‘Dit is het boek waarmee ik vanuit de grote vernieling mijn weg heb teruggevonden naar de wereld van de levenden,’ zegt Willem Melchior (1966) over zijn nieuwe roman, terwijl hij de dop in zijn hals indrukt. ‘Als ik het een beetje literair formuleer, klinkt het nog als de waarheid ook.’

Zijn goede vriend, de choreograaf Hans van Manen, die zijn nieuwe werk altijd leest voor publicatie en in dit boek ook voorkomt, zou het te mooi gezegd vinden. ‘Hans is wars van flauwekul en hij heeft gelijk. Je moet de boel niet belazeren en opdirken.’

De werkelijkheid ziet er minder fraai uit, moet hij dan ook toegeven. Dat van die vernieling klopt wel. Hij heeft zich als kettingroker van ontelbare Camels zonder filter letterlijk de kanker gerookt. De dagelijkse dosis was meestal twee pakjes. ‘Dat was wel het maximum, hoor, soms haalde ik de dertig sigaretten nog niet eens’.

Te mooi gezegd of niet, er was een positieve keerzijde van die ellendige geschiedenis. Ten eerste ligt nu...