft me al­tijd een snoepje. En met de portier van het Hilton maak ik, als die meerijdt, een praatje.
Ik ben wel gehecht aan mijn eigen weg. Ik weet precies wanneer de verkeerslichten verspringen. De straatnummers weet ik op tien meter nauw­keurig. De Lairessestraat 120? Dat is halte Emmastraat.
De Vijzelstraat en het Rokin vind ik leuk om te rijden. En wat ik het allermooiste vind is de Ferdinand Bol, de kunstetalages van Heineken. Daar rij ik altijd heel langzaam, zodat ik die op mijn gemak kan bekijken.
Op de vrije trambaan raak je afgestompt, denk ik. Je hoeft niet meer op te letten. Ze zeggen dat je ook minder stilstaat, maar dat interesseert mij niet. Als er een vleeswagen staat te lossen denk ik, natuurlijk, die man moet zijn vlees kwijt. Wat de passagiers zeggen hóór ik niet.
En voor de rest, op kantoor ben ik één keer ge­weest. Ze houden daar bij hoeveel uren wij ge­maakt hebben en hoeveel verlof we hebben op­genomen. En wat me ook nog opvalt: elk jaar la­ten ze lijn 1 en lijn 2 op Koninginnedag rustig door de Leidsestraat gaan. Elk jaar komen ze er­ achter dat dat niet kan. En elk jaar worden lijn 1 en lijn 2 dan omgeleid over de Rozengracht, waar 13, 14, 17, 21 en 67 ook al rijden.
Van klachten heb ik nog nooit iets gehoord. Aanrijdingen wel. Heb ik vaart en moet ik rem­men, heb ik achttien meter nodig. Is het glad, dan meer. Gaat het verkeerd, dan is het ijzer op ijzer, en jij gaat eraan.’

Het was al heel gauw gebleken dat de boel in de soep liep, in ’75-’76 was dat al duide­lijk, maar het was toen nog de tijd van over­vloed.

Van bestuurder naar chef

Onder ze op kantoor, die zich met trams, rails en rijtijden bezighouden, belichaamt de pas be­noemde chef vervoer de nieuwe tijdgeest. Hij heeft al jaren verkondigd dat het fout liep en nu mag hij, op zijn manier, bewijzen dat het anders kan. Zijn eerste probleem is de communicatie met de bestuurder, want als gezegd vindt die of­wel per mobilofoon ofwel in gewatteerde be­woordingen plaats.
Hij is zijn loopbaan begonnen als stuurman op de grote vaart. Ruim eenentwintig jaar geleden is hij bij de tram gekomen in de functie van lijn­chef. Hij vertelt dat hij in de remise nog wel eens bekenden uit die tijd tegenkomt. ‘Hé, De Boer!’ roepen ze dan. ‘Hoe gaat het met jou, ke­rel? Wat doe je tegenwoordig?’ Hij zegt dan dat hij chef vervoer is. ‘Verrek, ben jíj dan die De Boer die die geeltjes rondstuurt?’
We mochten het van hem zeggen als wij wat be­ters wisten. Hij zat er nu eenmaal mee dat hij 2.100 man personeel onder zich had, die je nooit bij elkaar kon halen, omdat ze gedurende bijna vierentwintig uur van de dag over de hele stad verspreid aan het rondrijden waren. En dus moest van hem uit de communicatie wel via pa­pier verlopen. Het laatste halfjaar alleen al had hij zeker 280 geeltjes laten uitgaan, kennisgevin­gen vervoer, die in alle huisjes opgehangen wer­den naast de witjes van de directie. De commu­nicatie stond of viel dus met de willigheid van de bestuurder om het allemaal te lézen. Hij kon zich voorstellen, er kwam zóveel binnen, dat die alles oversloeg, behalve waar een guldenteken bijstond.
Persoonlijk had hij zijn hoop inderdaad gesteld op de terugkeer van de lijnchef, daar werd nou een begin mee gemaakt. Het bedrijf had een pe­riode van verloedering doorgemaakt, hij vertel­de het maar hoe hij het zag. Er was die algemene sfeer geweest dat alles op de ouwe-jongens-krentenbrood-toer moest, en daar had het be­drijf aan meegedaan. Leidinggevenden waren niet meer nodig geweest, geen betutteling, de bestuurder kon het alleen wel af — dat vond de bestuurder niet, zijn clou was, dat hele ongenoe­gen, dat had zo’n opgang gemaakt vanuit de so­ciologen. Het was al heel gauw gebleken dat de boel in de soep liep, in ’75-’76 was dat al duide­lijk, maar het was toen nog de tijd van over­vloed. Als iets misliep hoefde daar niets aan ge­daan te worden. Er werd gewoon iets tegenaan gezet of bovenop gebouwd zodat het toch nog functioneerde. En bovendien, hij vergeleek het maar met zijn oude vak, zo’n bedrijf was net een mammoettanker, als die eenmaal vaart, is-ie moeilijk te stoppen. En toen het echt niet anders meer gekund had, toen de behoefte aan leiding, aan iemand die van dingen wist, aan een herkenbare figuur die beslissingen nam en die jij kon vertrouwen en de bestuurders ook, toen die behoefte schreeuwend werd, toen waren ze net on­der Den Haag geplaatst. En Den Haag had ge­zegd, nou, dat bekijken we dan nog wel. En dus had het veel te lang geduurd. Hij bekeek het zo, had je achtentwintig bestuurders, dan waren er daarvan vier apathisch, twintig deden gewoon normaal en goed hun werk, vier waren schreeu­wers, die het verkeerde beroep hadden gekozen. De jongens en meisjes van de sociologie hadden al die jaren almaar naar die vier schreeuwers ge­luisterd, en zij hadden almaar naar die jongens en meisjes moeten luisteren. Hij vond, daar moesten ze nu eens mee ophouden. Ze moesten nu maar eens een tijdje met die twintig goeden gaan praten. Die vier schreeuwers mochten, wat hen betreft samen met die jongens en meisjes de deur uit.
Dat praten kon niet via papier, daar had je een lijnchef voor nodig. Maar wat was het nou? De know-how was er niet meer, zijn ouwe jongens zaten in de Vut of waren afgekeurd, en wat er nog over was, was helemaal gedemotiveerd om­dat ze al die jaren juist geen leiding hadden mo­gen geven. Dus nou moest het allemaal van voren af aan beginnen. Hij had nou weer jongens in de opleiding voor chef, maar het probleem was, ze moesten het uiteindelijk toch van een ander leren. En wat er nu rondliep, dat was alle­maal in de tijd van de verloedering gekozen, de goeien, die het in hun vingers hadden, niet te na gesproken. Het had tijd nodig, hem kostte het twee jaar om van een bestuurder een chef te ma­ken.

Een avond lijnchef

Die avond heeft de lijnchef van lijn 16 remisedienst. We gaan bij hem zitten in de portierslo­ge van de Havenstraat. Het is een rustige avond. Afgezien van een kortsluiting in lijn 13 gebeurt er niets bijzonders. Het is ook een warme avond. Op die ene Surinaamse bestuurder na die onder élke weersomstandigheid met zijn jas­je dicht, zijn pet op en een das om door de stad rijdt heeft iedereen die binnenkomt in zijn zomertenue zitten zweten.
Tegen tienen meldt een andere Surinaamse bestuurder zich, die een probleem heeft met zijn tram.
We hebben net een diepgravende discussie ach­ter de rug met een aantal bestuurders van lijn 17, die uitleggen waarom volgens hún het experiment op hun lijn mislukt is. Ze hadden met zijn allen samen de dienst min of meer zelf mo­gen regelen, en dat was niet goed gegaan. Vol­gens hún omdat er te weinig reserve aan ze toe­gekend was. Volgens anderen omdat Piet het niet langer gepikt had dat Jan wéér vrij vroeg om naar zijn derde wijf te gaan.
Een paar staan er nog wat na te praten. Met zijn zacht Limburgse accent zegt de ex-mijnwerker, die de lijnchef van lijn 16 is, tegen de Surinaam­se bestuurder: ‘Wat zou jij er nou van zeggen als ik jou zonder iets te zeggen weer zou laten vertrek­ken?’
De bestuurder begrijpt het niet meteen, net zo min als de omstanders. Dus vraagt de lijnchef het nóg eens en nóg eens.
‘O, je bedoelt dat ik mijn hemd ín mijn broek moet doen?’
‘Nee,’ zegt de lijnchef, ‘ik bedoel: wat zou jij er­ van vinden als ik er niks van zou zeggen?’
‘Dus je vindt dat ik mijn hemd ín mijn broek moet doen?’
De lijnchef zegt nogmaals wat hij in feite be­doelt.
‘Ik ga dit niet pikken hoor,’ zegt de bestuurder. ‘Ik ga dit écht niet pikken. Als jíj vindt dat ik mijn hemd in mijn broek moet doen, dan moet je tegen mij zeggen dat ik mijn hemd in mijn broek moet doen.’
Hij verheft zijn stem en eist een rechtstreeks be­vel daartoe.
‘Jij bent toch chef? Geef mij dan een opdracht! Als jij mij geen opdracht geeft, hoef ik mijn hemd niet in mijn broek te doen. Jij moet geen flauwe kul maken. Jij moet niet gaan zitten draaien, dat pik ik echt niet hoor. Als jij wil dat ik mijn hemd in mijn broek doe, dan geef jij mij gewoon een opdracht.’
De lijnchef zegt nogmaals wat hij in feite be­doeld had te vragen. De bestuurder staat nu met een strak geheven arm en met het schuim op zijn mond richting tram te wijzen. ‘Ik ga daar niet inzitten met mijn hemd in mijn broek. Ik heb een T-shirt onder mijn overhemd, voor het zweet, wil je voelen hoe ik zweet? Ik ga daar niet in zitten met mijn hemd in mijn broek. Je moet mij een opdracht geven! Ik wil dat jij mij nu een opdracht geeft.’
De lijnchef haalt zijn schouders op en loopt naar het koffieapparaat.
De bestuurder houdt vol, windt zich meer en meer op.
De lijnchef maakt er een einde aan. Hij draait zich om en zegt:
‘Bekijk het.’
De bestuurder beklimt, met het hemd uit de broek, de gerepareerde wagen.
Later op de avond rijdt een wagen van lijn 13 binnen waarvan de bestuurder een met rode en blauwe banen afgezet T-shirt draagt.
Dit keer neemt de lijnchef hem apart.
Hij blijft tien minuten weg, waarna de bestuur­der, met een rode kop en woedende ogen, de portiersloge binnenstormt. Hij brengt met zijn tong tegen zijn tanden het geluid van een scheet voort en geeft zich daarbij een klap op het ach­terwerk. ‘Dat kan je me, klootzak. Ik rij toeval­lig zoals ik wil. En als het je godverdomme niet aanstaat, dan roep je me maar op rapport. Wat denk je wel, godverdomme, om hier een beetje cheffie te kunnen spelen?’
De lijnchef is aan tafel een boterham gaan zitten eten. ‘Jij rijdt morgen niet in dat T-shirt op de tram. Dat heb ik je fatsoenlijk gezegd.’
‘Wedden dat ik morgen wél in dit shirt op de tram rij? Je bent met me aan het praten kloot­zak, tamelijk onbeschoft dat je d’r bij zit te eten. Wat verwed je? Je slingert me maar op rapport, ziek thuis kan altijd nog. Hoor ik nog iets? Wat wed je?’
‘Jij rijdt morgen niet in dat T-shirt op de tram.’
‘Wedden? Wedden? Ik heb morgen niet eens dienst, dus daar heb je mooi niets over te vertel­len, mijnheer de chef.’
De bestuurder maakt een spuuggebaar, pakt zijn tas en loopt de poort uit naar huis toe.
‘Ik had hem een opdracht gegeven,’ zegt de lijn­chef hulpeloos.

