Simon Vestdijk draaide er in zijn herinneringen Gestalten tegenover mij niet omheen: de componist Willem Pijper was, na Du Perron, ‘degene op wie ik het meest gesteld ben geweest.’ Dat wil wat zeggen. Vestdijk was in de Nederlandse literatuur ook bevriend met Slauerhoff, Ter Braak, Marsman, Roland Holst, Nijhoff en Achterberg. Pijper moet iets aangenaam gecompliceerds gehad hebben voor Vestdijk, als een romanpersonage. Iemand met verschillende kanten, lagen en stemmingen, met gebruiksaanwijzingen. Vreemd dat Pijper, zover ik weet, het niet gebracht heeft tot een personage in een van Vestdijks romans.
Vestdijk noemt hem een ‘man van formaat’, met een ‘eigenaardige charme.’ Hij had iets heersends, liet zijn ‘meerderheid’ soms voelen, wat Vestdijk zich liet aanleunen ‘in de houding van edelmoedig konijn’. Vestdijk wilde alles over muziek van hem weten, deed zich als een soort leerling voor, terwijl Pijper juist naar Vestdijk was gegaan omdat hij iets van hem in de NRC over muziek had gelezen dat hem aansprak. Ze gingen samenwerken voor het schrijven van een opera, Merlijn, die helaas niet af is gekomen.
dwangmatige briefschrijver
Pijper was een compulsief, dwangmatig briefschrijver. Dat is te zien aan de meer dan zeshonderd pagina’s van het Privé-Domein-deel In het licht van de eeuwigheid met brieven uit de jaren 1917-1947. Ook is het te zien aan de mededeling van de bezorger van de brieven, Arthur van Dijk, dat Pijper ‘duizenden’ brieven schreef aan een van zijn permanentste geliefden: Louise Bolleman. Hier kon maar een deel van worden opgenomen. Hij schreef haar meerdere keren per week, als een soort ‘bulletin.
Pijper was een makkelijke, vloeiende briefschrijver, maar als de emoties hoog opliepen, was de brief ook het middel om heel precies te ‘formuleren’ wat hij bedoelde. Dat oplopen van emoties kwam nogal al eens voor, aangezien Pijper een ‘pluralist’ was, iemand met meerdere geliefden tegelijk. Toen Vestdijk naar hem informeerde bij Marsman omdat ze allebei uit Zeist kwamen, noemde Marsman hem ‘een haremhouder.’
‘Dat leek mij interessant’ schrijft Vestdijk in Gestalten tegenover mij.
als componist bepaald modern
Afgezien van componist was Pijper een belangrijke figuur in het Nederlandse muziekleven. Hij was directeur van het Conservatorium in Rotterdam, ongenadig muziekcriticus voor verschillende kranten en redacteur van muziektijdschriften. Pijper kon schrijven, was niet zuinig in zijn oordelen, op het zwart-witte af. Als componist was hij bepaald modern, zo modern dat iemand in 1924 naar aanleiding van de uitvoering van zijn Tweede Symfonie in het Algemeen Handelsblad schreef: ‘Nog nooit heeft het Concertgebouwpubliek zó onverholen laten blijken van een werk in het minst niet gediend te zijn als gistermiddag na de uitvoering van Pijpers Tweede.’
‘Nog nooit heeft het Concertgebouwpubliek zó onverholen laten blijken van een werk in het minst niet gediend te zijn als gistermiddag na de uitvoering van Pijpers Tweede.’
Daar was Pijper niet van onder de indruk. Hij had een solide zelfbesef dat zich niet makkelijk van zijn stuk liet brengen (behalve in liefdesaangelegenheden). Hij had zijn oordelen klaar: hij moest niets hebben van het neoclassicisme van Stravinsky en verwierp de ‘Beethovencultus.’ En: ‘ik verwerp Hindemith, verwerp Honegger, verwerp Milhaud, verwerp Malipiero.’ Volgens Vestdijk verwierp Pijper de muziek na Bach en Haydn tot en met de late romantiek ‘integraal.’ Maar hij hield Lévy, Bartók, Webern, Satie, Schönberg en Berg in ere. Hij vond dat in Nederland in geen 300 jaar een vruchtbaarder werklust dan tegenwoordig [1927] was.’
opensnijderij van mezelf
Vestdijk vond Pijper niet voor niets ‘interessant.’ Pijper was vrijmetselaar en goed thuis in de psychoanalyse, zodat het Ich en het Es regelmatig in zijn brieven opduiken. Pijper had de nodige zelfkennis paraat, zodat hij zichzelf diagnostiseerde als ‘schizofreen.’ In brieven aan zijn verschillende geliefden legt hij zichzelf en de geliefden op de bank. Hij weet ‘van de psychische mechanismen die ons uiterlijk leven besturen.’ Hij is bereid ‘in harde en zakelijke termen’ over zichzelf te denken: ‘Schizofrene persoonlijkheden zoals ik zijn zogenaamde Doppelnaturen.’
Als Doppelnaturen die natuur wegstoppen worden het onberekenbare, levende raadsels voor zichzelf. Als ze zich ervan bewust worden, ‘zoals in mijn geval’, dan is het alleen maar een bron van ‘veel bewuste ellende, een duidelijke zichtbare innerlijke verscheurdheid.’ In lange brieven aan Emmy van Lokhorst, met wie hij getrouwd was van 1927-1936, analyseert hij hun verhouding tot op het bot, wat hij zijn ‘opensnijderij van mezelf’ noemt.
