De Franse filosoof Denis Diderot, de drijvende kracht achter de achtentwintigdelige Encyclopédie die tussen 1751 en 1772 verscheen, publiceerde niet alles wat hij schreef. Hij verkocht al tijdens zijn leven zijn bibliotheek aan Catharina de Grote, op voorwaarde dat hij er thuis gebruik van kon blijven maken tot zijn dood. Na zijn dood vond men tussen de boeken en de paperassen van tijd tot tijd een ongepubliceerd manuscript. Zoals de drie ongedwongen filosofische dialogen onder de titel De droom van d’Alembert. Daarin zet Diderot uiteen dat hij filosofisch een ‘materialist’ is, iemand die niet gelooft in bovennatuurlijke verschijnselen. Maar hij was wel een vitalistisch materialist, iemand die gelooft dat er leven in materie zit.
Dat vitalisme van Diderot hield in dat alles wat niet menselijk is, maar van een of andere materie is gemaakt, toch leeft. Omdat alles uiteindelijk toch terug gaat op iets dat heeft geleefd. Het gevolg van dit vitalistische materialisme is dat Diderot een groot respect had voor álles. Niets was voor hem levenloos: de natuur, stenen, rivieren, aarde, vulkanen, dieren, bomen en bergen – alles leefde op een of andere manier. Hij geeft het voorbeeld van een marmeren beeldje dat hij in een vijzel verpulvert en daarna vermengt met humus. Als hij dat mengsel lang laat staan (honderd jaar, de tijd doet er niet toe), verandert het in bijna homogeen materiaal waar uiteindelijk een… plant uit ontstaat.
nietsontziend
Alles draait in Amitav Ghosh’ boek De vloek van de nootmuskaat om het respecteren van het leven in het schijnbaar levensloze. Het niet respecteren van water, aarde, bomen of grondstoffen heeft volgens Ghosh tot de planetaire crisis geleid waarin we ons nu bevinden met het klimaat, de olie, het gas en de stikstof. De nootmuskaat fungeert hierbij als symbool voor de nietsontziende manier waarop de Nederlanders in de zeventiende eeuw volken en landen tot kolonies maakten. Daarbij ging het niet zachtzinnig toe, ondermeer bij het met geweld confisqueren van nootmuskaatplantages.
Voor de Bandanezen was de nootmuskaatboom heel wat anders: het was levende materie, cultuurgoed, verweven met hun leven, met de archipel, met het eiland, de grond, de gewoonten en het klimaat.
In het jaar 1621 werd op de Banda-eilanden de bevolking uitgeroeid, de eilanden geplunderd en de nootmuskaatbomen verwoest. Alles onder leiding van ‘een botte, meedogenloze man’, Jan Pieterszoon Coen met zijn enorme vloot aan schepen en twee duizend flink bewapende mannen. Dit was zijn ‘oplossing’ voor een langdurig conflict: de Bandanezen wilden niet dat de Nederlanders exclusief het monopolie op de nootmuskaat zouden krijgen. De Bandanezen wilden ook met ander partijen kunnen onderhandelen. Voor de Nederlanders was nootmuskaat gewoon handelswaar waarmee ze grof geld konden verdienen. Met een handjevol nootmuskaat kon je, net als met tulpenbollen in de tijd van de tulpenmanie, een huis kopen. Voor de Bandanezen was de nootmuskaatboom heel wat anders: het was levende materie, cultuurgoed, verweven met hun leven, met de archipel, met het eiland, de grond, de gewoonten en het klimaat. Voor de Nederlanders was het, naast handel, een manier om ongebreideld macht uit te oefenen.
mechanisch en arrogant
Diderot mag in Ghosh’ traditie van levende materie voorkomen, er ontstond na hem nog een radicalere Verlichting die het vitalisme verdedigde: Schopenhauer, Hölderlin, Goethe, Blake, Shelley, William Morris, Walt Whitman en Thoreau. Zij vertegenwoordigden in heel hun diversiteit een soort duurzame tegencultuur die haaks stond op de veroveringszucht van de Europese kolonisten. Zij hielden rekening met de lokale bevolking en hun cultuur. Zij vormden de achtergrond voor de man die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw de personificatie is geworden van het respecteren van de aarde: James Lovelock (1919-2022), de bedenker van het begrip Gaia als de andere naam voor de aarde. De aarde moest weer een ‘levende entiteit’ worden, weg van het loutere exploiteren van materie. In de geest van Gaia, de Griekse godin van de aarde, was de mens niet het enige bezielde wezen. Lovelock riep op tot de herontdekking van de ‘ziel’ in materiële objecten. Dat maakte hem niet tot een ‘bijgelovige wilde’ die aan animisme deed, maar wel tot iemand die de milieubeweging inspireerde.