Mijn lijn

‘Ik ben zeventien jaar geleden begonnen als conducteur op de loopwagen. Je verkocht kaartjes en als iedereen binnen was, floot je voor vertrek. Ik ben opgeklommen tot bestuurder, drie keer ben ik voor de bus gevraagd want dat is nog ho­ger. Ik heb het niet gedaan en ik doe het niet: lijn 16 is mijn lijn, met elkaar hebben we lol en ik vind het nog steeds heerlijk.
Ik heb het altijd gewild, trambestuurder of op een trein. Heerlijk vrij, een mooi zeker baantje en ik rij graag. Mijn vader was blij dat ik bij de gemeente kwam.
Ik vind het leuk om te beginnen ’s morgens, vroeg in de remise, prachtig, elke rit is anders en ik blijf mooi in het gootje. Vergeleken met vroe­ger is de passagier meer van je mot me meene­men, maar dat kan mij niet schelen.
Een tramfanaat ben ik niet. Als je me nou vraagt, welke kleur heeft lijn 16, elke lijn heeft toch een eigen kleur, dan zeg ik, ik rij er pas ze­ventien jaar op, dat weet ik niet. Maar ik weet wel veel van de tram zelf, in het gebruik dan. Morgen heb ik de 808, het rijden is prima, die kan zó hard, maar de deuren, niet dicht te krij­gen, dus dat wordt vertraging. De 815, de blok­kendoos, die remt niet. De schijfremmen glijen door, net of-ie loslaat, je hoort het ook, maakt niet dat tjutjutju geluid. Nou remt elke tram wel op zijn manier, normaal heb je dat na twee hal­tes door. Deze remt elke keer anders, of je gaat vijf meter voorbij de halte, of je staat er vijf me­ter vóór stil. Met de meeste wagens kan je volop door de bocht gaan, maar ’m niet volop erin gooien. Je hoort het, dan gaat-ie piepen. Ligt er dan een bout, ga je rechtdoor. Op de Lelylaan met de 808, dat is het mooiste. Die kan ik dan op tachtig krijgen. Het loopt schuin naar bene­den, ik gooi hem volop erin, en dan meteen te­rug naar de nulstand, loopt-ie harder dan op zijn eigen motor. Vlak voordat de baan omhooggaat gooi ik hem dan weer volop. De Huizingalaan heeft maar één nadeel: lijn 1 rijdt erover. Ik wil niet op lijn 1. Ik wil op lijn 16. Ik sta achter een vleeswagen, die moet uitladen. Geen probleem, ik sta stil, is die vent klaar, ga ik verder. Van­daag nog, in de Ferdinand Bol. Halfuur gestaan. Vent effe naar de markt, auto op de rails. Komt die man na een halfuur terug, weet je wat-ie vraagt? Of-ie soms in de weg staat. Wij allemaal erachter, 24, 25, nog een 16, weer een, drie chefs erbij, drie politieauto’s, geen kraanwagen natuurlijk, want die is er niet, een hele optocht, vraagt die man of-ie in de weg staat. Maar ja, je passagiers beginnen te schelden.
De Albert Cuyp, dat is echt mijn stukkie. Hoe drukker, hoe beter. Voorbij de Weteringschans naar het station, dat is niks meer. De Lairessestraat is dood. Maar de Albert Cuyp! Tien mi­nuten achter zo’n auto, iedereen bemoeit zich ermee, hoor je nog eens wat. Met die winkel van Jaspers heb je nooit last, staat die dubbel, dan rijdt-ie even om. De slager ook niet. Sta je vast bij McDonalds, komen ze vragen of je trek hebt in koffie. Als het warm is een milkshake. Vraag je me nou, hoeveel mensen gaan er in een tram, dan weet ik het niet. Ik weet wel dat er meer sta als zit is. En ik vind ook dat we nu harder moe­ten rijden om de tijd te halen. Vroeger gingen we bij het Victoriahotel gelijk rechtdoor naar het station. Nu moeten we om het koffiehuis heen. Die tijd hebben we er nooit bijgekregen. En vroeger kon je op de Munt met dat dubbele spoor gauw effe voor de 25 duiken. Dat kan nu ook niet meer. Er is ook minder spel bij. Vroe­ger deden wij met de 25 wie het eerste bij de Al­bert Cuyp was, daar komen we samen. Hij moest eerder weg, lukte het, dan stond hij toch tegen jou aan. Ik wil niet zeggen, vroeger was ideaal, integendeel. Ik vind dat de conducteur moet terug op de tram, en zo gauw mogelijk, al was het maar vanwege het vernielen en het zwartrij­den. Maar dan niet als vroeger. Vroeger had je drie rangen: de onderste was conducteur, daar­na de trambestuurder en dan als hoogste de bus­chauffeur. Ging je als conducteur bij een bestuurder aan tafel zitten, werd je weggetrapt. Er waren er bij, die praatten niet eens tegen je, zoveel minder was je als conducteur. Voor die was je bang, kan je nagaan wat je voor een chef was. Stond die in de buurt, dan rééd je wel — meestal bibberend. Dat hoeft van mij niet terug. Maar zoals nu: dat uniform dat ze soms aan heb­ben, je schaamt je dood. En die taal, je hebt er­ bij die hebben het over de kudde vee die ze mee­ nemen. Ik vind, had dan ander werk gekozen. Ik zelf, ik blijf beleefd tegen wie beleefd is en de rest: ga je gang maar. Ik ga daar niet op letten. Als je gaat letten op alles wat gebeurt en wat niet mag, dan rij je niet meer. En ik rij graag. Zou je élke passagier die met een ijsje of sigaret binnenkomt vriendelijk verzoeken om… op tijd zou je zeker niet komen.
Autorijden vind ik niks aan, maar die tram! Het is jammer dat het nou niet veel meer uitmaakt hoe hard of je werkt. Vroeger was het zo: hoe harder jij werkte, des te meer fooi. Dat is over. Fooi krijg je niet meer. Ik vond het altijd heer­lijk, fooi. Had je tussen de ritten door gratis kof­fie.’

Het is met controle als met gezag: daar kan niet genoeg van zijn, voor de buurman.

De roep om controle

In hun huisje aan het eindpunt doen de bestuurders van lijn 16 er niet moeilijk over. Het wordt hoog tijd dat ze die klootzakken die ziek op de camping in de zon liggen op gaan halen, in een lege tram zetten en zo gauw als het kan de WW in rijden. Zij lekker languit, zodat wij geen verlof kunnen opnemen? Aanpakken die hap.

Want het is met controle als met gezag: daar kan niet genoeg van zijn, voor de buurman.
Op lijn 16 had je dat niet, dat zo maar ziek thuisblijven. Op andere lijnen? Breek me de bek niet open. De lijnchef zit erbij en denkt er net zo over; toevallig heeft hij een gouden ploeg onder zich.
Wij zeggen pesterig dat het ziekteverzuim op lijn 16 niet speciaal lager is dan op andere lijnen.
Nee, dat is zo.
Maar zo maar thuis blijven, dat was er op 16 niet bij.

De hemel zij onze, en de interviews met de bestuurders uw getuige: dat vinden wij ook. Maar zou het op andere lijnen echt anders zijn? Of zouden de uren die je zélf wederrechtelijk op de camping doorbrengt vanwege opgestapelde spanning, opgekropte woede en opgezouten onvrede te excuseren zijn, terwijl een ander daar alleen maar rondhangt omdat hij godverdomme te lui is om één poot voor een andere te zetten?

In die context vindt de aankondiging van de nieuwe tijdgeest, de roep om controle, een vruchtbare voedingsbodem, ook onder bestuurders. Het is de erkenning van het feit dat er aan de oorzaken niets meer te doen valt, en dat de gevolgen nog slechts met repressie binnen de perken zijn te houden.
Alom klinkt de roep om controle, het negatief van de verloederde tijdgeest van toen waarvan dus een positieve werking verwacht wordt voor de komende dagen.
De Amsterdamse politiewoordvoerder spreekt ervan, misschien niet zó verwonderlijk: ‘De gedachte,’ zegt hij, ‘dat er geen controle meer nodig was heeft toch een totaal verkeerd beeld van mensen gehad. Wat heeft het niet allemaal opgeleverd? Zwartrijders, vernielingen, passagiers die lastig worden gevallen, bestuurders die bedreigd worden, zakkenrollers. Hel zijn beste brave mensen die bedacht hebben dat het zonder controle ook wel goed zou gaan. Maar ze kwamen op dat idee vanuit een kantoor, en niet vanuit de praktijk.’ Het hoofd van de kaartcontrole, ook niet zó gek, valt hem bij: ‘Aan de controle is jarenlang te weinig aandacht besteed en dat kwam vanuit de politiek. We horen het nu nog wel: jullie eigen wethouder wilde toch dat het openbaar vervoer gratis werd?’ Minder voor de hand liggend, de chef vervoer: ‘Hadden we maar een bedrijfsarts, dan konden we hem nog iets vertellen.’ En een van zijn plaatsvervangers: ‘Als je geen stok hebt om te slaan, dan kan je dit verwachten. De Emielhoek in dit bedrijf bestond toen ik kwam uit mevrouw Verstoep, ik denk dat ze nu met meer dan honderd man zijn. Aardige lieve mensen, die regels bedenken en geen controle willen, omdat ze zich niet kunnen vóórstellen dat anderen zich aan die regels niet houden. De vraag om de stok komt nu ook van de bestuurders zelf, die maakt het te bont, doe er wat aan, pak die boosdoeners.’

Er zijn nog tegenstemmen. Die van het hoofd personeelszaken, bij voorbeeld: ‘Hardere controle? In Utrecht hebben ze het gedaan bij het vervoerbedrijf. Zakte het ziekteverzuim met de helft. En ondertussen zette het zoveel kwaad bloed, dat het daarna nog hoger is geworden. Het bete­kent, je vertrouwt je mensen niet. Op één procent na zijn die wél te vertrouwen. Dus je zet kwaad bloed bij negenennegentig procent om die ene pro­cent profiteurs te kunnen pakken, wat niet lukt omdat die één procent zich het best bewapend heeft.’

