Andy van der Meyde zegt dat hij er ook last van heeft. We zitten aan een bar in Amsterdam-Oost, de oud-profvoetballer en reality-icoon pakt zijn telefoon om zijn verhaal te demonstreren. ‘Dan moet ik even iets doen, iemand appen, mailtje, weet ik wat,’ hij beweegt zijn hand richting het scherm, swipet door de lucht, ‘en voor ik het weet, nu.nl, nos-app, Instagram, zit ik zo weer een halfuur te scrollen.’ Hij doet het voor met zijn vinger, tik tik tik op het scherm, zet een zombieachtige blik op. ‘Echt verslaafd gewoon, echt verslaafd.’

Johnny de Mol komt achter de bar vandaan en zegt dat Andy wel heftiger verslavingen overwonnen heeft en dat hij zich over zijn telefoonverslaving niet zo’n zorgen hoeft te maken. ‘Maar even serieus,’ gaat Johnny vervolgens verder tegen mij, ‘vanmiddag wilde ik jou nog appen. Ik kwam hier de kleedkamer uit en zag iedereen backstage – crew, tafelgasten, mensen die zij hadden meegenomen – allemaal gebogen over hun telefoon. Niks gezelligheid, alleen maar naar die schermpjes aan het turen.’

De bar waaraan we zitten is geen echte bar, maar onderdeel van het decor van een praatprogramma dat De Mol presenteert – Van der Meyde en ik zijn te gast vanavond. Hij om te praten over zijn nieuwe YouTube-format, ik om te vertellen over dit boek. Tenminste, over de artikelenreeks over digitale verslavingen die aan dit boek voorafging.

Directe aanleiding is het laatst uitgekomen stuk over Grinderverslaving – want ja, aan datingapps kun je óók verslaafd worden, vertel ik een halfuur later aan de talkshowtafel, die naast Van der Meyde bevolkt wordt door misdaadjournalist Kees van der Spek en popzangeres Merol.

Lees ookVerslaafd aan online aandacht: in de greep van datingapp Grindr22 september 2021

Aan de talkshowtafel leg ik uit hoe zo’n verslaving tot stand komt. We kampen allemaal weleens met onzekerheden, met gevoelens van stress en angst, en leren onszelf steeds meer aan die emoties te sussen met digitale afleiding. ‘Wij zijn dus heel makkelijk te manipuleren,’ vat Johnny mijn verhaal samen, ‘en daar maken zij misbruik van, eigenlijk.’ Zij, dat zijn de techgiganten, Facebook, Google, Apple.

Tijdens het voorgesprek was de dienstdoende redacteur van de ene in de andere verbazing gevallen. ‘Mijn god,’ zei ze. ‘Ik dacht dus dat ik écht niet verslavingsge­voelig was. Maar alles wat jij nu vertelt, ja, dat doe ik ook.’ Net als een personage uit mijn artikelenreeks kon ze geobsedeerd bezig zijn met haar stappenteller: ze kon niet meer naar buiten zonder haar telefoon, anders ‘telden’ haar stappen niet. De redacteur herkende zich ook volledig in mijn observatie dat de digitale wereld steeds aantrekkelijker wordt naarmate het in de analoge variant minder goed met ons gaat. ‘De afgelopen maanden heb ik meer dan ooit op Instagram gedeeld over mijn relatie,’ vertelde ze. ‘En sinds vorige week is die uit.’

Natuurlijk, het is haar baan om geïnteresseerd te zijn in wat ik te vertellen heb. Maar in de voorafgaande maanden had ik haar reactie veel vaker gehoord. Van de redacteur bij mijn uitgeverij tot mijn ouders, van mijn beste vrienden tot vage kennissen op een borrel of verjaardag: eigenlijk iedereen ‘ging aan’ als ik het had over mijn nieuwe onderzoeksonderwerp, de digitale verslaving. Overal waar ik kwam vielen gesprekspartners over elkaar heen om te onderstrepen hoe relevant dit thema was en hoezeer ook zij zich schuldig maakten aan grenzeloos online gedrag, of anders hun partner wel.

