Als schrijver van Een geschiedenis van het lezen is Alberto Manguel bijna vanzelf ook de beschermheer van alle memorabele personages die het tot het collectieve geheugen van de mensheid hebben gebracht: Odysseus, King Lear, Oedipus, Hamlet, Alice, Faust, Long John Silver en Emma Bovary.

Manguel beschouwt zulke personages niet als van papier, maar als reële figuren, als ‘real presences’, die misschien nog wel dichter bij hem staan dan echte mensen. Ze hebben een veel uitgesprokener karakter dan echte mensen – dát is wat ze tot universele personages hebben gemaakt. Ze vertegenwoordigen iets dat iedereen kan herkennen: het ongewisse in de reis van Odysseus, Lears conflict met zijn dochters, de twijfel van Hamlet, de vertrouwde verwondering van Alice, het zoeken naar de ultieme kennis door Faust, de verrader en moordenaar in de goudeerlijke Silver en de vlucht in de denkbeeldige romantische liefde van Emma Bovary.

imaginaire landkaart

Als historicus van het lezen is Manguel bijna per definitie een omnivoor, een alleslezer en niet iemand die zijn levende en lezende leven heeft opgehangen aan het oeuvre van één schrijver.

Wanneer Manguel zijn autobiografie gaat schrijven doet hij dat aan de hand van wat hij gelezen heeft: ‘Ik heb altijd aan mijn leven gedacht als het omslaan van bladzijden in vele boeken. Bijna al mijn intieme ervaringen, dat wat mijn imaginaire landkaart vormt, wordt bepaald door mijn lectuur. Ik kan bijna alles wat voor mij essentieel is terugvoeren naar een bepaalde zin of een passage in een boek,’ schrijft Manguel in de inleiding van zijn nieuwe boek Fabulous Monsters.

Manguel noemt Roodkapje ‘burgerlijk ongehoorzaam.’ Het gaat hem erom dat ze niet braaf is en dat het de niet-braven zijn die het verschil maken.

Toch is Fabulous Monsters niet een boek dat voor een soort autobiografie kan doorgaan, zo dicht zitten de ‘fabuleuze monsters’ nu ook weer niet op zijn huid. Het zijn literaire personages die Manguel niet altijd zo persoonlijk hebben aangesproken.

Het kan heel uiteenlopend uitpakken. Wanneer hij het over Roodkapje heeft, spreekt het hem aan dat ze niet heeft gedaan wat haar ‘autocratische’ moeder haar opdroeg: rechtstreeks naar grootmoeder, niet met iemand meegaan. Manguel noemt Roodkapje ‘burgerlijk ongehoorzaam.’ Het gaat hem erom dat ze niet braaf is en dat het de niet-braven zijn (met een digressive spirit) die het verschil maken, ook in de literatuur, want daardoor ontstaat er een verhaal.

Het is wat vergezocht om deze literaire moraal aan Roodkapje op te hangen, maar voor Manguel zijn zulke ruime tournures niet ongebruikelijk. Ook Alice hoort tot de niet-braven, ook zij begaat een ‘supreme act of civil disobedience’: wanneer ze tijdens het proces aan het eind van Alice in Wonderland de koning tegenspreekt en niet over zich laat lopen. Daarom is Manguel ook op Holden Caulfield gesteld. Die zegt in The Catcher in the Rye: ‘I like it when somebody digresses.’ De Niet-Braven wordt wel een erg omvangrijke categorie wanneer Manguel er ook Pippi Langkous toe rekent.

Verrader en een dief

Manguel geeft geen verklaring voor de titel Fabulous Monsters. Fabuleus zouden de meeste personages nog wel genoemd kunnen worden, maar monsters niet als het gaat om Alice, Sleeping Beauty, Madame Bovary, Phoebe (het zusje van Holden Caulfield), Superman, Jonah of Emile. Wel als het gaat om Satan, Dracula, Long John Silver en de tiran Banderas. Voor Manguel zijn het levende figuren, zoals hij van Alice zegt dat ze woorden als levende wezens beschouwt.

Manguel ziet in iemand een Diogenes, een Emma Bovary of in een meisje van tien een Phoebe, net zo clever, net zulke leuke oortjes, net zo wereldwijs zonder vervelend te zijn. Met Satan moet Manguel natuurlijk uitkijken of hij er geen dagtaak aan krijgt.