Maar de tegenstemmen zullen het niet redden. We krijgen een stuk d.d. 6 september 1984, opgesteld door de coördinatiegroep onderzoek ziekteverzuim, en we begrijpen waarom zij ‘het achterste van hun tong’ niet konden laten zien. Het hemeltergend mensvriendelijke zeepsop dat ze tegenover ons produceerden, is daarin vervangen door de nieuwe tijdgeest — tijdig op het volgende paard gewed. Over de oorzaken van het ziekteverzuim reppen de onderzoekers niet meer. Ze stellen kortweg voor om de ziekmelder te verplichten ‘voor aanvang dienst contact op te nemen met de arts’ en zich ‘uiterlijk de derde dag lijfelijk te melden op het spreekuur van de arts’, en hem in te prenten dat ‘overtredingen direct worden bestraft’.

Baas op de baan

‘Jullie krant is links, nietwaar? Ik steeds minder. Misschien hadden jullie niet naar mij toe moe­ten komen. Ik zeg geen dingen die jullie willen horen. Ik ben anders dan mijn collega’s. Van mijn passagiers heb ik geen last, want ze raken me niet meer. Van het bedrijf trek ik me niets aan. En met de kortingen heb ik niet veel moeite — ik kan wel inzien dat het nodig is.
Dus wat willen jullie nog meer weten? Nee, ik heb er niet altijd zo over gedacht. Ik werk er nu twaalf jaar, na zes jaar kwam ik een keer thuis, vraagt mijn vrouw, wat is er aan de hand? Ik zeg, niks. Ik zie je nooit meer lachen, zegt ze. Ach mens, doe niet zo moeilijk, er is niks. En een uur later dacht ik, ze heeft gelijk. Sterf maar, nou is het over. Sindsdien gaat het veel beter, prima. Als ze beleefd zijn, ben ik beleefd terug. Schelden ze, denk ik, bekijk het. Zeggen ze niks, dan zeggen ze niks. Ik heb het daarvoor wel gehad dat iemand tegen mij zei, goedemid­dag bestuurder. En dat ik zei, alstublieft mijn­heer, wilt u dat nóóit meer doen. Zomaar het woord tot mij richten. Ik schrik me rot.’
Klopt. Veel toekomstmogelijkheid is er niet. Nou vind ik, dat chef-gedoe lijkt aardig, maar zonder onze toeslagen verdienen zij niet veel méér. Zal ik me zelf even op de borst kloppen. Ik zit toevallig wel met mulo en middenstand op dat ding. En mijn Engels, heb ik geen proble­men mee, gaat uit de kunst.
Ik ben wel opgegaan voor chef. Vijf jaar gele­den, Voor techniek en administratie had ik een 9 1/2 en een 10. Moest ik nog getest worden. Ik had gelijk een aversie tegen die vent, zo’n baard en zulk lang haar. Ik denk, moet díé mij beoor­delen? Dus ik was verlegen en ik kon niet om­gaan met mensen. Teleurgesteld kun je niet zeg­gen, het hoort erbij. Zulke lui hebben het voor het zeggen.
Dát zit me wél hoog, klopt. Ik ben eigenlijk ie­mand voor law and order. Dat wil links toch niet en die hele handel die het in de stad voor het zeggen heeft? Ik voor mij, ik draag de stad niet meer in mijn hart, niet meer als vroeger. Wat mij betreft, als die stad in brand vliegt, ik red mijn vrouw en mijn kinderen, maar ik zal er verder geen hand naar uitsteken. Toen ik bij mijn vorige baas wegging had ik een lijstje. Eén politie. Twee brandweer. Drie tram. In die volgorde. Het is tram geworden. Politie moest je een jaar intern. Brandweer vond mijn vrouw niet goed. Mijn idee was niet zozeer overheids­dienst. Mijn idee was de orde te handhaven of zo. Ik heb het minste van de drie gekozen, niet alleen wat vooruitkomen betreft, maar ook: je kan niks dóén. Ik erger me groen en geel als ik door de stad rij. Kom ik langs de kop van de Zeedijk, heb ik zin om een punt 50 op het dak van mijn tram te zetten. Kom ik in de buurt waar ik geboren ben, denk ik, goh, heb ik daar gewoond? Bekijk je nu de volksbuurten, ik weet, ik kom op gevaarlijk terrein, je zal weinig Ma­rokkanen zien die hun straat schoonhouden, trouwens ramenlappen is er ook niet meer bij. Een collega van me zei, ik neem een jaar vrij. Bouw ik een boot, breng ik alle Surinamers te­rug. Nu zeggen wij, bouw er een, maar niet zo’n beste, je hóéft niet aan te komen. Ik kan het niet verkroppen. Links vindt toch dat wij ons moe­ten aanpassen? Zij nooit, daar hoor je nooit wat van. Ik vind, het moslimfanatisme is gevaarlij­ker dan de atoombom, de aartsvijand van het christendom. Mohammed is geen vreedzame godsdienst, we hebben het paard van Troje binnengehaald. Er is al een wig gedreven tussen de Nederlanders en de joden, ik heb ook rondgere­den met een sticker, wij staan achter Israël. Is al­ lang niet meer zo, ik nog wel, ik ben zéér pro-joods, maar wij niet meer. Ja god, ik weet het niet meer. Het is allemaal zo onduidelijk, ik weet het niet meer. Ik heb ook wel VVD gestemd. De Partij van de Arbeid, persoonlijk noem ik het de Partij van de Onarbeid. Ik ben helemaal niet voor radicaal, ik houd niet van ra­dicaal, in Zuid-Amerika heb je radicaal-rechts, daar moet dan wel radicaal-links tegenover staan. Maar bij ons? Waarom? En toch, als ik Janmaat op de tv hoor, dan zegt die een hoop dingen die mij aanspreken. Je krijgt het niet voor elkaar, niet meer denk ik, om een sfeer te scheppen waarin de mensen zeggen, oké, ze zijn hier nu eenmaal, prima. Ik persoonlijk vind, maar dat mag ik ook weer niet zeggen, buiten­landers met een strafblad, eruit. Opgeruimd staat netjes. Die nu links zijn en het voor het zeggen hebben in de stad, die zijn in weelde grootgebracht, en buiten de werkelijkheid opge­voed. Die weten toch niet meer wat er bij de ge­wone man leeft! Die hebben het toch zo ge­maakt als het nu is: een antwoord is alleen nog goed als het positief is. En anders steken we een tram in de fik! Ik heb er toch bijgestaan op het Museumplein! Het liefst wil ik dan de mitrail­leur erop hoor.

Ik vind, het moslimfanatisme is gevaarlij­ker dan de atoombom, de aartsvijand van het christendom.

Wat er zou moeten gebeuren? Optreden! Ik heb ze gezien met die kniven, achter in de tram, twintig grote kerels erbij en niemand die iets doet. Voor mijn part stampen ze ze door de bo­dem van de tram, maar doe iets!
Maar goed, ik heb me er nu bij neergelegd, ten­ minste in de tram. Nu denk ik: zolang ze maar niet in mijn cabine komen. Als ze vragen hoe lang mijn tram is zeg ik, een meter ongeveer, hooguit anderhalf. Mij hoeven jullie verder niks meer te vragen. Ik zit op de tram, ik rij in een gootje, ik kan niet links en niet rechts. Het is een bak van dertig ton, daarmee door de stad denderen of laat ik zeggen rijden, geeft mij min of meer dat machtsgevoel. Groot woord mis­schien, maar toch, de baas op die baan, dat ben ik dan.’

