Wie de geschiedenis ziet als een reeks catastrofes heeft wel een speciale kijk op wat geschiedenis is. ‘Catastrofes’ kunnen van alles zijn: vulkaanuitbarstingen, overstromingen, aardbevingen, burgeroorlogen, oorlogen tussen landen, epidemieën. Bij de geschiedenis als een opeenvolging van catastrofes vallen alle andere mogelijke thema’s als bron voor de geschiedenis buiten de boot: de opkomst en het verval van economieën, politieke geschiedenis, geschiedenis als een reeks creatieve uitbarstingen in de kunst en wetenschap, de geschiedenis van de vooruitgang. Vermoedelijk wordt bij catastrofes het vaakst gedacht aan oorlogen: van de ene oorlog naar de andere.
Dat kan, maar het is wel een beperkt soort geschiedenis. Volgens de Duitse essayist Walter Benjamin en de eveneens Duitse nazi-jurist en politicoloog Carl Schmitt bestond de geschiedenis uit een reeks catastrofes. In hun voetspoor is Arnon Grunberg het parmantig met hen eens, al maakt hij er de kanttekening bij dat door Benjamin en Schmitt mogelijk geen onderscheid werd gemaakt tussen grote en kleine catastrofes. Het is één van de onduidelijke passages in Vriend & vijand, een essay waarin Grunberg zich buigt over het begrip ‘vijand’ in de politieke opvattingen van Carl Schmitt, die bekend werd met zijn boek Het begrip politiek.
Geschiedenis als opeenvolging van catastrofes
Laten we het er voor duidelijkheid op houden, gezien Benjamin en Schmitt, dat met catastrofes oorlogen worden bedoeld. Dan is die generalisatie (‘geschiedenis is een reeks catastrofes’) een armzalige reductie van wat allemaal ook geschiedenis is. Al die historici van de Annales-School bijvoorbeeld, die in de voetsporen van de Fernand Braudel, Jacques Le Goff en Emmanuel Le Roy Ladurie het dagelijks leven, en niet de achtereenvolgende oorlogen, van een geschiedenis voorzagen, worden dan genegeerd. Er wordt tussen oorlogen ook nog geleefd. Je zou ook kunnen zeggen dat geschiedenis het leven tussen oorlogen is. In het leven wordt nog iets gemaakt, oorlog is alleen maar destructie.
Wanneer het om catastrofes in de vorm van oorlogen gaat, zo moet men van Schmitt en Benjamin denken, dan is dat de échte geschiedenis: van politiek en oorlog, van leven en dood, van vriend en vijand. Ik zal de overheersende betekenis voor de geschiedenis van oorlogen niet betwisten, maar er met een tevreden realisme al te zeer op hameren neigt naar oorlogszucht.
Er wordt tussen oorlogen in ook nog geleefd. Je zou ook kunnen zeggen dat geschiedenis het leven tussen oorlogen is.
Sinds de aanslag op de Twin Towers in New York op 11 september 2001 is het woord ‘vijand’ niet van de lucht. Toen werd de oorlog tegen het terrorisme uitgeroepen en was de islam officieel de vijand. In de voetsporen daarvan is het denken in termen van vriend en vijand ontstaan, en niet helemaal zonder reden, gegeven het terrorisme van Al Qaida tot Islamitische Staat. Arnon Grunberg herinnert zich dat op zijn Montessori School in Amsterdam de ruzies met woorden werden opgelost en dat van fysiek geweld geen sprake kon zijn.
Grunberg maakt er pesterig van dat de school zich voor de mensheid hield die werkte aan de komst van de eeuwige vrede. Hij schrijft niet dat er alle reden was om toen even minder in vriend en vijand te denken omdat de Koude Oorlog op zijn eind liep en de oorlog in Vietnam al te beschamend was geworden. Hij wil de ‘eventuele naïviteit’ van toen niet minachten, maar onnozel was die vredelievendheid met de kennis van nu voor hem wel.
Uitstel van executie
Het was de bedoeling dat Vriend & vijand over Carl Schmitt (1888-1985) zou gaan, maar dat is maar fragmentarisch het geval. Zelfs een beetje inleiding in het denken van Schmitt is afwezig. Na de passage over het vredesstreven op zijn Montessori School springt Grunberg van de hak op de tak en hij veronderstelt veel bekend. In plaats dat het over Schmitt gaat, heeft hij het over Jacob Taubes en Jacques Derrida die het over Schmitt hebben en vergelijkt hij Walter Benjamin met Schmitt wanneer het over geweld gaat.
Het gaat te weinig over Schmitts denkbeelden. Hij wordt gebruikt om iedereen wat realisme bij te brengen: we moeten meer in vriend en vijand denken. Maar Schmitt was een hele vreemde en apocalyptische denker, iemand die leefde met de gedachte dat elk moment de catastrofe kon uitbreken. Schmitt beleefde de tijd en de geschiedenis als ‘respijt’, schrijft Jacob Taubes in zijn boek Tegenstrijdige overeenstemming, ‘als een uitstel van executie.’ Schmitt leefde niet, hij vreesde. Zo was ook de christelijke beleving van de geschiedenis, voegt Taubes eraan toe.
