Iemand die uit louter politieke dwarsigheid bij herhaling beweert dat het coronavirus ‘maar een griepje’ is heeft zich afgesloten voor de evidente bewijzen van het tegendeel. Hij houdt zich doof, laat niets door dat hem van zijn stuk zou kunnen brengen. Hij zal zich ook niet over de grenzen oriënteren zodat hij kan zien dat het in Engeland, Duitsland, Frankrijk, Italië of Brazilië allerminst om iets onschuldigs gaat. Het is een geval van groteske en historische domheid om je af te sluiten voor de bewijzen van het tegendeel van een griepje. Er moet bijna sprake zijn van een sadistisch genoegen bij dit bagatelliseren van het coronavirus.

Van Boxsel brengt in zijn boek de domheid in de praktijk door zijn eigen beweringen te ondergraven.

Dat degene die het coronavirus maar voor een griepje houdt ooit zal beseffen dat hij een stommiteit heeft begaan wordt door Matthijs van Boxsel in zijn nieuwe boek De topografie van de domheid voor onmogelijk gehouden. Van Boxsel hanteert namelijk een ‘basisparadox’ die dat verhindert. Volgens Van Boxsel is ‘geen mens intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen. Dom is altijd de ander.’

Dat is een verstrekkende uitspraak. Je moet er altijd rekening mee houden dat Van Boxsel zich er wel weer uit zal redeneren (hij is tenslotte een idiot savant, iemand die even dwaas als geleerd is), maar hier zegt hij in feite dat mensen nooit tot enige zelfkennis kunnen komen en nooit zullen erkennen dat ze een domheid hebben begaan. Het klassieke ‘ken uzelf’ als aansporing bestaat bij Van Boxsel kennelijk even niet, althans niet als het om domheid gaat.

Advertentie

Advertentie

het verschijnsel domheid

Het is niet zo gek om te denken dat Van Boxsels nieuwe boek, net als de vorige twee De encyclopedie van de domheid en Morosofie, een verdere systematische studie over het verschijnsel domheid zal zijn. Het is weer een fontein van eruditie, maar een afstandelijke studie is het maar in schijn.

Van Boxsel is een ironische geleerde die veel latijn (echt en potjes) en moeilijke woorden hanteert. Hij slaat kennis hoog aan, maar neemt haar ook niet erg serieus. Van Boxsel brengt in zijn boek de domheid in de praktijk door zijn eigen beweringen te ondergraven. Er wordt niet uit de hoogte gedaan over de domheid, maar er wordt over geschreven en gedacht als lotgenoot, als iemand die zelf onderhevig is aan de wetten van de domheid. Dat komt het beste tot uiting in de openlijke tegenstrijdigheden die van Boxsel cultiveert: dat hij op de ene pagina dit beweert en op een andere dat. Van Boxsel ziet namelijk ‘alle cultuuruitingen als onderling tegenstrijdige pogingen greep te krijgen op de domheid’.

Neem de kern van De topografie van de domheid: dat bepaalde plaatsen, zeg Domburg of Kampen, worden aangemerkt als steden waarin sinds lange tijd domheid heerst, in de folklore en in de verhalen over de stad. Van Boxsel illustreert uitvoerig aan de hand van de geschiedenis en veel anekdotes dat de stad Kampen ‘de beruchtste domplaats van de Nederlanden’ is. De stad is één archief aan domheid. Maar vrij in het begin van zijn boek heeft Van Boxsel geschreven dat zijn boek de speurtocht is ‘naar iets [de domheid] dat geen eigenlijke plaats heeft, dat atopisch is.’ De domheid is namelijk overal.

Van Boxsel maakt het desondanks wel heel specifiek en topisch door van Kampen een plaats te maken waar de domheid meer dan thuis is: ‘De Kampenaar bevrijdt ons tijdelijk uit de gevangenis van de logische categorieën en onthult denkmogelijkheden die zo absurd zijn dat ze weer veelbelovend worden.’

domheid is ongrijpbaar

Je zou denken dat in een boek over domheid die domheid enigszins grijpbaar zal worden gemaakt. Domme Belgenmoppen, bijvoorbeeld, zou je grijpbaar kunnen noemen. Zoals die waarin gevraagd wordt waarom Nederlanders zo gek zijn op Belgenmoppen. Omdat ze zo goedkoop zijn. Hoe concreet grijpbaar zo’n mop ook is, Van Boxsel blijft maar herhalen dat de domheid ongrijpbaar is (‘Domheid is per definitie ongrijpbaar’). Hij zegt op speurtocht te zijn ‘naar de ongrijpbare gekte van Nederland.’