In De vloek van de nootmuskaat is Lovelock een van de tegenstrevers die zich verzetten tegen de dominantie van wat Ghosh de ‘officiële moderniteit’ noemt: de sinds de zestiende eeuw aanhoudende instrumentele, mechanistische, arrogante, commerciële manier waarop grondstoffen, specerijen, tabak, foelie, thee, kruidnagels, suikerriet en opium werden geconfisqueerd en gebruikt. Die mentaliteit werd gevoed door de filosofieën van Francis Bacon, Descartes en Mandeville. Voor de ‘onofficiële moderniteit’ stond het rijtje denkers en schrijvers garant waar Goethe, Hölderlin en Shelley in voorkomen.
de kracht van het landschap
Ghosh ontleent de titel van zijn boek aan wat er gebeurde op de Indonesische Banda-eilanden, maar zijn aandacht gaat ook uit naar de koloniale veroveringszucht in Noord- en Zuid-Amerika. Achter de verdrijving en uitroeiing van de indianen zat het geloof en de overtuiging dat de kolonisten de beschaving meebrachten. De negentiende-eeuwse geoloog, militair en ontdekkingsreiziger John Wesley Powell, naar wie het Lake Powell in Utah en Arizona is genoemd, vond dat de indianen zo snel mogelijk Engels moesten leren want in hun eigen taal konden ze zichzelf niet begrijpen. Hun eigen taal zat vol mythologie en tovenarij. Die gingen niet samen met de ideeën omtrent het beschaafde leven van de kolonisten.
Tegenover zulke beschavers stelt Ghosh mensen als Rumphius (1627-1702), de half Nederlandse en half Duitse natuuronderzoeker (aanvankelijk in dienst van de VOC) die zich niet tegenover de lokale bevolking van Ambon (de Molukken, een paar honderd kilometer van de Banda-eilanden) opstelde, maar ermee samenwerkte. Hij trouwde zelfs met een ambonese met een grote kennis van de botanie. Toen Rumphius leefde was het classificatiesysteem van Linnaeus (1707-1778) dat ervoor zorgde dat iedereen dezelfde naam aan een plant gaf, nog niet ingevoerd. Des te beter, volgens Ghosh: Rumphius ‘geschriften ademen een geest van sympathie en van gemeenschap die vaak ontbreekt bij post-linnaeaanse indexeerders.’ De nootmuskaatboom ging bij Linnaeus de Myristica fragrans Houtt heten naar de Nederlandse botanicus Martinus Houttuyn. Ghosh betreurt deze fantasieloze naamgeving en dat is geheel in lijn met de strekking van zijn boek: alles wat van bovenaf komt en niet van de lokale bewoners, is voor Ghosh een verarming, banalisering, verzakelijking. Het is louter denken in nut.
Ghosh schrikt er niet voor terug om zwaar geschut in te zetten tegen de ‘mechanistische metafysica’ die nu zo’n voorname positie inneemt ‘onder de ruiters die de mensheid nu naar de apocalyps drijven.’
Van bovenaf, in dit geval de kolonisten, betekent uniform denken. Voor Ghosh bestaan er verschillende manieren van weten. De lokale kennis er een van. De kennis van Rumphius, nog niet vastgelegd in Linnaeus’ categorieën, behoort tot wat Ghosh noemt, ‘de imperiale periferie’, tot de randen van de imperia, de grootmachten Spanje, Portugal, Engeland, Nederland. Die gaven de namen, die zorgden voor de betekenissen. Maar daar kwamen niet de verhalen vandaan die ontstonden over de nootmuskaat. Uit die verhalen blijkt dat het volgens de Blandanezen niet de mensen zijn die het land maken, maar het land de mensen. Niet-mensen, zoals landschappen, kunnen ook spreken. Ghosh schrikt er soms niet voor terug om zwaar geschut in te zetten tegen de ‘mechanistische metafysica’ die nu zo’n voorname positie inneemt ‘onder de ruiters die de mensheid nu naar de apocalyps drijven.’
Ghosh laat niet voor niets De stille kracht van Couperus een rol spelen in zijn uiteindelijke conclusie. Wat maakte dat de Nederlanders zo redeloos vernietigend tekeergingen op de Banda-eilanden? Zou het niet kunnen zijn dat ze doodsbang waren voor de stille kracht van het landschap dat zich tegen hen keerde? Hun gewelddadige woede ‘werd misschien wel gevoed door hun eigen angstig besef van de vitaliteit van de Banda-eilanden’. Toch het vitalisme.
De vloek van de nootmuskaat. Boodschap aan een planeet in crisis door Amitav Ghosh is vertaald door Menno Grootveld en uitgegeven door Atlas|Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.