Een zucht van verlichting

‘Controle,’ zegt de PvdA-wethouder Michael van der Vlis, politiek verantwoordelijk voor het vervoerbedrijf, ‘is voor mij geen vies woord. We gaan daar nu meer nadruk op leggen.’
We hadden hem gevraagd of het juist was dat Den Haag geëist had dat het aantal bestuurders moest verminderen, en dat hij geëist had dat er desondanks niet minder trams en bussen op straat zouden rijden. Hij had gezegd dat dat klopte, en dat zijn eis in feite de wens was van de klant wiens spreekbuis hij was. Het kón ook, het was niet onuitvoerbaar gebleken. Het kon door de efficiency te vergroten en door hárder te werken, dus minder ziekteverzuim.
En zo waren we bij het verschijnsel controle te­recht gekomen.
Wij: jarenlang is er tegen bestuurders gezegd: u heeft een zwaar beroep, dat brengt een hoog ziekteverzuim met zich mee, daar gaat iets aan gedaan worden. De roosters gaan verbeterd worden. En nu zegt u: vergeet het maar, accep­teer een roosterverslechtering, u moet harder en efficiënter werken en u moet minder makkelijk ziek thuis blijven.
Van der Vlis: ‘Of mensen dat accepteren hangt af van de vraag of ze willen begrijpen wat er finan­cieel aan de hand is. Blijkbaar doen ze dat want ze hébben een roosterverslechtering geaccepteerd, een vrije zaterdag minder. Daartegenover heb ik geac­cepteerd dat er op zaterdag dan maar wél minder openbaar vervoer is.’
En het ziekteverzuim, hoe wilt u dat aanpakken? Van der Vlis: ‘Ik moet eerlijk zeggen, toen wij in de pers kwamen met nogal veel bombarie rond het ziekteverzuim, toen zei iedereen die ik tegenkwam, uit de regionen van de werkvloer dan, kaderleden van de vakbond vooral, dat moet ik erbij zeggen, die zeiden allemaal: meer controle, voor ons is het een zucht van verlichting. Wij willen gewoon leuk ons werk doen. Wij willen niet dat een groepje ons het werken tegenmaakt, zodat wij moeten opdraai­en voor het feit dat zij thuis zitten.’
Wordt het ziekteverzuim dan veroorzaakt door een groep oplichters?
‘Het is nu tijd om die kant óók te benadrukken. Er wordt óók misbruik gemaakt van de ziekteregeling. Er is ongetwijfeld een groep die de zaak verstiert. En daar báált iedereen van.’
Nog niet zo heel lang geleden stuurde u een or­ganisatiebureau af op de bestuurders: ze moch­ten vertellen waarom en waarvan ze ziek wer­den, want dan werd daar iets aan gedáán.
‘We doen er ook iets aan. Dingen die belangrijk zijn voor het klimaat. Schaalverkleining, méér lijnchefs…’
En méér controle?
‘Dat komt erbij.’
Ook nog niet zo héél lang geleden vond, bij voorbeeld de politieke stroming die u vertegen­woordigt, dat controle niet meer nodig was. De trambestuurder kon best zelfstandig functione­ren. Een toekijkende chef was overbodig. En of hij al dan niet ziek was, dat kon de bestuurder zélf wel uitmaken.
‘Mijn gedachten op dat punt zijn verschoven, en ik moet toegeven, dat zit mij niet lekker. Van het feit dat ze niet gecontroleerd worden maken méér men­sen misbruik, dan wij indertijd hebben willen aannemen. En ik geef ook toe: voor ons is het lang een taboe geweest om er zó tegenaan te kijken.’
Wij denken eerder: ‘nu het geld op is, moeten de mensen weer achter de vodden worden geze­ten.’
‘Wij moeten de trambestuurders duidelijk maken waar het ons om begonnen is. Het gaat erom dat hij niet ook, net als zijn buurman, werkloos thuis komt te zitten.’
Een ander taboe: volgens de trambestuurders is zakkenrollen op de tram de specialiteit van een Surinaams terreurgroepje.
‘Praat je inderdaad weer over zo’n taboe. Onge­twijfeld zit er een vertekening in het beeld van de bestuurder, maar ik geloof best dat hij gelijk heeft.’
Zelf denkt hij: als ik dat hardop zeg verlies ik mijn baan.
‘Het kwaad van discriminatie zit niet in het feit dat je iets constateert, maar in de stap daarna; dat je het geconstateerde feit van toepassing verklaart op een hele bevolkingsgroep. Het is een tamelijk ingewikkeld verhaal, ik denk dat een trambestuurder er zeer terecht vanuit gaat dat een groep buitenlanders op zijn zak rijdt. Als je dat zegt, heb je het dan over discriminatie of over de dingen bij hun naam noemen?’
Nu doet u precies wat de bestuurders zo irri­teert. Ze willen klagen over een incidenteel groepje Surinaamse zakkenrollers, en het ant­woord is een algemeen verhaal over discrimina­tie, aan het eind waarvan de zakkenrollers waar het over begon vergeten zijn, maar nog steeds zakkenrollers.
‘Goed, de bestuurder heeft gelijk: zakkenrollers in de tram zijn Surinamers. Wat kan je dan met zo ’n gegeven ten opzichte van je product openbaar ver­voer? Moet je dan vervolgens alle Surinamers weigeren? Een keurige, nietsvermoedende, betalende Surinamer is een trampassagier, en die mag niet de dupe worden. Met dat gegeven kan het openbaar vervoer dus niets doen, daar moet de politiek zich mee bezighouden. En die moet beseffen dat de bestuurder het met dat gegeven best moeilijk kan hebben.’
Dan zijn we hier op de goede plaats. Wat doet de politiek met zo’n gegeven?
‘Zeven jaar geleden heb ik een lezing gehouden voor de Coornhertliga, en toen heb ik al gezegd: als heroïne niet wordt vrijgegeven gaan we onbeheersbare ordeproblemen krijgen, die tot fascistisering leiden. In mijn optiek heeft het met het heroïneprobleem te maken. Daaruit vloeit die kleine criminaliteit voort, waar een steeds groter bestanddeel van de sa­menleving mee maken krijgt.’
En die, omdat er niets aan gedáán wordt, een steeds groter bestanddeel van de samenleving richting Centrumpartij drijft.
‘Ja, en de overheid is tot nu toe niet in staat geble­ken om daar een adequaat antwoord op te geven.’ Omdat de overheid niet reageert, kun je een reactie verwachten in de trant van, de politiek is slap gedoe, er moet orde op zaken gesteld wor­den.
‘Lang geleden zei de VVD’er Jacobse in de raad al: de maatschappij zal een reactie afdwingen. Wij vonden dat toen indianenverhalen. Hij had gelijk: als wij geen antwoord geven, komt er een rechts antwoord. Het hoorde bij ons in de taboesfeer thuis, en eigenlijk is dat nog zo.’
Wat ís uw antwoord, behalve dat de heroïne gra­tis moet?
‘Ik zeg, vanuit één hoek in de samenleving komt die uitbreiding van de criminaliteit.’
De hoek van de Zeedijk?
‘Ik denk altijd: heroïne, misschien simplistisch, die verzieking leidt tot onbeheersbare processen. Dat is de spil van het hele gebeuren.’
Denkt u dat het feit dat de overheid geen ant­woord heeft ertoe bijdraagt dat bestuurders eer­der ziek thuis blijven?
‘Ik weet het niet, het eerlijkste antwoord luidt, nee dat denk ik niet. Het heeft meer te maken met de vraag of je zinvol bezig bent in je werk, of je het ge­voel hebt dat je een goed product levert. En dat heeft natuurlijk weer wél relatie met de vraag of er achter je rug een zakkenroller bezig is of de tram wordt gesloopt.’
Dus toch?
‘Die maatschappelijke factoren, wat kan ik er mee? Als wethouder vervoer kan ik de criminaliteit niet oplossen.’

Dertig ton staal

‘Ik ben nog net met de laatsten erbij gekomen, vijf jaar geleden. Ik had altijd al het idee, ik moet een vaste baan, niet zo een van het werk is op, sorry jongen. Ik kende er een die bij de tram was, liep bij mij het zweet over mijn rug, zag ik die snuiter zitten. Dus ik dacht, daar dan maar. Ik begon net in die rotperiode, natte herfst, strenge winter. Dus ik wist gelijk dat jij het wel kan willen, maar dat die tram het dan nog niet doet. En ik was gelijk het idee kwijt van benen over elkaar. Dit is werk, iets afmaken doe je niet. Je rijdt heen en weer en klaar ben je nooit. Iets maken of een oplossing bedenken, zoals een timmerman, iets waar je ’s nachts wakker van kan liggen, dat is er niet bij. Ik lig wel wakker ’s nachts, maar dan van de spanning.’
Wat deed u voor werk?
‘Ik wás timmerman.’
Ging u méér verdienen bij de tram?
‘Minder juist. De burgermaatschappij is nou eenmaal zo. Je verdient een hoop zwart. Ik had vijfhonderd schoon in de week, maar je staat voor het minimum op de lijst. Dus word je ziek of krijg je een ongeluk, of word je ontslagen, dan krijg je het minimum als uitkering. Daarom ben ik veranderd. En nu is er geen weg terug meer. Kijk je mij in mijn hart, kijk je iedereen in zijn hart, de meesten zouden graag terug willen.’
Waarom?
‘Omdat je er niet gezond bij blijft. Toen ik pas in dat huisje kwam, als je dan hoorde hoe ze praatten over het bedrijf, over de passagiers, niks deugde ervan. Ik dacht, het rijdt toch. Alles is geregeld. Elke maand poen. Bij mijn vorige baas moest ik knokken voor elke stuiver. Nu werk ik er vijf jaar, en nu hoor ik wat ik zélf zeg. Gadverdamme, ik ben óók zo geworden.’
Hoe dan?
‘Negatief en op van de spanning. Die bouw je op tot een punt, en dan kan je twee dingen doen. Je kan denken, ik stap af, bekijk het maar, ik blijf thuis, weer een zieke erbij die niet ziek is. En je kan het afreageren, thuis of op de tram.’
Wat doet u als u het afreageert op de tram?
‘Een normale bestuurder rijdt van nature defen­sief. Je weet hoe laag je remvermogen is en je kan geen kant op. Wil je afreageren, dan ben je niet normaal, en dan word je agressief. Weer die auto’s op jouw baan. Dus dan rem je nog wel, maar niet zo gauw. Een keer gaat het goed, de tweede keer ook nog, de derde keer rem je echt te laat. Jammer, auto een deuk, mij kost het geen cent. In het verkeer is de tram nooit fout, mijn verhaaltje is klaar. Hè hè, dat lucht op.’
Had u die dag beter thuis kunnen blijven.
‘Om dáár voor het minste of geringste op te vlie­gen?’
Misschien toch beter dan expres niet remmen.
‘Zo bewust gaat het niet. Je remt wel. Maar je remt te laat. En dat weet je. Je had op tijd kun­nen remmen. Had hij maar niet op mijn baan moeten komen. Ik bedoel niet dat je ’m er be­wust vol ingooit. Van die kleine aanrijdinkies. Achteraf heb je spijt. Op 16 verkoop je je ’s zo­mers suf aan kaarten. Dus wat krijg je? Vertra­ging. Je gaat rijden. Je komt bij een zebrapad. Het licht springt op wit, dat is groen voor ons. Zo’n twintig mensen steken nog over. Het is im­beciel, maar je douwt zó die knuppel naar voren. Lopen ze door, ben ik te laat met remmen. Het gaat goed, er gebeurt niks. En toch denk je, wat doe ik? En daarna denk je, wat kan mij het schelen. Dat stomme zootje. Voor hetzelfde geld rij ik er een plat.’
Wat doet u als u dat denkt?
‘Ga ik nóg langzamer rijden. Krijg ik van mijn collega’s een zetje.’
Een gevaar op de weg.
‘Ja, want je bent overspannen. Maar zelfs als ik wéét dat ik het ben, zeg ik nog, flauwekul, stel je niet aan. Net als met vermoeidheid. Je wéét dat je eigenlijk niet meer kan. Gebroken dienst ge­had, ’s morgens de spits, overdag de drukte, ’s avonds de spits, dat komt voor, maak je zestig uur in vijf dagen. Je ogen worden moe, je wordt slaperig. Raampje open, krijgt opa het koud, raampje weer dicht. In feite ben je rijp voor Meerenberg. Ondertussen rij je met dertig ton door de stad. Rijden is het probleem niet. Rem­men is moeilijk. Je remt, mooi mis, gebeurt niks, hij gaat gewoon dóór. Zit je te wachten op de klap. Moeten ze dan je hartslag meten.’
En de onze, als we daar in de buurt zijn.
‘Het is allemaal zo waanzinnig. Dertig ton staal! Door de stad! Gaan automobilisten je pesten. Tien meter vóór je effe op de rem trappen. Om­dat ik hem aanbel. Hij weet niet eens waarom ik bel, want er is nooit iemand die hem op het ge­vaar van de tram attent maakt. Die imbeciel, ik bel omdat de baan glád is. En omdat ik, als ik veertig rij, ook met mijn blokken niet zó veel meer uithaal.’
Wat doet u na een aanrijding?
‘Als het aan het publiek ligt: niks. “Gaat het nog lang duren?” Al ligt er iemand onder, vragen ze nog of het lang gaat duren. Maar voor me zelf, een aanrijding met personen, dat is schudden in je voegen. Ik zie hem nog. Hij had een lammycoat aan. Hij komt achter een andere tram langs, stuitert zo een meter of tien weg. En hij stond óp. Zó’n kop had ie, maar hij stond op. Ik wil een ziekenwagen bellen, ik draai me om en hij is weg. Het was een buitenlander, ik denk dat hij illegaal was. Zal wel om de hoek in mekaar ge­zakt zijn. Wat moet ik dan doen? Geen mens in de tram die boe of ba zegt. Ik rijd dus dóór. ’s Nachts word ik wild van het zweet wakker.’