Dit is een pregnante typering van Schmitts denkwereld. Als jurist van de nationaalsocialisten verdedigde Schmitt in Der Führer schützt das Recht in 1934 de Nacht van de Lange Messen. Hitler had alle recht tot het vermoorden van zijn concurrenten want hij was ‘een soeverein dictator.’ Zo dacht Schmitt: dictators hebben het voor het zeggen, de parlementaire democratie is iets voor watjes. Het is aan de dictator om de noodtoestand of uitzonderingstoestand te mogen afkondigen, zodat hij kan doen wat hij wil.
Zo dacht Schmitt: dictators hebben het voor het zeggen, de parlementaire democratie is voor watjes.
Grunberg zorgt vooral voor een rookgordijn rondom Schmitt zodat niet erg duidelijk wordt dat hij een totaal achterhaald politiek denker is, een relict uit een tijd die ons alleen nog iets zegt als les voor hoe het niet moet. Schmitt moest niets van pluralisme of het vrije politieke denken hebben. Meerdere stemmen werden niet geduld in ‘het politieke’. Zijn tweedeling vriend/vijand is een alibi voor de zich nu ‘weerbare democraten’ noemende haviken om te doen alsof de Nederlandse defensie niet meer bestaat en de Navo verdwenen is. Maar er is geen politicoloog of commentator in Nederland of Europa die niet begrepen heeft dat Rusland zich tot een vijand heeft ontwikkeld. Daarvoor was Schmitt niet nodig.
Ondertussen blijf je bij het lezen van Vriend & vijand voortdurend haken omdat er zo vaak iets staat dat vraagtekens oproept. Grunberg schrijft graag aforistisch-apodictische zinnen waar je hersens van gaan knarsen. Hij begrijpt ‘het Christendom als een ideologie die het geweld afwijst.’ Dat kan je natuurlijk niet eenduidig zeggen: wat moet je dan met de kruistochten en alle oorlogen die een zegen kregen van pausen, bisschoppen en dorpspastoors. Grunberg schrijft ook graag van wereldwijs realisme swingende zinnen als: ‘Het bloed is de olie van de staat en die prijs is gerechtvaardigd.’ Hij is ook goed in het stellen van zinloze suggestieve vragen als: ‘Is het de geschiedenis die geweld produceert of is het geweld dat de geschiedenis voortbrengt.’ Natuurlijk brengt het geweld de geschiedenis voort.
Gemeenschap van geweld
Ook heel diepzinnig is: ‘Elke gemeenschap is een gemeenschap van geweld.’ Dat kan alleen als ‘geweld’ hier symbolisch wordt gebruikt: het ‘geweld’ noemen wanneer de ene gemeenschap zich alleen maar onderscheidt van de ander. Deze zin van Grunberg is een variant van Schmitts uitspraak dat ‘de gemeenschap een vijand nodig heeft om een gemeenschap te kunnen zijn.’ Hier wordt elk verschil tot een manifestatie van vijandschap gemaakt. Dat is vijanddenken, louter denken in tegenstellingen. Dat is op het fascistische af kwaadaardig.
Grunberg probeert wel helder en duidelijk te zijn, maar al te vaak graaft hij zo diep dat hij niet meer helder van geest boven komt. Het gaat in Vriend & vijand vaak over ‘goddelijk geweld’ en ‘mythisch geweld’. Wat zou ‘goddelijk geweld’ zijn voor een seculier iemand die niet getrouwd is met de Bijbel? Gold ‘Gij zult niet doden’ niet ook voor God? Grunberg gaat veel te ver mee in het denken van Schmitt, helemaal als hij het over diens ‘politieke theologie’ heeft.
Grunberg maakt van Carl Schmitt een serieus te nemen denker, terwijl hij aan alle kanten passé is, behalve bij democraturen als Hongarije, Turkije en Polen.
Welke boodschap hebben wij aan ‘God’ als we het over het politieke leven op aarde hebben? Grunberg citeert de apostel Paulus alsof het zijn buurman is. Het zou relevant zijn dat we weten dat Paulus vond dat ‘gezag’ altijd van God komt. De graag ook als nuchter bekend staande Grunberg ziet er geen bezwaar in om het over ‘de staat’ te hebben als ‘een sterfelijke god’. Wat mag dat zijn? Hij vindt het ook ‘onbetwistbaar dat de dood van God de dood van de staat naderbij brengt’.
Grunberg maakt van Carl Schmitt een serieus te nemen denker, terwijl hij aan alle kanten passé is, behalve bij democraturen als Hongarije, Turkije en Polen. Schmitt had het over ‘soevereine’ leiders en hij minachtte de parlementaire democratie. Grunberg noemt Israël een ‘schmittiaanse’ staat. Dat lijkt mij te veel eer voor Schmitt, wanneer dat alleen maar gebaseerd is op het feit dat Israël vijanden heeft. Dat is niet zo vreemd gezien de situatie waarin Israël zich heeft gemanoeuvreerd. Daar heb je Schmitt niet voor nodig. Straks moeten we alle landen die geen directe vijanden hebben nog ‘niet-schmittiaans’ noemen en betreuren dat ze geen directe vijanden hebben. Ze móeten van Schmitt vijanden hebben, anders zijn ze niet schmittiaans realistisch. Er moet een oorlog (catastrofe) in aantocht zijn.
Vriend & vijand. Decadentie, ondergang en verlossing door Arnon Grunberg is uitgegeven door Prometheus.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.