Waarom denk ik bij het woord ‘zingeving’ meteen ‘wat een armoe’. Iemand moet zijn leven kennelijk zin gaan geven, hij/zij moet iets bedenken. De zin van zijn leven ligt kennelijk niet spontaan klaar, de energie staat niet in de startblokken om te beginnen. Maar zin is niet iets wat je bedenkt, het is iets dat zich meester van je maakt. En iets dat voor een langdurige inspiratie zorgt, een vruchtbare obsessie, niet iets waar je nog over na moet denken. Die zin is er, als een lust, als ergens zin in hebben, heel goed te vergelijken met erotische aanvechtingen.

Er is een groot verschil tussen zingeven en betekenis geven. Zingeving heeft een half-religieuze klank. Bij zingeven denk je aan iets willekeurigs, als het maar iets is dat zin geeft, maakt niet uit wat voor zin. Betekenis geven is veel meer een zelfbewuste gerichte daad, een specifieke denkhandeling, het is betekenis geven aan iets bepaalds, door jou, voor jou als individu. Dié kunstenaar (Hammershøi) bevalt mij, maar die niet (Caspar David Friedrich). En Matisse, die lijf ik ook bij mij in. Zo gaat betekenis geven in zijn werk. Mensen die zin aan hun leven moeten geven lijken op een dood punt beland. Wie betekenis geeft doet dat de godganse dag, en zonder een pauzeknop in de buurt. Betekenis geven is leven. De zin is er al. Het is alsof een hele stapel blanco papieren zo goed mogelijk ingevuld moet worden. Daarom bevalt mij het titelessay van Jaap van Heerdens boek uit 1990 nog altijd: Wees blij dat het leven geen zin heeft. Wanneer het leven geen zin heeft en een blanco pagina is moet je het zelf betekenis geven, niets en niemand anders doet het voor je.

Stelt ooit iemand zich de vraag ‘Waarom ben ik hier?’ Het is de titel van Rens Bods Kleine wereldgeschiedenis van zingeving. Wanneer iemand zich die vraag stelt hebben er wellicht een reeks ingrijpende gebeurtenissen voorgedaan, een opstapeling van ellende, dood, catastrofe, dieptepunten. De controle over het leven is uit handen geslagen. Maar ook dan kom je niet aan met ‘opnieuw zin aan je leven geven’, dat klinkt te veel als schrapen over een betonnen vloer. Te armzalig. Alleen als iemand helemaal lam geslagen is door het leven is de vraag ‘waarom ben ik hier?’ gerechtvaardigd. En dan nog kan de vraag beter luiden ‘waarom ben ik hier nog? (terwijl mijn geliefde er niet meer is).

zingeven is een geforceerd leven

Waarom ben ik hier? is een boek over ‘zingevingsvormen’, vroeger en nu, in verre landen en dichtbij. Het is een woord afkomstig uit de culturele antropologie of uit de (zelf)hulpverlening. Dat is niet Bods werkterrein. Dat is, als de schrijver van het boek De vergeten wetenschappen, de geschiedenis van de geesteswetenschappen. Bod heeft 180 ‘zingevingsvormen’ bedacht. Zoals ze daar op zeven pagina’s bij elkaar staan is het alsof je je die zingevingen zo maar eigen kunt maken. Wat niet bepaald het geval is. Het zijn ingrijpende, zich in mensen nestelende dagelijkse strevingen. Het gaat om motieven om te leven als ‘ergens bij willen horen’, ‘een religieus leven willen leiden’, ‘verbinding met anderen zoeken’, ‘helpen van anderen’, ‘eer en aanzien zoeken’, ‘je voor de natuur inzetten’, ‘kennis overdragen’, ‘persoonlijke groei nastreven’, ‘op macht uit zijn’, ‘erkenning zoeken’, ‘je in dienst van anderen stellen’, ‘rijk worden’, ‘alles uit het leven halen’, ‘zelfverbetering’ en ‘nieuwe kennis creëren’.

Het leven wil niet in zingevingsvormen geperst worden. Het leven krijgt er iets opgelegds van, als een verplichting. Zingeven is geforceerd leven. Betekenis geven is leven.