Branieschoppers en Brallers

Vorig najaar heeft de Amsterdamse tram gestaakt. De regering wilde de ambtenarensala­rissen met drieënhalf procent korten, het werd afgemaakt op drie procent en toen was de sta­king voorbij. Jaap van der Scheur van de Abva/Kabo vond het een overwinning. De bestuurders van lijn 16 wisten daarna zeker dat hij gek was.
Een staking bij de tram gaat zo: ’s avonds of ’s nachts is er een vergadering van de bond, die het voorstel om te staken in stemming brengt. Wie daar niet bij is, stemt uiteraard niet mee. Wordt het voorstel aangenomen, dan plaatst het vakbondskader, in alle vroegte, enige voertuigen op het uitrijspoor van de remise. Geen tram kan naar buiten en de staking is een feit.
Daarna komen de bestuurders. Zijn ze lid van de bond, dan hebben ze twee mogelijkheden. Ze kunnen in de remise linksaf gaan en voor werk­willige tekenen. Dan krijgen ze gewoon uitbe­taald. Ze kunnen ook rechtsaf gaan en voor sta­ker tekenen. Dan krijgen ze van de bond een vergoeding ad ƒ75,- per dag.
Van de bestuurders van lijn 16 was een enkeling aanwezig bij de stemming. De meerderheid heeft voor werkwillige getekend.

Als het aan hén gelegen had, hadden ze tot de dag van vandaag langzaam aan gereden, geen kaarten verkocht, stiptheid betracht, god mag weten wat, maar in ieder geval dóórgevochten.

Die voor staker getekend hebben zijn het bit­terst. ‘De bond heeft ons verraden’, zegt de een, ‘de bond heeft ons laten zakken’, de ander. Een derde heeft zijn lidmaatschap opgezegd, en een vierde ‘vergeet dat altijd te doen’. Een vijfde zegt niet dat hij lid is, maar dat hij nog lid is, en een zes­de, dit keer een lid van de christelijke vakbond, ‘gooit dat boekje, kijk, hup, in de prullenmand.’ Die voor werkwillige getekend hebben, hebben dat niet gedaan omdat ze het met de acties van toen niet ééns waren. Dat waren ze bijna alle­maal wél, en hoe. Ze verwijten de bond niet dat die actie gevoerd heeft. Ze verwijten de bond dat die zo’n waardeloze rotactie gevoerd heeft. Passagiers gedupeerd, Den Haag niet geraakt en het vervoerbedrijf uit de rode cijfers geholpen.
Als het aan hén gelegen had, hadden ze tot de dag van vandaag langzaam aan gereden, geen kaarten verkocht, stiptheid betracht, god mag weten wat, maar in ieder geval dóórgevochten zonder de passagiers de stuipen op het lijf te ja­gen. Maar dat mocht niet van de bond, want dan kregen ze moeilijkheden met de rechter. Me­nigeen vroeg zich af of het strijdmiddel tegen­woordig vanwege de rechter werd vastgesteld, in plaats van door de stakers zélf.
De slotsom is dat ook het meest fervente bondslid moeite heeft om een term te vinden, voldoende krachtig om zijn afkeer van de bond uit te drukken. In dit verband noteerden we, achtereenvolgens: ‘Verraders. Slappelingen. Vrijgestelde profiteurs. Zie je nooit. Maken dat je aan de Centrumpartij gaat denken. Branie­schoppers. Net de Wehkamp. Allang opgezegd. Kost alleen maar geld. Geen interesse. Handje­klap. Brallers. We moeten eigenlijk een bond oprichten tegen de bond. Zakkenwassers. Lou­ter intimidatie.’ De érge scheldwoorden hebben we uit deze opsomming weggelaten.
Binnen het vervoerbedrijf zijn de woorden vak­bond en medezeggenschapscommissie vrijwel identiek. Zowel in de sectorale medezeggen­schapscommissie (van de afdeling vervoer) als in de centrale medezeggenschapscommissie (van het héle bedrijf) neemt de Abva/Kabo-fractie een meerderheidspositie in.
Van sommige personeelsvertegenwoordigers, sinds jaar en dag voor hun vakbonds- annex me- dezeggenschapswerk vrijgesteld, valt het moei­lijk meer uit te maken of ze nu wagenbestuurder dan wel bedrijfsbestuurder zijn: door het mid­denkader worden ze ‘schaduw-directie’ ge­noemd. In de remise komen ze zelden, op de tram vrijwel nóóit. Misschien is dat maar goed ook. Want als de trambestuurders zouden weten wat hun vertegenwoordigers, bij gelegenheid, na­mens hen voorstaan, dan zouden ze, naar mag worden aangenomen, bij zulke gelegenheid in nog hele andere bewoordingen worden toe­gesproken dan branieschoppers en brallers.

Een andere baas

‘Voor het station, zegt de een, ‘is een informatiehuisje. Als je niet weet waar je heen wil, zeg­gen ze daar: dan moet u met lijn 16. Die komt overal langs.’
‘De leukste lijn dus,’ zegt de ander. ‘Links van u ziet u het Nationaal Monument, rechts het Ko­ninklijk Paleis, als u na de volgende brug voor u uitkijkt ziet u het Rijksmuseum.’
‘Amerikanen zijn vaak heel rustig.’
‘Als je niks zegt, zitten ze op het eindpunt nóg in de tram.’
‘Rij je ze gewoon weer terug, Rijksmuseum, hier uitstappen.’

Ze zijn allebei van origine Amsterdammer, van­wege herhuisvesting en hun salarisstrookje naar de vrije sector en dus naar een woning buiten Amsterdam verwezen.
‘Dit huis in Amsterdam? Morgen nog terug. Vanavond nog.’
‘Liet ik mijn spullen achter.’
In de buurt waar ze vroeger woonden zaten de schoolverlaters ’s nachts op een trommel te slaan, dus wilde je om vijf uur fris op, dan moest je iets anders gaan zoeken.

Ze zijn elkaars buurman en elkaars ploegmaat. Ze hebben bijna dezelfde diensten. Kunnen ze samen op en neer rijden.
‘Op papier dan.’
‘Soms ben ik om twee uur klaar en hij om vijf uur.’
‘Dat komt, het roosterbureau heeft het héél druk.’
‘Die moeten het rooster aan de wethouder voor­leggen en aan Den Haag en aan de Vakbond en aan de Arbeidsinspectie. En dan vragen ze aan ons, heb je het goed gehoord? Die vinden het al­lemaal goed, we kunnen er niets meer aan veran­deren, wat vinden jullie ervan?’

‘Ik ben bij de tram gekomen om het salaris,’ zegt de een.
‘En ik om de grap.’
De een kon zevenhonderd gulden méér verdie­nen dan in de garage, de ander ‘stond in de ho­reca, geintje met de andere obers, ik wou inte­ressant doen, formulier ingevuld voor de tram, en nu zit ik er ook nog.’
‘Met dit salaris en een andere baas was ik gauw weg.’
‘De meesten denk ik. Ik ook.’
Wij vragen: ‘Waarom?’

‘Eigenlijk is het leuk werk.’
‘Elke rit is anders en vervelen doe je je niet.’ ‘Die ABN-ritten zijn een stelletje chagrijnen.’ ‘Behalve op vrijdagmiddag. Ze kunnen lachen. Nou ja, glimlachen.’
‘Er lopen zoveel mooie vrouwen door de stad.’
‘En je krijgt je vaste gekken mee.’
‘Frans, altijd dronken. Moet er op het Valeriusplein uit, dus ik let effe op. Vergeet-ie het, loop ik naar achteren. Frans wakker worden, uitstappen.’
‘Sinds het station dicht is, rijen ze met ons mee. Soort landlopers. Vooral in de winter, lekker warm.’
‘Ze zitten tot en met de laatste rit. Haal ik ze er­ uit, zet ik ze op de nachtbus, slapen ze daar ver­der.’
De twee bestuurders zijn het met elkaar eens: er zijn geen trams in Amsterdam die deugen, be­halve die van 16.
‘Neem nou 6. Zit nooit iemand in.’
‘Heb je ook nooit gewonden.’
‘Of 24. Daar zijn ze vrij schrijverig. Twee mi­nuten te laat, noteren ze je nummer.’
‘Vraag ik: wil u een envelop en een postzegel? Maakt het er niet beter op.’
‘Wij en 24 rijden bijna dezelfde route. De arme mensen gaan met ons mee.’
‘Natuurlijk. Die weten dat wij één zone minder stempelen.’

Dus daarom willen jullie naar een andere baas, zeggen wij. ‘Ja. Nee serieus. Het komt door de dingen eromheen. Als het bedrijf en de politie maar wilden meewerken.’
‘Vergeet de vakbond niet!’
‘Die ben ik al vergeten, want die heb ik opge­zegd.’
‘Ik ben nog wel lid. Voor mij had die staking ook niet gehoeven.’
‘Ik meld me aan de poort in mijn uniform om te rijden. Is het hek dicht, staat er een kraanwagen voor en is de stroom eraf. Lees ik later in de krant dat ik gestaakt heb.’
‘Voor mij had het niet op die manier gehoeven.’ ‘De bond is er toch voor ons en niet om een re­gering af te zetten? Ze zeggen wel, we zitten daar voor jullie, maar ze zitten er vooral voor hun eigen plezier.’
‘Het is waar dat een klein groepje kaderleden de zaak heeft doorgedrukt.’
‘Het leuke is, de jongens die gestaakt hebben, die hebben minder uitbetaald gekregen. Maar de kaderleden die de staking geleid hebben, die zijn vrijgesteld. Die zijn gewoon dóórbetaald.’ Wij zeggen: ‘jullie willen geen andere baas. Jul­lie willen een andere vakbond.’
‘Met het bedrijf is het precies hetzelfde. Ze doen met ons, zonder ons, tegen onze zin en ze zeggen dat het in ons belang is.’
‘Hun interesseert maar één ding: dat de tram rijdt.’
‘Interesseert mij ook.’
‘Neem bij voorbeeld die nieuwe tram. Grandio­ze wagen. Alleen, de deuren gaan niet dicht. Nog een passagier, weer vijf minuten deuren open.’
‘Die is goed voor een dorp.’
‘Waait er een papiertje binnen, gaat ie heen en weer.’
‘’s Winters sta je met een haarföhn die dingen warm te maken, want dan gaan ze weer niet open.’
‘Of neem de vrije trambaan.’
‘Waar die nodig is, is ie niet. En waar hij is, is hij niet nodig. In de Vijzelstraat zou het moeten. Op de Slotermeerlaan is het wáánzin, daar kom je toch wel vooruit.’
‘Als je vraag waarom, zeggen ze, daar past het in de infrastructuur van de buurt.’
‘In het centrum is het ideaal. Op het Damrak? Buitenlanders denken dat het een voetpad is. Vandaar af kan je de geveltje zo mooi fotografe­ ren.’
‘Alleen die gele dingen op de Overtoom. Die zijn goedkoop en die werken prima.’
‘Als je daaroverheen gaat, ben je tenminste je uitlaat kwijt.’
‘In de Albert Cuyp zou het wel van pas komen.’
‘Bij die eethuisjes staat er soms een file op de baan geparkeerd. Jij geeft het door aan de cen­trale en zij zetten het antwoordapparaat aan.’
‘Heb je geluk, is er binnen een kwartier een lijn­ chef. Komt-ie met ons méékijken.’
‘De politie heeft net etenstijd, dus die rijen dóór.’
‘Eindelijk komt moeder terug. Is effe op de markt vis wezen halen voor de kat. “Gut, kon u er niet dóór?”’

