De titel van Wieteke van Zeils nieuwe boek over kijken en oordelen over kunst is mooi dubbelzinnig: Altijd iets te vinden.

Inderdaad: een kunstkijker(ster) vindt al gauw iets van wat hij ziet, hij laat er meestal geen gras over groeien en vindt iets mooi, lelijk, interessant, leuk, afschuwelijk of begrijpt er niets van. Van het opschorten van een mening is niet vaak sprake. Het oordeel holt voor het denken uit.

De andere betekenis van Altijd iets te vinden verwijst naar alles wat op kunstwerken te zien is. Schilderijen zijn vaak zoekplaatjes. Het duurt wel even voor je alles hebt gezien. Essentiële details verbergen zich bovendien graag.

Van Zeil wijdt het grootste deel van het boek aan zo’n zestig saillante details op schilderijen en kunstwerken, maar besteedt eerst dertig pagina’s aan zes adviezen waar de kunstkijker zijn voordeel mee kan doen. Zoals het uitstellen van zijn mening. Het komt vaak voor dat je van een kunstwerk niets begrijpt. Dan is het makkelijk om ongeïnteresseerd door te lopen. Maar kunstenaars doen nooit zomaar iets, er zit altijd een bedoeling achter.

Van Zeil beschouwt het onderzoekende en nieuwsgierige kijken naar wat erachter zit als een plezier op zich. Een kunstwerk dat je niet begrijpt (een schilderij van Dali met een smeltende reuzentelefoon die een traan laat vallen op een soepbord), maakt de kunstdetective in je los. Dat er een oplossing uitkomt is niet zeker, maar het is dan ook vooral de zoektocht waar het om gaat.

wat je vindT ben je zelf

Van Zeil beveelt ook aan om schilders die je niks vindt (zij moest lange tijd niets van Rubens hebben) na verloop van tijd weer te gaan bekijken. Dat kan ertoe leiden dat je op hele kinderachtige motieven stuit om iets niet goed te vinden. Dat zegt het nodige: wat je vindt ben je zelf. Je laat jezelf kennen. Ook kan iets eenvoudig te vreemd zijn en moet je er vertrouwd mee worden door er vaker naar te kijken.

‘Onderzoeken’ hebben volgens Van Zeil uitgewezen dat mensen ‘verslaafd’ zijn aan hun eigen gedachten en meningen. Ze zijn er moeilijk vanaf te brengen. Maar schilderijen zijn geduldig: ze hangen aan de muur, ook als je ze haat, negeert en verafschuwt of onbegrijpelijk vindt – ‘en ze hangen er nog steeds als je langzaam sympathie voor ze krijgt. Als je klaar voor ze bent. Als een hondje dat wacht bij de deur tot je ’m wilt uitlaten, maar dan dus veel, veel geduldiger.’

‘Een dagelijkse doses awe, hoe klein het ook lijkt, is dus gewoon goed voor je. En maakt je een leuker mens.’

Een interessant maar discutabel hoofdstuk gaat over het Engelse woord ‘awe’, het ontzagwekkende dat een kunstwerk kan uitstralen terwijl je er niet veel van begrijpt. Van Zeil illustreert dat met de Visitatie van Pontormo. De kleurrijke monumentaal golvende gewaden, de intimiteit van de twee vrouwen, de twee andere vrouwen die de toeschouwer aankijken, overweldigden haar en bezorgden haar een ervaring die het schilderij ‘een beetje “van mij”’ maakte.

Waarna Van Zeil het iets te dol maakt door te zeggen dat dit ‘ontzagwekkende gevoel’ ook nog ‘écht gezond’ is. Het zou voor de afname van het te veel aan cytokine zorgen: ‘Van alle emoties bleek alleen awe bij te dragen aan afname van het cytokineniveau’. Volgens ‘andere studies’ zou de awe-emotie ook bevorderlijk zijn voor altruïsme, voor vriendelijkheid en generositeit: ‘Een dagelijkse doses awe, hoe klein het ook lijkt, is dus gewoon goed voor je. En maakt je een leuker mens.’

humeurige aangelegenheid

Ook al is het niet te gewaagd om te zeggen dat regelmatig naar kunst kijken voor een aardiger inborst zorgt, bij Van Zeil loopt de waardering voor kunstwerken wel erg via gevoelens. Ze zegt plompverloren dat ‘we beelden beoordelen aan de hand van hoe we ons voelen’.

Het valt op dat Van Zeil schilderijen vooral als interessante plaatjes ziet.

Dat maakt het kunstkijken wel een erg humeurige aangelegenheid. In de praktijk is dat ook helemaal niet het geval bij Van Zeil, die juist erg leunt op allerlei ‘studies’ over de zogenaamde wetten van het waarnemen. Er spelen wel degelijk gevoelens mee bij het kijken en beoordelen: maar dan consistente, geen humeurige.