Tegen je zin

Ondertussen ontmoette ik ook genoeg mensen die het hele idee van digitale verslaving totale onzin vonden. Technologie is iets moois, vonden zij, het is vooruitgang, het hoort bij ons leven. Het is bizar dat te linken aan de bodemloze treurnis die gepaard gaat met verslavingen, bovendien beledigend voor mensen die echt met verslaving kampen. ‘Mijn dochter is psychiater,’ vertelde een presentator van BNR toen ik daar was uitgenodigd om te praten over dit onderwerp. ‘Door haar weet ik: echt verslaafd, dat is bijna niemand, slechts zo’n drie procent van de mensen.’ En het is allemaal genetisch bepaald, wist hij. ‘Je bent er gevoelig voor, of je bent het niet.’
Hijzelf was ‘absoluut niet verslavingsgevoelig’.Wat was zijn schermtijd, vroeg ik terug.
‘Tussen de zeven en negen uur per dag.’
‘Alleen op je telefoon?’
‘Ja.’

Nooit kunnen stoppen met scrollen, toch altijd weer even je telefoon willen checken, tegen je zin Netflix bingen, stiekem je mail checken terwijl je je vriendin had beloofd dat vanavond niet te doen, YouTubefilmpjes laten doorspelen terwijl je eigenlijk moet slapen.

Op de terugweg in de tram na mijn optreden bij Johnny de Mol googel ik ‘Hoeveel mensen verslaafd’ en vond cijfers van de Jellinek. Volgens onderzoek blijken ongeveer 2 miljoen Nederlanders verslaafd, in die zin dat ze een middel ‘misbruiken’. Bij die 2 miljoen werd zo’n beetje elk middel meegeteld, van wijn tot heroïne, maar wat betreft digitale verslavingen bleef de tabel steken op ‘internetgamen’. Dit zijn cijfers uit 2015, maar toch: alleen gamen opnemen als digitale verslaving leek me behoorlijk beperkt.

Vrijwel iedereen die ik gesproken heb over dit thema – de BNR-presentator even niet meegerekend – noemde zichzelf digitaal verslaafd, dan wel ‘een beetje verslaafd’ of ‘veel te afhankelijk’. Ondertussen rekenen de onderzoekers van de Jellinek maar 16.000 mensen tot digitaal verslaafd. Met het kopje ‘overige verslavingen’ kwam je ook niet uit – daaronder vielen slechts zo’n duizend mensen.

Aan alcohol zouden volgens dezelfde onderzoekers zo’n half miljoen mensen verslaafd zijn. Ondertussen hoor ik in mijn omgeving eigenlijk nooit iemand praten over een sluimerend drankprobleem, over moeite met stoppen met drinken, over stiekeme glazen wijn. Des te meer gaat het over nooit kunnen stoppen met scrollen, toch altijd weer even je telefoon willen checken, tegen je zin Netflix bingen, stiekem je mail checken terwijl je je vriendin had beloofd dat vanavond niet te doen, YouTubefilmpjes laten doorspelen terwijl je eigenlijk moet slapen.

Moeten we het wel zo noemen?

De uitzending zelf kijk ik ook meteen terug in de tram, op mijn telefoon, steeds doorspoelend tot mijn eigen hoofd in beeld komt. Af en toe maak ik een screenshot van mezelf, die ik om onduidelijke reden opsla in mijn fotobibliotheek. Ineens vraag ik me af wat de andere passagiers ervan zouden vinden als ze zagen dat ik op mijn telefoon naar een tv-optreden van mezelf zat te kijken. Maar ik concludeer meteen dat ik me daarover niet druk hoef te maken; iedereen om me heen zit op zijn eigen telefoon, de meesten – net als ik – met oortjes in, afgesloten van de omgeving, verzonken in eigen digitale afleiding, terwijl de tram doorglijdt richting Amsterdam Centraal.