Ze zeggen dat ze medezeggenschap hebben — een keer in het halfjaar. ‘Voor de rest word je als kleuters behandeld.’
‘Technisch kan er volgens hun niks mis zijn, dus de bestuurder heeft altijd schuld. Moet je ontsporen. Als een crimineel word je behan­deld. Chef erbij, o, ik zie het al, rijverbod.’
‘We hebben nog wel eens een remweigering, maar dat kan volgens hun niet. Dus nu spreken wij maar van het verrassingseffect. Je remt en hup, de halte is weg. Als bestuurder krijg je dan een beoordelingsfout.’
‘Ik vind een portemonnaie met een ring erin en papieren. Ik geef die af. Schrijft die vent een brief: waar is mijn geld? Tweehonderd gulden. Moet ik bij de chef komen! Ik ontken. Wat houdt hij over? Dat ik het gedaan heb.’
‘We mogen ons één keer verslapen. De tweede keer moet je nablijven. De derde keer moet je voor een commissie. Het overkomt mij. Ik rij een avonddienst. Komen ze me met twee man in een wagentje van de tram halen.’
‘Ze bouwen een tram, is-ie klaar, denken ze: hé, iets vergeten. O ja, moet ook nog een bestuurder in.’
‘Die nieuwe met die schuine ruit. Leuk gezicht, echt waar. Beweeg ik me, zit ik met mijn knie te­gen de noodknop.’
’Eén verkeerde beweging en je stort in het trap­gat.’
‘Verlof kan ik niet krijgen. Mensen tekort. Hoor ik later dat er twintig van de reserve bedrijfsnieuwsen hebben zitten invouwen.’
‘De wissels zijn nu automatisch. Prima. Die bij het Haarlemmermeerstation is drie maanden stuk geweest. Er moest een onderdeel uit Duits­land komen.’
‘Tinie, een bestuurster, moest daar wachten op een mannelijke collega. Ze kreeg dat ding niet om. Voor ons was het ook krachtsport.’
‘Ik ben niet voor zwartrijden. Maar die tarieven vind ik écht jatten. Op en neer met je gezin naar Artis vanaf het station: zestien gulden.’
‘Die stoel van ons. Elke keer dat je hem verstelt heb je een vinger minder.’
‘Tram kost twee miljoen. Bestuurdersstoel vier­honderd gulden.’
‘Hoeveel halen er hun pensioen? Eén procent geloof ik.’
‘De rest ligt in het ziekenhuis of zit in de WAO. Als ze tenminste niet aan een hartaanval zijn overleden.’
‘Ik ben een vrijwilliger voor de Vut. Als ze hem verlagen tot vijftig haal ik hem misschien.’
‘Laten we zeggen: vijfenveertig.’

Is er een andere baas?, vragen wij. ‘Nee. Maar als jullie willen, zet dan namens ons een adver­tentie.’

Betaald verlof

Over één ding zijn alle bestuurders het eens: de pest van de gebroken diensten. Je werkt van ze­ven tot elf. Daarna tot twee uur vrij. En je werkt weer van twee tot vijf. De drie tussenliggende uren hebben weinig nut, zeker niet als je in Purmerend of Hoorn woont.
Kan dat niet anders?
Zonder probleem, antwoordt de directie en ant­woordt de roosterindeling. Maar het mag niet. Van wie niet?
Van de vakbond.

Er zijn nu bestuurders wier verlof zó vaak is geweigerd dat ze met een enorme hoeveelheid (tot veertig aan toe!) verlofdagen zitten. Aan het eind van het jaar vervalt een aantal niet genoten verlofdagen. Die mensen moeten dus als een gek verlof gaan opnemen, waardoor ze de kans lo­pen dat het wéér geweigerd wordt.
Kunnen die verlofdagen niet uitbetaald wor­den?
Wel een probleem, antwoordt de directie, maar overkomelijk. Het mag eigenlijk niet, maar we weten er wel een weg voor. Alléén, we krijgen er geen medewerking voor, het is ons verboden.
Door wie?
Door de medezeggenschapscommissie.

De vakbonden hebben het moeilijk, binnen een bedrijf als het GVB. Over het loon valt nauwe­lijks te onderhandelen: dat wordt centraal in Den Haag vastgesteld. In de marge valt er nog wel iets te bevechten: een toeslagje hier en een toeslagje daar voor speciale ongerieven, verbon­den aan het rooster. Een van die toeslagen is de gebroken-dienst-toeslag: op één cent na vijftig gul­den per man per maand. De vakbond heeft dus geëist dat er zoveel procent gebroken diensten in het rooster worden opgenomen, want anders vervalt die toeslag.
In de medezeggenschapscommissie is de Abva/Kabo-fractie de meerderheidspartij. De Abva/Kabo heeft na harde onderhandelingen in Den Haag bereikt dat bestuurders een aantal verlofdagen éxtra gekregen hebben, in ruil voor minder loon, en in de hoop op méér arbeids­plaatsen.

En dus draaien bestuurders ziekmakende gebro­ken diensten en krijgen ze aan het einde van het jaar geen maand extra loon uitgekeerd.

Maar als het zo makkelijk is om de gebroken diensten uit het rooster te halen, dan kunt u, zeggen wij tegen de directie, de bestuurders toch ook zelf de keuze laten: wél gebroken diensten, en dus vijftig gulden toeslag, of geen gebroken diensten en dan vijftig gulden minder loon.
Precies wat wij willen, antwoordt de directie. Maar de vakbond en de medezeggenschapscom­missie hebben gezegd: dat is individualisering van de arbeidsvoorwaarden en als jullie daar nog één keer over beginnen, gooien wij de boel plat.

We leggen dezelfde kwesties voor aan B. Vrins, kaderlid namens de Abva/Kabo en voorzitter van de medezeggenschapscommissie vervoer.
‘Gebroken diensten weg?’ zegt hij. ‘Graag zelfs. Voor het bedrijf, voor hel personeel, voor iedereen veel beter. Maar het kan niet, want het kost geld. Moet ik dan naar de mensen toegaan en zeggen: kijk eens, prachtig rooster, geld inleveren, en nu gaan we beter en gezonder leven? Onze mensen kunnen zich dat niet permitteren, die zitten finan­cieel al tot hun strot.’
U kunt ze, vragen wij, toch zelf die keuze laten?
‘En dan mensen met een veertigurige werkweek de dupe laten worden? Die lopen dan gevaar. Het bedrijf wil gráág deeltijdbanen, liefst zo veel mogelijk, want dan hoeven ze minder toeslagen te betalen. Wij hebben gezegd: het mag niet meer zijn dan een x-percentage. De avonddiensten van de veertigurigen mogen geen gevaar lopen. Voor die mensen ko­men wij op.’
En waarom mag het verlof niet worden uitbe­taald?
‘Wij hebben als vakbond de prijscompensatie inge­leverd voor méér arbeidsplaatsen. Daar hebben we extra verlofdagen voor gekregen. Die blijken niet gegeven te kunnen worden wanneer de mensen dat willen. Dan zeg ik, waar ben ik als vakbond nou mee bezig als we dat gaan uitbetalen? Dat is dan toch gewoon, de prijscompensatie wél uitbetalen, en het verlof teruggeven?’
Dat is toch niet de zorg van de bestuurders die u in de medezeggenschapscommissie vertegen­woordigt?
‘Ik ben niet van plan om als voorzitter van de me­dezeggenschapscommissie zaken te bepleiten, die te­gen het beleid indruisen van de bondsraad van de Abva/Kabo.’
In de medezeggenschapscommissie heeft uw Abva/Kabo-fractie de absolute meerderheid. Zijn al uw fractieleden gebonden aan het vakbondsbeleid?
‘In principe wel. Bij schriftelijke stemmingen kan ik het niet nagaan.’
Dus als de medezeggenschapscommissie voor de keuze gesteld wordt tussen iets dat voordelig is voor de bestuurders die u vertegenwoordigt en iets dat in het algemeen door de Abva/Kabo wordt voorgestaan, dan kiest u voor het laatste?
‘Ik heb me te houden aan het standpunt van de Abva/Kabo. Als ik in de moeilijkheden kom, bij voorbeeld met de kwestie van het uitbetalen van dat verlof, dan bel ik Ad Regeer op van het bonds- bestuur. In dit geval zei hij: ‘Maak je niet druk het college van B. en W. doet dat niet, dat gééft nooit toestemming.’

Binnen die cirkel voltrekt zich dus de belangen­behartiging van de Amsterdamse trambestuur­der. Ook als hij, persoonlijk, wel van die gehate tussendienst af zou willen a raison van vijftig gulden minder loon, en ook als hij, persoonlijk, zijn opgespaarde verlof wel zou willen omzetten in klinkende munt, bij voorbeeld omdat hij fi­nancieel tot aan zijn strot zit, dan mag zijn di­recteur zeggen, vooruit maar jongen, akkoord, en dan gebeurt het tóch niet. Want dan belt zijn vertegenwoordiger Vrins de Abva/Kabo op en dan belt bondsbestuurder Regeer een geestver­wante wethouder op, ze zijn het erover eens dat de bondsraad van de Abva/Kabo iets anders voorstaat, en het is van de baan.

Natuurlijk ligt de kracht van een vakbond in centrale onderhandelingen over een uniform loonbeleid.
En even natuurlijk is het, wanneer een individu­ele trambestuurder zich daar niet bij thuis voelt.

Je moest de regels gebruiken, daar ging het om. Je moest je niet kwaad maken. Je moest de regels toepassen.