De topografie van de domheid is vooral een boek om je over te verbazen.

Maar zo ongrijpbaar is de domheid niet wanneer hij er een boek vol aan voorbeelden van geeft. Zoals deze: vier inwoners van een dorp dragen met vereende krachten een paard door de wei om te voorkomen dat het dier de prille plantjes zou vertrappen. Grijpbaar dom is ook dat alle goede opleidingen zich niet in Kampen, maar in het nabije Zwolle vestigen (vandaar ‘Zwolle, het brein van Kampen’). In Kampen bloeide de zoutindustrie. Vandaar dat Nederland een zouteloze prak zou zijn zonder Kampen. Van iemand die een domme streek heeft uitgehaald wordt gezegd: ‘Hij komt van Kampen’. Aan zelfspot heeft Kampen ondertussen geen gebrek, gezien boeken als De vermakelijke Kamperstreken.

Van Boxsel wordt zelf ongrijpbaar wanneer hij schrijft: ‘Strikt genomen is het niet van belang dat Kampen verwijst naar een bestaande plaats in Nederland’. Van Boxsel wil wel en niet greep krijgen op de domheid. Het lijkt wel alsof hij wil bewijzen dat de ‘epimetheïsche daad’ bestaat: de handeling ‘ die slaagt in zijn mislukking’. Waarmee Van Boxsel even vermakelijk als vermoeiend is.

domdaden

De topografie van de domheid is vooral een boek om je over te verbazen. De chique vormgeving van het boek is allesbehalve dom. Wat Van Boxsel allemaal tevoorschijn tovert over ‘domdaden’ in tekst en verrassende illustraties zal cultuurhistorisch voor de meeste lezers nieuw zijn, behalve als je Kampenaar bent of een inwoner van een ander ‘domoord’. Die kunnen enigszins vertrouwd zijn met de folklore.

Het gehalte aan regionale kennis die men in het Meertens Instituut verzamelt is groot. Het gevaar van zoveel kennis over domheden is dat het onthouden op de proef wordt gesteld, hoe aangenaam opgediend ook door Van Boxsel. Het is kennis waarvan de bruikbaarheid, afgezien van de humor, gering is. Het is vrijgezellenkennis, de vruchtbaarheid is nagenoeg nihil. Door hun suffigheid hebben domheden een minimaal inspirerende werking.

Wat te doen met de wetenschap dat de Kampenaren voor een festiviteit een praalwagen bouwden. Dat siert hen natuurlijk, maar op de feestelijke dag zelf kon hij niet door de stadspoort. Een Kampenaar loopt ‘s nachts rondjes bij een straatlantaarn. Als een omstander vraagt wat hij doet, antwoordt de man: ’Ik ben mijn sleutels ergens in de bosjes verloren, maar hier is licht.’

patafysica

Het participeren van Van Boxsel als geleerde dwaas in het leven van de domheid levert veel en curieuze kennis op. Dit door hem zelf ‘megalomaan’ genoemde project is ook een duik in de wetenschap van de patafysica. Van Boxsel is de Nederlandse representant (‘Regent’) van het Collège de ‘Pataphysique, een genootschap dat in de geest van de Franse schrijver Alfred Jarry (1873-1907) ‘speelt met filosofische begrippen, wetenschappelijke ontdekkingen en technische verworvenheden’ (andere leden zijn Maxim Februari, Atte Jongstra, Dirk van Weelden). In de praktijk betekent dit dat de patafyicus werkt ‘met de wetmatigheid van de uitzondering’.  Dat men ‘de wetenschap van de denkbeeldige oplossingen beoefent’.

Dat men het universum exploreert ‘dat parallel loopt met de normaal ervaren wereld’. En dat men ‘de eenheid van de tegendelen’ bevestigt. Waarmee we in een min of meer surreële wereld belanden. Terloops beweert Van Boxsel dat aan het gebruik van de ratio een zelfdestructieve gekte ten grondslag ligt. Te veel gebruik van de ratio, met andere woorden, is niet goed. Men moet De topografie van de domheid lezen in de geest van de patafysica, met korrels zout, dan zal men er het meeste profijt van hebben. De teugels van de ratio durven laten vieren, daar komt het op neer.

De topografie van de domheid door Matthijs van Boxsel is uitgegeven door Querido.