Aan het slot van zijn biografie over Erasmus uit 1924 schrijft historicus Johan Huizinga (1872-1945) dat we Erasmus in ere moeten houden ‘omdat hij de innig oprechte prediker is geweest van die algemene zachtmoedigheid, die de wereld nog zo bitter nodig heeft.’ Huizinga maakt daarmee één eigenschap van Erasmus tot de belangrijkste van zijn persoonlijkheid. Dat is misschien wel duidelijk en handzaam, maar vereenvoudigt Erasmus’ karakter onverantwoord.
Erasmus was helemaal niet zo zachtmoedig, hij was óók zachtmoedig – op zijn tijd. Hij was tegen oorlog, maar veroorzaakte met zijn verlichte manier van over het geloof denken een papieren oorlog die Europa niet eerder had meegemaakt. De boekdrukkunst was er rond 1445 net op tijd voor uitgevonden. Het katholicisme als ‘bedrijf’ stond op zijn achterste benen door Erasmus’ aanvallen, het lucratieve monnikschap kreeg het zwaar te verduren, de handel in aflaten stokte, voor het eerst werden er vraagtekens gezet bij de priesterlijke en pastorale bedil- en bemoeizucht. Het priester- en monnikschap werden voorgoed geassocieerd met komische personages, met figuren die, beschermd door hun soutane, zorgeloze leventjes leidden waarin ze mensen graag vertelden hoe ze moesten leven.
absurde hoeveelheid lof
Erasmus was veel grilliger dan hij door Huizinga is voorgesteld. De absurde hoeveelheid lof die Erasmus ten deel viel uit alle delen van Europa, zoals weer te lezen in de twee nieuwe delen van zijn correspondentie die de laatste jaren van zijn leven bestrijken (1530-1536), streelde hem weliswaar, maar hij trok zich er tegelijk helemaal niets van aan. Het deed hem veel (daar was hij ijdel genoeg voor), maar het deed hem tegelijk ook helemaal niets, zo ingewikkeld zat Erasmus in elkaar.
De eer van een kardinaalshoed zei Erasmus niets.
Paus Paulus III schreef hem een brief waarin hij hem tot kardinaal wil benoemen vanwege zijn verdiensten voor de katholieke kerk. Die verdiensten waren maar relatief, gezien de hoeveelheid kritiek die hij op allerlei kerkelijke zaken had. Hij werd soms zelfs van te veel sympathie voor Luther beticht. Rome wilde ook goede sier met hem maken. Maar de eer van die kardinaalshoed zei Erasmus niets.
Aan Piotr Tomicki, de bisschop van Krakau, schrijft hij een uitvoerige brief over ‘zwaarwichtige zaken’, om daarna over te gaan naar iets ‘lachwekkends’, namelijk het plan van de paus om hem op het komende concilie tot kardinaal te benoemen. Aan een andere kennis, de latinist Bartholomeus Latomus, schrijft hij een brief van de paus te hebben gekregen die blijk gaf van ‘een bijzondere genegenheid’, ‘maar ik mag doodvallen als ik zou zeggen dat die mij dierbaarder is dan die van u.’
twee goede vrienden
In de tijd van deze brieven had Erasmus in Engeland al meer dan dertig jaar twee goede vrienden, John Fisher, bisschop van Rochester, en Thomas More, aanvankelijk secretaris en daarna kanselier van de geduchte koning Hendrik VIII. Allebei vielen ze in 1535 in ongenade omdat ze het er niet mee eens waren dat Hendrik zichzelf tot hoofd van de kerk in Engeland benoemde (en de paus daarmee ondergeschikt maakte).
‘Het lot van die twee edelste zijner vrienden ontroerde Erasmus voorzeker’, schrijft Huizinga. Maar ‘een zekere reserve is niet te ontkennen.’
Toen de paus Fisher in mei 1535 (terwijl hij in de Tower gevangen zat) ook nog tot kardinaal benoemde, vond Hendrik het tijd worden Fisher te laten onthoofden. Twee weken later was de beurt aan Thomas More, om dezelfde reden.
‘Het lot van die twee edelste zijner vrienden ontroerde Erasmus voorzeker’, schrijft Huizinga. Maar ‘een zekere reserve is niet te ontkennen.’ In het aan Fisher gewijde voorwoord van Erasmus’ boek Ecclesiastes ‘klinkt geen toon van innigheid’, schrijft Huizinga. In zijn brieven ‘uit die dagen’ zou ‘geen klank van echte verslagenheid en verontwaardiging’ klinken. Dan is Huizinga toch echt iets ontgaan.
Allereerst heeft het even geduurd voordat Erasmus wist wat Fisher en More was overkomen: bijna een maand na de onthoofding, op 18 augustus in een brief aan Damiaan van Goes, denkt hij nog dat ze in de Tower zitten. Wat Erasmus’ verslagenheid en genegenheid betreft heeft Huizinga kennelijk over het hoofd gezien wat hij op 31 augustus aan Piotr Tomicki schrijft: dat ‘Engeland nooit iets eerbiedwaardigers en beters heeft gehad dan dit tweetal mensen. (…) Met het verlies van More lijk ik wel opgebrand: zozeer hadden wij getweeën één ziel, om met Pythagoras te spreken.’
theologishe haarkloverijen
Dat Erasmus vond dat Thomas More zich jammer genoeg had ingelaten met ‘gevaarlijke’ theologische aangelegenheden’, liet zien dat hij iets anders dacht over het beleven van het geloof. Bij Erasmus was geloven (als ik het als ongelovige goed begrijp) veel meer iets dat zich in zijn innerlijk afspeelde.