Het gebruik van de regel

Hij droomde ervan om bij dit bedrijf zijn pen­sioen te halen, en zijn vrouw droomde ervan om daarna eindelijk weer terug naar Friesland te gaan. Zelf was hij van Amsterdam gaan houden, nogal wat voor een ex-melkboer uit Friesland. De kwestie was, je moest ervan uitgaan, zo’n be­drijf is achterlijk. Dus je won het altijd, onoffi­cieel als het moest, meestal hoefde dat niet en dan won je het ook officieel. Als die jonge bestuurders dat nou maar eens van hem aan wil­den nemen. Dan hoefden ze niet vóór de tijd een hartaanval te krijgen, en dan hadden ze kans om, net als hij, hun pensioen wél te halen. Je moest de regels gebruiken, daar ging het om. Je moest je niet kwaad maken. Je moest de regels toepassen.
Bij voorbeeld, er komt een kennisgeving: bij het verlaten van de tram moeten de deuren door de bestuurder van de binnenkant worden gesloten. Dan moest je niet denken, wat nou weer? Hij had de centraalpost opgebeld en gezegd: ik kan er niet uit. Was er een chef komen kijken, wat is er aan de hand? Had hij gezegd: ‘Ik heb volgens kennisgeving de deuren aan de binnenkant gesloten.’
Of je had dienst op de wachtwagen, stond je bij het station te wachten of ze je opriepen, dat je ergens in moest vallen. Was er een kennisge­ving: tijdens het wachten mag de sleutel niet meer op stand één. Was er ooit een achteruit gegleden. Hij had dus de sleutel op stand nul ge­zet, en hij was boekjes gaan lezen. Collega’s wa­ren langs hem gereden en hadden geprobeerd zijn aandacht te trekken. Chefs waren er uitein­delijk bijgekomen. Godverdomme, wat doe je, waarom heb je je mobilofoon niet aan? Had hij gezegd: voorschrift: Sleutel op nul, kennisge­ving van gekomen. Hadden ze er niet aan ge­dacht dat op stand nul ook de mobilofoon is uit­geschakeld.
Weer een nieuwe kennisgeving: bestuurders mogen niets in de wagen achterlaten. Had hij al­les wat los zat in de tram meegenomen het huis­ je in, tot en met de routeborden aan toe. Had hij een schep gehad, had hij het remzand ook nog in zakken geschept.
Kijk, als je zó met dat bedrijf omging, dan redde je het wel. Er waren er niet veel die het deden. Een van lijn 6 was er, die deed het ook. Kwam er een kennisgeving dat de centraalpost geïnfor­meerd wenste te worden. Had die vent de hele dag rondgereden: ‘Aan de cen-tra-le meld-post. Dan heb ik een be-lang-rij-ke me-de-de-ling voor u. Ter hoog-te van het pand num-mer twee-hon-derd-twin-tig aan het Ro-kin ligt een put-dek-sel scheef.’
Officieel schrijven van B.&W.: de wissels zijn geautomatiseerd, de bestuurder hoeft niet meer op de wissel te letten, maar hij moet naar de lichten kijken. Kon je lang wachten of kort, ooit kwam het moment dat de wissel verkeerd lag en de lichtjes goed stonden. Was hij natuurlijk doorgereden, had hij de meldpost gebeld: ‘Ik sta in de Paleisstraat.’ Hoe kan dat? ‘Wissel ver­keerd.’ Kan je dat godverdomme niet zien? ‘Nee, want ik let op de lichtjes.’
Reed je zoals hij, dan kreeg je er lol aan. En dan hoefde je van je medeweggebruikers ook geen last te hebben. Kwestie van niet bellen, als bestuurder moet je nóóit bellen. Je moest er ge­woon met een rotvaart op afrijden, moest je eens zien hoe snel ze weg waren. En van je passagiers ook niet. Nou mocht je niet meer waarschuwen tegen zakkenrollers. Riep hij dus door de micro­foon: ‘Dames en heren, wilt u uw tassen alstu­blieft open houden, want zakkenrollers moeten ook leven.’
Welnee, daar moest je je niet druk om maken. Als ze nou zo stom waren, dat ze met vijfhon­derd gulden bloot in de zak van het grenswissel­kantoor in de tram stapten? Dan vroegen ze er toch om? Hij had het allemaal goed bekeken. Eentje hield er de wacht bij het grenswisselkan­toor, die keek wie er geld opnam, liefst véél. Die gaf dan een seintje aan de halte, die gozer daar lette op als hij zijn kaartje pakte, wist ie meteen waar zijn portemonnaie zat. Nou, dan rolden ze hem gelijk, of pas in de tram, en húp die portemonnaie naar buiten. Reed er een maatje achter de tram aan op zijn fiets. Makkelijk zat, gauw verdiend, de wereld is slecht en mensen verdie­nen niet beter zo naïef als die waren. Nee hoor, als ze hem morgen zouden ontslaan, hahaha, overmorgen was hij zakkenroller.

De macht van de socialen

Het was ontzettend makkelijk om ze aan te wij­ zen, je had meteen in de gaten of het er een was of niet. Maar het was moeilijk om ze allemaal sa­men een naam te geven. Geiteharensokken, had hij een tijdlang gedacht. Maar dat klopte niet. Die liepen graag in de natuur, en hij was zelf ook ontzettend op het milieu. Ze zaten overal. Als een olievlek hadden ze zich over Nederland verspreid. Droomkoninkjes was veel te aardig. De PvdA was er een broeinest van, maar ze za­ten evengoed in de VVD. Zelfs de CPN dreigde er nu mee besmet te raken. Wereldvreemden was ook geen goed woord, want zo gek waren ze niet of ze regelden voor zich zelf de betere baantjes. Tien tegen een dat je er een tegenover je had als je getest werd, en dat het er een was die jou de cursus omgang met de passagier gaf. De ge­meenteraad zat er vól mee, wethouder waren ze geworden. Politieken dan? Ook niet, ze zaten net zo goed op kantoor jouw rooster te verbeteren. Op de tv voerden ze het hoogste woord en de kranten schreven ze vol. Ze wisten alles precies, dus ze hoefden niet meer te luisteren, hooguit nog naar elkaar. Er moest een naam voor ze zijn. De beste die hij kon bedenken was toch: Socia­len.

De socialen hadden het in Nederland heel erg en in Amsterdam helemaal voor het zeggen. Zij waren er de schuld van dat mensen als hij, tram­bestuurders, arbeiders, gewone mensen, als vreemdeling rondliepen in de buurt waar ze woonden, als verdwaald in het bedrijf waar ze werkten. Ze konden praten, dat moest je ze na­ geven. Daar leefden ze van. Jij kon lullen wat je wilde, ze wisten het tóch beter. Ze wisten pre­cies hoe verdraagzaam jij moest zijn. Wilde je iets terugzeggen, dan was je aan heropvoeding toe, als je tenminste geen onverbeterlijke fascist was.

Hij haatte ze, de socialen en hij zag dwars door ze heen. Hypocriet waren ze tot op het merg. Ze hadden hun mond vol over de buitenlanders en dat je begrip voor die mensen moest opbrengen, maar zelf woonden ze in een buurt waar ze nog nooit een Turk gezien hadden. Zelfzuchtig wa­ren ze ook. Op hun banen hoefde nooit bezui­nigd te worden. Ze streken salarissen op waar­ van je twee bestuurders en een gelede tram in le­ven kon houden. En ze waren vóór alles gek. Als jij bij ze kwam om te vertellen dat je tram door een bende zakkenrollers onveilig gemaakt werd, dan stuurden zij een antropoloog op je af, die je ging vertellen over het ontstaan van Paramari­bo.

Hij was geen fascist en geen racist en gevoel voor rechtvaardigheid had hij ook. Hij wilde graag betalen voor de kneus of voor die het was geworden. Maar niet voor de profiteurs. De so­cialen hielden dié juist de hand boven het hoofd. Ze waren daar zó druk mee bezig en ze kregen daar zó’n mooi gevoel van, dat ze niet eens meer zagen dat ze door diezelfde profiteurs werden uitgelachen. De gewone mensen hadden ze suf gebeukt. Het was een wónder dat die het nog namen.

Drie jaar geleden had hij de Vrije Lijst opge­richt. Precies als de Centrumpartij, een thermo­meter in de bak van de onvrede. De thermome­ter was hóóg opgelopen. Bij de eerste de beste verkiezing onder de bestuurders had hij vijf ze­tels gehaald.

Tot dan toe hadden de vakbonden de zetels in de medezeggenschapscommissie onderling mo­gen verdelen. Als ze gekozen waren zag je ze op een paar na, nooit meer terug. Die verdwenen van tram of bus, sommigen werden helemaal vrijgesteld en anderen grotendeels; bestuurders kon je ze na verloop van jaren niet meer noe­men.
Op de Vrije Lijst hadden ze gereageerd zoals de politiek nu reageert op de Centrumpartij. Nu ineens wél je gezicht laten zien in de oude stads­wijken, te laat. Ineens waren de vrijgestelden van de vakbond weer in de remise gekomen, dat had averechts gewerkt. Nu we moeten stem­men, nu komen jullie, hadden de bestuurders gezegd. Het waren tegenhouprobeersels, dat had iedereen wel gezien.
Zij hadden toen ze met vijf man in de medezeggenschapscommissie gekomen waren wel uitge­keken. Zelf was hij zoveel mogelijk zijn normale diensten op lijn 16 blijven rijden. Zij waren op de hoogte gebleven van wat er onder de bestuur­ders leefde. En ze waren voorstander geweest van een veel harder optreden tegen de directie, niet van die wandelgangpraktijken, waar even iets geregeld werd, maar waarmee je nooit een poot kreeg om op te staan.
Hij had het meegemaakt dat vakbondskaderleden zeiden: die bestuurders die er niet van rond kunnen komen, eigen schuld, steken wij geen poot voor uit, gebrek aan goed huisvaderschap. Die wisten toch gewoon niet meer wat er de af­gelopen tien jaar was gebeurd! Hoe al die bestuurders die in goedkope huizen in de stad woonden, gedwongen waren om te verhuizen. Links was een Surinamer komen wonen die ’s nachts ging trommelen en rechts een Turk waarvan de kinderen om één uur nog rondlie­pen; zij moesten om vijf uur op, aan het werk. En wat hadden ze kunnen krijgen? Purmerend, zevenhonderd gulden voor een huurhuis, hij zag de plakkaten nog hangen in de remise, want het GVB hielp je daarbij.
Als ze voor díé mensen geen poot wilden uitste­ken, waar praatte je dan nog over? Dan was je zelf regelaar geworden, een directie tweede klas­se. Het was voorgekomen dat de directie een rooster voorgesteld had en dat de bestuurders dat niet wilden accepteren. Was de vakbond zelf een ander rooster gaan maken. Ze waren er heel trots op geweest, maar de bestuurders hadden dat rooster ook niet gewild. Die waren naar de directie gegaan — natuurlijk had de directie ge­zegd: moet je niet bij ons wezen, moet je bij de vakbond zijn.

Zij verzonnen dat die tram­bestuurder met dat oorbelletje niet mocht, moest je eens zien hoe ze er in de gemeenteraad bij liepen, met zúlke oorbellen.