Long John Silver uit Schateiland van Robert Louis Stevenson is ook niet een van de aantrekkelijksten. Dat is een verrader, een dief en een moordenaar, maar hij is ook ‘een goed en eerlijk man.’

Wanneer Manguel de figuur van Kapitein Nemo uit Jules Verne’s Twintigduizend mijlen onder zee beschrijft heeft hij een hele pagina nodig om alle bijzonderheden, eigenaardigheden en karaktertrekken van hem op te sommen (van zijn trots tot zijn lange delicate handen, van non-conformist tot universeel revolutionair, van idealist tot vechter). Wanneer Nemo ook nog gewelddadig wordt, moet Manguel uitwijken naar de ‘positieve anarchie’ van de franse filosoof Pierre-Joseph Proudhon om dat te rechtvaardigen.

geen openbaring

Van de bijbelse figuur van Jonah en van Emile van Jean-Jacques Rousseau maakt Manguel wel heel vrijzinnig gebruik. Jonah, die door God wordt opgedragen het volk van de stad Ninive een toontje lager te laten zingen, wordt tot een allegorische figuur gemaakt die staat voor de zich altijd aan de massa, de conventie en de hypocrisie onttrekkende kunstenaar.

Het is niet echt een openbaring om Jonah als een kunstenaar, dichter en profeet te beschouwen wiens werk het is ‘om de boot in beweging te houden zodat de burgers wakker blijven.’

Door de matrozen van het schip wordt Jonah overboord gegooid als niet een van hen, door een walvis wordt hij na drie dagen op het strand uitgespuwd en in Ninive moeten ze hem ook niet als iemand die hen de werkelijkheid onder de neus komt wrijven. Nergens hebben ze iemand nodig die hun zekerheden in twijfel trekt of hun corruptie doorziet.

Zo, schrijft Manguel, werd Ovidius door Augustus verbannen omdat hij iets onwelgevalligs had geschreven. Zo maakte Plato de politicus tot kunstenaar, dan was hij van de echte kunstenaars af.

Dat is allemaal waar, maar het is niet echt een openbaring om Jonah als een kunstenaar, dichter en profeet te beschouwen wiens werk het is ‘om de boot in beweging te houden zodat de burgers wakker blijven.’ Manguel moet wel erg aan dit essay over Jonah hechten. Hij publiceerde het al eerder in Into the Looking Glass-Wood (1999).

Ellende maakte me tot vijand

Emile, Jean-Jacques Rousseau’s boek over opvoeding, gebruikt Manguel alleen als een handvat om zich een hedendaagse Emile voor te stellen. De Emile van Rousseau wordt in verschillende stappen rijp gemaakt voor de maatschappij. Daar is geen sprake van bij de Emile van Manguel: dat is een vluchteling zonder papieren, een sociaal probleem, een soort onkruid, ergens geboren, maar zeker niet in Europa of Amerika.

Deze Emile wordt dagelijks bestookt door reclames voor artikelen die hij nooit kan kopen. ‘Wordt hij uitschot genoemd? Dan zal hij zich als uitschot gedragen.’ Manguel maakt van zijn Emile een schrijnend geval, een wandelende aanklacht tegen wat hij ‘the arrogant culture’ noemt die Emile buitensluit. Manguel, die in Zuid-Frankrijk woont, moet zich de Franse situatie hebben voorgesteld.

Fabulous Monsters is wat je een gevarieerd boek noemt. Veel personages maken een vertrouwde indruk, maar er zijn er genoeg die minder familiair zijn: Lilith (de vrouw van Adam vóór Eva), Queequeg (de getatoeëerde harpoenist in Moby-Dick), Casaubon (het prototype van de teruggetrokken, mensenschuwe intellectueel in Middlemarch van George Eliot).

Of Gertrude, de moeder van Hamlet die trouwt met de moordenaar van Hamlets vader. Zij blijft in het toneelstuk in de schaduw en dat verandert niet door wat Manguel over haar schrijft, al is ze onverminderd intrigerend. Het is wel duidelijk dat Manguel een zwak heeft voor buitenbeentjes (Alice, Phoebe, Roodkapje, Pipi, Silver, Jonah), en zelfs voor het monster van Frankenstein, dat helemaal geen monster wil zijn. ‘Ik was aardig en goed. Ellende maakte me tot vijand. Maak me gelukkig en ik zal een en al deugd zijn’, zegt hij.

Fabulous Monsters. Dracula, Alice, Superman and other Literary Friends door Alberto Manguel is uitgegeven door Yale University Press.