Dat is bij Van Zeil zelf te zien aan de hand van de magere manier waarop ze van tijd tot tijd haar waardering voor een kunstwerk onder woorden brengt: iets is heel vaak ‘heerlijk’, ‘zalig’ of ‘lekker’. Dat zou van Van Zeil een al te zeer op gevoel drijvende (sensitivistische) kunstliefhebber en criticus maken, als ze niet ook een zekere lust aan de dag zou leggen voor het opdoen van kennis en inzicht. Ze is ook ernstig op zoek naar wetenswaardigheden, naar saillante kennis.

Daarbij valt op dat Van Zeil schilderijen vooral als interessante plaatjes ziet. Het zijn niet zozeer schilderijen van verf uit een bepaalde tijd, geschilderd in een bepaalde stijl, door een schilder met een bepaalde mentaliteit en psychologie, maar plaatjes waarop eenvoudig iets boeiends te zien is.

Op die plaatjes zoekt Van Zeil betekenissen en al dan niet verborgen details. Een mooi voorbeeld is De regenten en regentessen van het Spinhuis door Bartholomeus van der Helst (1650), het ‘lievelings groepsportret’ van Van Zeil. Ze zitten aan tafel en dat is aanleiding om uit te wijden over de (talkshow)tafel als representatief voor de Hollandse egalitaire cultuur, als de plaats waar, ondanks de verschillen, onderlinge overeenstemming ontstaat, of een zekere ‘eendracht’ (concordia).

eerst het geheel

Van Zeil heeft zich in twee eerdere boeken (Dichterbij, Goed kijken begint bij negeren) sterk gemaakt voor aandacht voor het detail op schilderijen. Daarin verdedigt ze de opvatting dat je het kunstwerk het beste via een detail leert kennen. Dat is maar de vraag. Het detail is eminent van belang, maar het geheel van het schilderij is minstens zo belangrijk voor de sterke eerste impressie. Het is natuurlijk het geheel én het detail waar het om gaat.

Maar altijd eerst het geheel. Zo gaat Van Zeil zelf ook te werk. De ene keer neemt ze het geheel (Winterlandschap van Salomon van Ruysdael), de andere keer een detail (de vraag hoe de flamboyante geruite kousen van Pompeo Batoni’s Colonel William Gordon niet afzakken).

Of het geheel van Kees Maks’ Madeleine-Bastille Omnibus en het detail van het rode oor van Mina Carlson-Bredberg. Op Claude Monets Opkomende zon is het detail zelfs niets zonder het geheel.

afwezige oordelen

Van Zeil maakt in haar inleidende hoofdstukken zoveel werk van het vormen van een oordeel bij het bekijken van kunstwerken (de ondertitel van het boek luidt ‘De kunst van het oordelen’) dat er wel geducht geoordeeld zal worden wanneer ze bij de schilderijen zelf is aangekomen.

Dat is helemaal niet het geval. Er is helemaal geen sprake meer van oordelen of het hebben van meningen. Al deze prachtige schilderijen/plaatjes zijn uitverkoren, vooral omdat ze stof bevatten om over uit te wijden, er iets over te schrijven, er iets aan te onderzoeken.

Een tweederangs en oerburgerlijk schilderij als De schilder met zijn familie van Wilhelm von Harnier is dan even bruikbaar als De dienstmaagd van Nicolaes Maes. Het stijve gezelschap van Frédéric Bazilles De familiereünie heeft dezelfde status als de uitbundige strepen van Berthe Morisots De les in de tuin (met het hondje als een klodder verf).

Het zijn niet de afwezige oordelen, maar Van Zeils interpretaties van de schilderijen die regelmatig vraagtekens oproepen. Verbergt Rembrandt wel het schaamhaar van Hendrickje Stoffels op de Badende vrouw, tilt ze niet gewoon haar hemd op opdat het niet nat wordt? Lijken de handen van bokser Lacky op Nola Hattermans Op het terras wel last te hebben van artritis?

Doet Van Zeil niet aan ouderwetse fysionomie door in het portret van Jane Jopling door John Everett Millais eerst geen kunstenares te zien en later wel als ze gehoord heeft dat ze zelf schilder is. Is de berg bij Georgia O’Keeffe wel ‘een klankkast voor de ziel’? Kun je de wedijver tussen kunstenaars in de geschiedenis van de kunst wel ‘een dingetje’ noemen, als het zo allesbepalend is geweest? Kijken de ogen van het jonge meisje Tehamana van Gauguin wel ‘naar binnen’? En verbeeldt ze wel ‘een idee, meer dan een mens’? Is het niet gewoon een typisch Haitiaans meisje?

Van Zeil maakt aanvankelijk zo veel werk van het vormen van een mening of oordeel dat je bijna over het hoofd ziet dat ze juist een omnivoor is, een alleseter. Dat heeft zijn voor- en nadelen, maar een nadeel is dat het betekent dat Van Zeil een heel hoofdstuk wijdt aan de vernietiging van zoiets onbeduidends als Banksy’s Girl with Balloon tijdens een veiling bij Sotheby’s in 2018.

Het maakt Altijd iets te vinden tot een boek om mee aan tafel te gaan zitten, maar waarmee je nog niet zo snel concordia bereikt.

Altijd iets te vinden. De kunst van het oordelen door Wieteke van Zeil is uitgegeven door Atlas/Contact.