Je kunt uit die 180 een aantal verwante zingevingsvormen kiezen, zingevingen die bij jou passen, maar dan is het alsof je zingeving aan het shoppen bent, alsof het leven bij elkaar te bedenken is. Een spirituele natuurliefhebber komt dan uit bij: ‘in harmonie met de natuur’ zijn, ‘helpen van anderen’, ‘innerlijke rust zoeken’, ‘gematigd leven’, ‘bestrijden van onrecht’, ‘loyaal zijn’, ‘de wereld willen begrijpen’, ‘aan zelfreflectie doen’, ‘er voor elkaar zijn’. Deze zingevingen vormen bij elkaar een vriendelijke familie. Tegelijk ziet het er heel onnatuurlijk, streng en logisch uit. Op deze manier je leven inrichten (zingeven) doe je niet. Het leven wil niet in zingevingsvormen geperst worden. Het leven krijgt er iets opgelegds van, als een verplichting. Zingeven is geforceerd leven. Betekenis geven is leven.

omdat ik er ben en omdat ik het leuk vind

Bod noemt het boek een ‘kleine wereldgeschiedenis van het zingeven’, maar dat is het niet. Het vertelt geen geschiedenis, er komt geschiedenis in voor, zoals er de nodige antropologie en psychologie in voorkomt. Het is een boek over allerlei vormen van menselijk gedrag. Wanneer het over exotische volkeren gaat is het gebruik van het woord ‘zingevingsvorm’ nog te rechtvaardigen als antropologisch jargon, maar niet wanneer het om westerse gewoonten gaat. Verre volkeren geven met bepaalde woorden betekenis aan gedrag dat wij niet kennen. Bod geeft het voorbeeld van het begrip ‘shokunin’ in Japan. Dat staat voor volledige toewijding, met hart en ziel altijd bezig zijn met het perfectioneren van jezelf en je technische vaardigheden. Dit zelfverbeteringsidee vinden we ook bij Plato (het nastreven van het Goede), bij Aristoteles en Confucius, maar dan zonder dat het gericht is op vaardigheden in de praktijk. Dan is het alleen mentale, egocentrische verbetering. Dat steeds beter willen worden is op afstand te vergelijken met de westerse ‘permanente educatie’. Het zijn interessante nuanceverschillen.

Soms is gedrag zo poëtisch dat het schandalig is om het een ‘zingevingsvorm’ te noemen. Het Semai-volk van Malakka (een eiland bij Sumatra) dat de reputatie heeft vredelievend te zijn en conflicten vermijdt, kent het begrip ‘punan’. Dat staat voor de overtuiging dat het ongelukkig maken van de ander, vooral door het opleggen van je eigen wensen, taboe is. Aan het nastreven van punan wordt dagelijks gewerkt. De druk van de omgeving helpt daarbij. Iemand niet ‘ongelukkig willen maken’ is een delicate manier van zeggen voor een fijnzinnige manier van doen. De ander krijgt er vanzelf gewicht en betekenis door.

Wat Rens Bod zwaarwichtig ‘zingevingsvormen’ noemt zijn eenvoudig de verschillende manieren waarop mensen doen wat hen bevalt omdat ze op de wereld zijn. Daarmee geven ze het betekenis voor hun leven. Wanneer iemand graag vrijwilligerswerk doet is het al te ontmoedigend als dit in antropologenjargon een ‘zingevingsvorm’ gaat heten. Daarmee wordt dat werk op slag van zijn aardigheid en glans ontdaan. In haar boek De humanisten laat Sarah Bakewell een stoet aan bekende prikkelende geesten langs komen (Petrarca, Voltaire, Erasmus, Huxley, Pico, Forster, etc.), maar ook een voor mij onbekende, de Amerikaan Robert G. Ingersoll (1833-1899), een soort stand-up comedian die op alle tenen ging staan die hij tegenkwam, speciaal van gelovigen die te vluchtig de Bijbel lazen en niet zagen hoeveel bedenkelijks daar in stond (zijn bijnaam was Robert Injuresoul, kwetser van zieltjes).

Hij was heel belezen, geestig en een liefhebber van het leven, wat hij ook schaamteloos liet weten. Ingersoll moet een opperste gever van betekenis zijn geweest getuige zijn lof voor het bestaan: ‘Ik houd ervan om te leven, om de lucht in te ademen, om naar het landschap, de wolken en de sterren te kijken, om muziek te horen, de stemmen van degenen van wie ik houd. Ik geniet van eten en roken. Ik houd van lekker koud water. Ik praat graag met mijn vrouw, mijn meisjes, mijn kleinkinderen. Ik houd van slapen en dromen. Ja, je kunt gerust zeggen dat ik het leven de moeite waard vind om geleefd te worden.’ Dat lekkere koude water is goed. Het antwoord op de vraag ‘waarom ben ik hier?’ is voor Ingersoll dus eenvoudig: omdat ik er ben en het leuk vind.

Waarom ben ik hier? Een kleine wereldgeschiedenis van zingeving door Rens Bod is uitgegeven door Prometheus.

De humanisten. Dromers, denkers en onderzoekers die de wereld veranderden door Sarah Bakewell is vertaald door Karl van Klaveren en Indra Nathoe en uitgegeven door Ten Have.