We moesten er maar over ophouden. Die lui hoorden allang bij die enorme tegengroep tegen de werkers, bij de socialen die het bedrijf bin­nengedrongen waren en die overal hun kop had­den opgestoken. Uit de arbeidersklasse kwamen ze niet, indertijd bij de bouwvakrellen hadden ze voorop gestaan, maar nu waren ze gevestigd. Hun groep was het die de Centrumpartij in de kaart speelde. Zij verzonnen dat die tram­bestuurder met dat oorbelletje niet mocht, moest je eens zien hoe ze er in de gemeenteraad bij liepen, met zúlke oorbellen. Als tram­bestuurder mocht je niet met rode sokken of met je veters los de tram besturen, zij mochten desnoods met hun hemd los, hun gulp open de stad besturen.
Al hing hun broek op hun knieën, dan nog boog de directie voor ze als ze binnenkwamen. Hun eigen wethouder had zich wel eens beklaagd dat een tram ’s avonds was doorgereden, terwijl hij op de halte stond. Mijnheer wenste niet te on­derkennen dat hij, met zo’n kop met haar, met die kleren aan, voor hun ’s avonds laat stond voor een groep waar je problemen mee kon krij­gen. De leiding van hun bedrijf was doodsbe­nauwd van de politiek en van die socialen, dus die nám zo iets van de wethouder, in plaats dat ze de bestuurders verdedigde.
En dan kwam er zo’n gek die bedacht dat zij die horde voetbalidioten gelijkwaardig moesten be­handelen en in de nieuwste wagens vervoeren. Had het bedrijf nu maar eens de moed om dan te zeggen: die is gek. Wat ons betreft, veewa­gens en de banken eruit. Zou je de politiek moe­ten horen, schande dat wij die mensen zó ver­voeren. Maar het bedrijf zei en deed niets, het knikte, ja mijnheer de sociale, amen.
Al die dingen maakten zo’n onvrede. De tram­bestuurder kwam geërgerd en gefrustreerd thuis, zonk weg bij de tv en dan hoorden ze Jan­maat met zijn radde tong en dan dachten ze, hij heeft gelijk.
Moest hij dan PvdA stemmen? Die koos niet voor de arbeiders, dat waren socialen die de asocialen de hand boven het hoofd hielden. Hij had wel gedacht, VVD, maar dat was een bazenclub en hij was geen baas maar knecht, daar hoorde hij niet thuis. Christelijk zeker niet met die kruisraketten. Wat bleef er over? Communis­tisch, maar daar had je die infiltratie van de soci­alen ook al, de echte communisten vlogen eruit. Dus hij wist het niet, hij wist het bij God niet, hij mocht barsten als hij het wist. Hij was ge­neigd om te zeggen, dan maar Centrumpartij.

Enige tegenspraak

Als het met de 28 vaste bestuurders van lijn 16 gaat, zoals het gemiddeld gaat met de Amster­damse trambestuurder, dan bereiken er drie de pensioengerechtigde leeftijd en zijn er veertien afgekeurd en in de WAO beland, vóórdat ze 47 jaar zijn.

Zelf hebben ze u verteld waarom, en de samen­hang waarin ze werken verklaart de rest.
Ze worden vertegenwoordigd door een vak­bond, die alleen maar door roosterverslechte­ring te bevechten een loonsverbetering kan berei­ken.
Vanuit Den Haag komt de dagorder dat er op hun aantal bezuinigd moet worden. Vanuit het stadhuis komt de aanvullende order dat ze niet minder mogen rijden. Waar die twee elkaar snij­den wordt hen verlof geweigerd.
Door de bedrijfsleiding wordt ze verteld dat ze kallum-an moeten doen. De passagier achter hem wil de trein van 17.02 halen.
Zelf moet hij zich, op straffe van een berisping, onberispelijk in het uniform steken; verslaapt hij zich twee keer, dan moet hij op het matje komen. Daarna stapt hij weer op zijn tram en rijdt hij de stad in waar je dertig, veertig keer een au­to open kan breken zonder dat dat bestraft wordt.
Tot voor kort was hij ook een zelfstandig mens die best zonder lijnchef kon en niet gecontro­leerd hoefde te worden. Hetzelfde goedbetaalde warhoofd, dat hem dat onlangs nog breedspra­kig uitlegde, ziet hem nu meer als een vuige ziektewetontduiker, die zich binnen drie dagen op het spreekuur van de arts moet melden, mis­bruik wordt gestraft.
En de wethouder heeft wél een antwoord op zijn wangedrag (meer controle) maar geen antwoord op het wangedrag dat de bestuurder in dienst­tijd door zijn voorruit waarneemt.
Over ‘wat ik nu weer heb meegemaakt’ mogen ze, op straffe van een klacht wegens discriminatie, niet publiekelijk spreken zodra de messentrekker in kwestie een andere huidskleur heeft. En dus hebben ze het daar slechts onder elkaar over — in de vaste ploeg.
Die van lijn 16, onderling, nee echt, ze vechten om erbij te mogen komen. Trouwens, het is de enige lijn waar op het dagje uit de vrouwen méé gaan.

Het dagje uit

Maandag 17 september is het zover: het jaarlijk­se dagje uit van lijn 16. Niet alleen de vrouwen zijn mee, maar ook lijn 6 plus aanhang, want die zitten nou eenmaal in hetzelfde huisje. De ziel van het evenement, Eddie uit den Boogaard, ver­telt dat de traditie eigenlijk gegroeid is uit het ziekenpotje, want daar was geen beginnen meer aan.
Tegen halfnegen verzamelt het gezelschap zich voor de remise Havenstraat. De ziel kan, als eerste heuglijke feit, meedelen dat die geitebreier van de ontspanningsvereniging dit jaar vanuit het bedrijf niet meegaat.
‘Die moest opletten dat het niet uit de hand liep,’ licht iemand van lijn 6 toe.
‘En hij sleepte je van tentoonstelling naar ten­ toonstelling, is toch niks voor die jongens,’ zegt de vrouw van Eddie.
‘Vertelde elk jaar dezelfde moppen,’ zegt de oudste bestuurder van 16, ‘zo’n flauwe zeikerd voorin, als het tegenzat ging-ie nog zingen ook.’
Om negen uur zoeken we allemaal een plaatsje in de bus, de evenals de chauffeur Sjon, door het bedrijf belangeloos ter beschikking gesteld is.
De assistent-rayonchef komt uitzwaaien en sist ondertussen dat hij godverdomme zes wagens buiten dienst heeft.
Te Alkmaar completeert het rayon Noord-Holland Noord het gezelschap: de jongens uit Hoorn, Purmerend en aanverwanten. Met smaak wordt ze voorgehouden hoe die ochtend het integrale reservepersoneel gelijk naar 6 en 16 kon doorlopen, godverdomme, en jullie mooi een dagje uit. Daarna kan niets ons meer tegen­houden en reppen we ons richting reisdoel, het Friese dorpje Joure, dat erg mooi moet zijn.

Op de Afsluitdijk komt het gesprek op het the­ma tram, en de ondertoon is zorgelijk. Zondag­avond hadden er maar twéé wagens gereden op de 6, drie kwartier wachten op de halte. Zater­dagavond was het met 16 ook zo geweest. Hoe lang zou Den Haag nog vijf wagens willen beta­len, terwijl er maar twee reden?
Te Joure ligt het m.s. Simmerwille op ons te wachten, een op vereniging, familiedag of brui­loft gebouwd vaartuig, al varende kunt u genie­ten van een Friese koffietafel terwijl aan de bar een keur van dranken wordt geserveerd.
Daarvan hebben we er één nodig voordat we van het ziekteverzuim, de tram en de zorgelijke ondertoon af zijn en we ons, we zijn een dagje uit jongens, gaan vermaken.
‘Links van u ziet u de Douwe Egberts fabrieken.’
‘Gaan we mooi niet heen.’
We varen langs de riante boerderij van de direc­teur, zwembad onderin.
‘Zeker zijn punten ingeleverd.’
Te Grouw maken we een korte wandeling. Iedereen vindt het een eindedorp, en gezamen­lijk besluiten de bestuurders van 6 en 16 om hun route hierheen te verleggen.
De middag brengen we door met bingo, croquetten en frisdrank, want wat er vandaag ook uit de hand mag lopen, het drankgebruik wel in de laatste plaats. De prijzen variëren van een kruidenrekje tot een bierglas, leuk voor de cam­ping, komt altijd wel van pas.

En tegen de tijd van het avondeten realiseren wij ons dat, als heel Nederland zó was, er voor geen opstand of revolutie gevreesd hoefde te worden. Dat zoveel van onze reisgenoten deson­danks van afkeer en wantrouwen gesproken hebben, laat zien dat de maatschappelijke on­vrede het hart bereikt heeft van de betrouwbare burgerij.
Het diner wordt geserveerd in Grietman, goh, wat chic.
En er wordt ontzettend gelachen, ondanks het gemis van Piet Kuyper, die vorig jaar zó’n tas met vermommingen bij zich gehad had en die de halve dag als orang-oetan had rondgelopen.
‘Heb je al gehoord wal Piet met die blinde gehad heeft?’ Lijn 16 heeft een vaste blinde passagier.
‘Zijn tram zal vol, niemand stond op. Heeft-ie hem zijn stoel aangeboden.’
‘Niks erg hoor,’ fluistert onze buurman die al sinds mensenheugenis op 16 rijdt, ‘maar ik heb al die moppen vierentwintig jaar geleden óók al ge­hoord.’
‘Van de week,’ zegt een van de kleintjes uit Purmerend, ‘komt er een meisje bij me binnen. Ze vraagt: “Welke lijn rijdt u?” Ik zeg: “Dat weet ik niet, ik ben van het uitzendbureau.” Stapt ze uit, gaat ze voor op de rol kijken.“Lijn 16,” zegt ze.“Gek dat u dat niet weet.”’
‘Die van lijn 10,’ zegt een ander. ‘Onwijze gozer. Heeft een speelgoedhondje. Had hij vastgebonden achter in de tram. Meldt hij dat er een hond bij hem in de wagen vastzit. Binnen geen tijd zes chefs erbij, de dierenambulance en de politie. “Dus voor een hond hebben jullie wél tijd?” zegt hij.’
De verhalen wisselen elkaar in razend tempo op, wat het gemis van ‘die geitenbreier van kantoor met zijn mop over Bobo’ ruimschoots compenseert. ‘Bij mij,’ zegt de andere kleine uit Purmerend, ‘komt er een aanlopen, bij die opbraak. Ik tikken tegen de ruit, maar ze geeft geen sjoege. Ik roep nog, maar niks. Eerst met haar ene voet en toen met de andere in het natte beton.“Mag ik toch met u mee?” vraagt ze.’
Als de tafel uitgelachen is neemt de lijnchef het woord. Hij wordt overgeplaatst naar lijn 1, plechtig en ontroerd spreekt hij een dankwoord. ‘Het is wel eens nodig geweest dat ik wat zei, maar echt, en dat méén ik, jongens, jullie zijn zó’n groep, dus ik zou zeggen, blijf dat.’

ELMA VERHEIJ
GERARD VAN WESTERLOO