‘Ja maar verslaafd, verslaafd, dat klinkt zo, ik weet niet, dat woord, dat werkt gewoon niet voor mij,’ zei de BNR-presentator. ‘Moeten we het echt zo noemen?’

Moeten we het echt zo noemen? Dit boek is een onderzoek naar het antwoord op die vraag. Is iedereen verslaafd aan digitale apparaten? En moeten we daaraan dan iets doen? Of moeten we ons gewoon niet zo druk maken en lekker doorswipen, scrollen en klikken?

Niet onder controle

In eerste instantie voelde ik me enigszins bezwaard dit boek te schrijven. Het thema verslaving trok me enorm; en meer nog het idee dat de digitalisering een steeds uitdijende diepte schept waarin we als mens steeds makkelijker kunnen verdwijnen. Wie geen zin heeft in het aardse leven pakt een telefoon of laptop, begint te scrollen, te staren en voor je het weet ben je weg – dat idee. Het deed me denken aan de screensaver Sterrenbeeld die je vroeger op oude pc’s had: een zwart beeld waarin kleine witte sterretjes steeds aan je voorbijtrekken; een oneindige cruise door het heelal. Een reis zonder bestemming, behalve het zwarte gat dat steeds op gelijke afstand bleef en toch gevoelsmatig dichterbij kwam. Als kind kon ik eindeloos naar dat beeld kijken, ik wachtte dagelijks bij de computer op de gang van de basisschool tot de muis lang genoeg niets had gedaan en het beeld weer op zwart ging. Het had iets magisch, dat vallen zonder ondergrond, dat eindeloze vooruit.

Het punt was dat ik met de metaforische wederhelft van dat sterrenbeeld – de verslaving, dus – eigenlijk heel weinig te maken had gehad. Niet als kind, niet als tiener, niet als twintiger. Natuurlijk had ik wel de nodige pogingen gedaan mezelf verslaafd te krijgen, aan drank, of seks, af en toe drugs; ik vond het allemaal fantastisch, maar verloor mezelf zelden.

Iemand die verkondigt verslavingsgevoelig te zijn, wil vooral bijval, geruststelling. Diegene wil van de anderen horen: ‘Dat heb ik ook.’

Toen ik tijdens mijn middelbareschooltijd besloten had roker te worden, hoorde ik van mijn mederokers op het schoolplein aan hoe moeilijk het was niet te kunnen roken als je thuis was – je ouders mochten er natuurlijk niet achter komen. Ik had dat probleem nooit; terwijl ik tijdens school en uitgaan makkelijk de ene na de andere sigaret opstak, voelde ik nooit werkelijke aandrang dat te doen – ik had gewoon nooit echt behoefte aan een peuk. Ik rookte als de omgeving erom vroeg; als ik thuis was hoefde het niet. Ik vergat ook aan de lopende band mijn rokersimago; liet mijn sigaretten overal liggen; bleef in pauzes vaak te lang in de kantine hangen om nog naar buiten te kunnen – iets wat voor mijn doorgewinterde Marlboro Light-vriendinnen onbegrijpelijk was.

Waarschijnlijk is het precies dit wat me altijd zo gefascineerd heeft aan verslaving: het gevoel dat ik geen onderdeel uitmaakte van dit fenomeen. Als ik weer eens iemand hoorde opbiechten ‘heel verslavingsgevoelig’ te zijn – iets wat mensen te pas en te onpas verkondigen op borrels en etentjes, terwijl het toch best precaire informatie is over jezelf – voelde ik me meteen aangetrokken tot die persoon. Eigenlijk wilde ik dan direct vragen: hoe is dat? Hoe is het om constant het trekkende gevoel van verslaving te ervaren, om aan de lopende band dingen te doen die je niet echt wil? Hoe is het om steeds weer te worden meegesleurd in de eindeloze stroom van verleiding, van meer, nog meer, van overgave, zonder berusting? Hoe is het om je leven in essentie niet onder controle te hebben? Hoe is het daar, binnen in dat sterrenbeeld?