Theologische haarkloverijen waren niet zijn fort, ook al heeft hij zich er ook wel mee bemoeid. Er wordt, als het om geloven gaat, wel onderscheid gemaakt tussen de zichtbare en de, bij Erasmus horende, onzichtbare kerk. De zichtbare kerk is die van prots en praal, van katholieke bling bling, kazuifels en mijters. De onzichtbare kerk zit in je binnenste en heeft te maken met ‘vroomheid.’
Erasmus moest ook niets hebben van de verering van heiligenbeelden, iets wat hij gemeen had met de protestanten.
Wat die vroomheid voor Erasmus precies inhield weet ik niet, maar wel dat het iets te maken had met terughoudendheid en bescheidenheid. Erasmus wilde terug naar de oorspronkelijke eenvoud en zuiverheid van het geloof. Vandaar dat hij het geloof van Luther exhibitionistisch vond. De vroomheid van Erasmus had een dempend effect op het denken en doen.
‘Overal woont Christus’, citeert Huizinga Erasmus. Wat betekent: waar Christus is, daar is de geest van verzoening, daar worden de zaken niet op de spits gedreven. Eendracht in het christelijke Europa betekende voor Erasmus dat Rome en Wittenberg (Luther, ‘die man is gewoon gek’) niet op hun strepen moesten gaan staan.
Vroomheid stond voor Erasmus ver af van zichtbaarheden als ceremonieën, rituelen, regels, relikwieën, bedevaarten en processies. Erasmus moest ook niets hebben van de verering van heiligenbeelden, iets wat hij gemeen had met de protestanten. Toen in Bazel de kathedraal te maken kreeg met een beeldenstorm verhuisde Erasmus naar Freiburg (een dagreis van Bazel) omdat hij niet geassocieerd wilde worden met beeldenstormers.
uniek geval
Er zijn in zijn tijd zoveel boeken en pamfletten tegen Erasmus geschreven (hij werd er door ‘gestenigd’ zei hij), maar werd anderzijds zo bewonderd en vereerd, dat hij een uniek geval is geworden in de Europese cultuurgeschiedenis. De vijanden van Erasmus werden allemaal geprikkeld door de onverstoorbaarheid waarmee hij de onzinnige kanten van het geloven bestreed, of dat nu van katholieke of protestantse snit was.
Allerlei vorsten lonkten ze naar Erasmus en wilden hem inlijven. Hij gaf geen krimp.
Maar hoe onverstoorbaar ook, hij hield zijn polemische drift. Zoals te zien in een brief van september 1535 waarin hij schrijft dat ene Kan ‘geen haar beter is dan de rabiate Hagius. Met het vergif dat Hagius bij Alard opzoog, heeft hij, dat addergebroed, de ander geïnfecteerd. Hetzelfde heeft hij bij praalhans Polyphemus gedaan.’
Ondertussen kon Erasmus rekenen op de sympathie van niet de minsten van de Europese vorstenhuizen: keizer Karel V van Spanje (en driekwart Europa), van koning Ferdinand van Hongarije, van Francois van Frankrijk, van Hendrik VIII van Engeland en van paus Paulus III te Rome. Allemaal lonkten ze naar hem en wilden hem inlijven. Hij gaf geen krimp.
Wanneer Erasmus op 11 juli 1536 overlijdt verschijnen in heel Europa herdenkingsartikelen. Zijn vrienden schrijven elkaar om het te hebben over zijn betekenis voor de republiek der letteren en voor henzelf. Van een van die vrienden, Fredericus Nausea, de hofprediker van koning Ferdinand van Hongarije, is de brief afgedrukt die hij op 18 augustus 1536 aan zijn koning schreef over de betekenis van figuren als Erasmus in de entourage van koningen en keizers, hoe bevorderlijk dat is voor hun inzichten en oordeelsvermogen: ‘Het is zo typisch koninklijk dat vrijwel vanaf de schepping van de wereld alle grote koningen en keizers gewend waren om zuinig te zijn op geletterden en geleerden, maar ook om hen om zich heen te hebben als naaste adviseurs en hen met ambten en materiële middelen vooruit te helpen. Zij wisten natuurlijk heel goed dat grote geleerden en talenten verreweg het belangrijkste kapitaal van een staat vormen.’
‘Erasmus van Rotterdam’ gaat Nausea verder, ‘is het nimmer te miskennen en onuitwisbare bewijs, geprezen zij zijn nagedachtenis.’
De correspondentie van Desiderius Erasmus deel 17 (de brieven van augustus 1530 tot augustus 1531) en deel 20 (de brieven van januari 1535 tot zijn dood in juli 1536) zijn uitgegeven door Uitgeverij Ad. Donker. De delen 18 en 19 verschijnen begin volgend jaar.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.