Iets waar Vestdijk zelf al niet meer in geloofde, de astrologie, was voor Pijper vertrouwde materie. Hij redeneerde zonder moeite in astrologenjargon. Aan Vestdijk schreef hij dat hij zich gerust kan beroepen ‘op mijn Mercurius in ‘t elfde huis.’ Wat niet verhinderde dat Pijper zich tegenover zijn verschillende vrouwen moest verantwoorden voor zijn ‘verscheurdheid’, niet alleen omdat hij tegelijk verhoudingen had met verschillende vrouwen, maar ook omdat hij tegenover die vrouwen een kunstenaars-onafhankelijkheid claimde die ervoor zorgde dat hij nooit helemaal ‘van hen’ was. Hij vond het geen bezwaar om daarvoor aanzienlijke getuigen aan te roepen die ook zo neurotisch gespleten waren: ‘Kijk naar Baudelaire, Verlaine, Strindberg – naar iedereen die wat betekend heeft in de geschiedenis der menselijke cultuur.’
Hoe afhankelijk Pijper ook van zijn geliefden was, zijn werk als componist stond altijd op de eerste plaats. Dat werk moest ‘beschermd’ worden tegen de (begrijpelijke) neiging tot infiltratie van zijn geliefden, die aandacht wilden, zoals in menig brief uitvoerig aan de orde is. Het componeren, vond hij, heeft recht op ‘rigoureuze bescherming’. Met andere woorden: ‘het is nodig dat de koning alles heeft wat hem dienstig is.’
erotisch pluralist
Pijper was natuurlijk geheel uit vrije wil polygaam, maar zelf zag hij diepe, psychoanalytische drijfveren die hem niet zo vrij maakten. Zeker is dat hij zich ermee in de nesten werkte. Maar volgens Vestdijk voelde hij meer verantwoordelijkheid ‘dan de huwelijksmeneer, bij wie alles van een leien dakje loopt.’ Dat is te zien aan verschillende soorten brieven: brieven waarin hij zichzelf omstandig verantwoord, en brieven waarin hij de balans opmaakt wanneer een verhouding stuk is gelopen. In die laatste brieven krijg je een inkijkje in hopeloos-gordiaanse knopen van gevoeligheden, remmingen, verlangens, teleurstelling, fixaties, complexen en wederzijds onbegrip.
Pijper kan dan snijdend hard zijn. Zoals in 1924 in lange brieven aan Iet Stants, een compositieleerlinge. Hij richt zich schriftelijk tot haar, want als ze elkaar fysiek zouden treffen, zou Iet ‘a priori in de Afwijzende Houding [gaan staan], met benepen lippen en een geest die op springen staat het eerstgezegde het beste te weerleggen, of tenminste uit te pluizen – al handelde dat Eerstgezegde dan ook maar over de treinverbinding Utrecht-Groenekan of over een postzegel van een dubbeltje.’
‘Ze zou op springen staan het eerstgezegde het beste te weerleggen, al handelde dat Eerstgezegde dan ook maar over de treinverbinding Utrecht-Groenekan of over een postzegel van een dubbeltje.’
In zulke brieven zijn de invectieven niet van de lucht: ‘Continueer je gemeenschapszinnelijke narcisme vooral tot je jezelf volstrekt geïntroverteerd hebt.’ ‘Wat doen we op ‘t moment méér dan tegen mekaars rug praten.’ In deze verhouding krijgt deze ‘loslopende vrijgeest’ het Spaans benauwd: ‘Ik krijg een kooi vol beroerde associaties in mijn kop zitten; ik voel dwangbuizen om mijn borst, ik voel ze proberen hersencellen van me hermetisch te sluiten, ik ruik een schroeiwalm en – ‘t beroerdste! – ik weet wat dit allemaal beduidt.’
Ook al bevond Pijper zich middenin het ‘burgerlijke bestaan’ in zijn verschillende muzikale hoedanigheden (directeur, docent, criticus), vond hij zichzelf in de kern ‘enigermate terzijde van het burgerlijke bestaan.’ Hij was ‘precies zo’n loslopende vrijgeest’ als Vestdijk, die slechts bestaat ‘ter wille van mijn werk’. Zijn erotisch pluralisme, om het zo maar te noemen, was een onderdeel van dat werk. Het was een ‘uitbreiding van het liefdesgevoel’: ‘Houden van een landschap, van een geluid, van een dier, een mens, een plant, een gedachtearabesk, het zijn alle tot op zeer grote hoogte gelijkwaardige erotische functies voor mij.’
In het licht van de eeuwigheid is een rijk boek. Pijper is een prismatische persoonlijkheid die niet in een conventioneel stramien past. Zijn hardheid staat tegenover zijn zorgzaamheid (de ‘duizenden brieven’ aan Louise Bolleman), zijn rationele geest botst met zijn fascinatie voor astrologie, zijn tederheid legt het af tegen zijn lust tot analyse, verklaren en redeneren. Zijn ontrouw staat haaks op zijn trouw aan Bolleman. De vaak kort en haastig geschreven briefjes aan Bolleman contrasteren met de heftig en meedogenloos analyserende epistels aan Iet Stants en choreografe Corrie Hartong.
Allemaal heel interessant.
In het licht van de eeuwigheid. Een leven in brieven 1917-1947 door Willem Pijper is bezorgd door Arthur van Dijk en uitgegeven door De Arbeiderspers.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.