Ik begreep natuurlijk ook wel dat ik mezelf met dat soort vragen niet bepaald populair zou maken. Iemand die op een borrel of verjaardag of waar dan ook verkondigt verslavingsgevoelig te zijn, wil niet onderworpen worden aan een vragenvuur, hoe oprecht geïnteresseerd ook. Diegene wil vooral bijval, geruststelling. Diegene wil van de anderen horen: ‘Dat heb ik ook.’

Als een antropoloog

Mijn onderzoek naar verslaving begon ik gevoelsmatig als een antropoloog in een nieuw, vreemd land; als niet-verslavingsgevoelige op ontdekkingsreis tussen de verslaafden. Ondertussen maakte ik me zorgen over het eindresultaat: zouden de lezers van dit boek mij niet irritant vinden? Mensen willen doorleefde, herkenbare verhalen, wist ik, ze willen meevoelen met gênante situaties en pijnlijke anekdotes. Leuk hoor, als een of andere auteur je komt uitleggen waar precies je zwakke plekken zitten en hoe het komt dat je je steeds weer verliest in het een of ander. Om vervolgens droogjes te verklaren dat ze zelf nooit last heeft van dat soort gedrag – maar het daarom des te interessanter vindt.

Toch begon ik met mijn onderzoek. Ik vond het thema te urgent om het te laten liggen, bovendien dacht ik: dat eigen perspectief los ik later wel op. Ik begon met het interviewen van professionals: psychologen gespecialiseerd in verslaving, therapeuten, hoogleraren in de psychopathologie. Via hen bereikte ik digitaal verslaafden: gameverslaafden, pornoverslaafden, sociale-mediaverslaafden.

Omdat we ons tijdens het grootste deel van dit onderzoek bevonden in coronalockdowns sprak ik het overgrote deel van de digitaal verslaafden via de computer. Dat bleek prima te gaan. De gesprekken waren doorgaans al binnen een paar minuten open en vertrouwd. Dat mijn gesprekspartners zo natuurlijk konden praten via schermen was eigenlijk niet heel verrassend: een groot deel van hun leven hadden ze doorgebracht in een smartphone, laptop of Playstation. Ze waren natuurtalenten, echte digital natives.

Sowieso had het wel wat, een onderzoek naar digitale verslavingen in digitale vorm. Als ik ’s avonds met ‘mijn’ verslaafden zat te zoomen of facetimen, zag ik uit mijn raam hoe honderden andere mensen ook tegenover een scherm zaten. Met hun blik op het oneindige digitale portaal overbrugden ze de beperkingen van de avondklok en de uitzichtloosheid van de pandemie.

Zoiets als een virus

Wat betreft dat eigen perspectief loste het probleem zichzelf inderdaad op. Enerzijds doordat ik ironisch genoeg tijdens mijn onderzoek zelf digitaal verslaafd gedrag ging vertonen, maar meer nog doordat mijn begrip van de term ‘verslaving’ veranderde. Ik stopte met het categoriseren van mensen als ‘verslaafd’ en ‘niet verslaafd’; ik begon in te zien dat verslaving minder een aangeboren ziekte is die je wel of niet hebt, maar meer zoiets als een virus dat ons allemaal weleens besmet.

Verslaving houdt zich niet op aan de rand van de samenleving, maar veel meer er middenin.

Ik begon in te zien dat de verslaving zich niet ophoudt aan de rand van de samenleving – de plek waar alleen mensen samenkomen die verloren hebben van het leven – maar veel meer er middenin. Verslaving is tegelijk overal en nergens; vrijwel iedereen vertoont op een bepaald moment van de dag, of op een bepaald punt in zijn leven, verslaafd gedrag – maar we zijn ook niet allemaal junks.

Ik begon dit onderzoek in de veronderstelling dat verslaving een uitzondering vormt op de regel, dat verslaafden een groep zieken vormen in een samenleving die verder gezond is. Ik eindigde met het idee dat verslaving onlosmakelijk verbonden is met de moderne maatschappij, en dat het juist de samenleving is die ons verslaafd maakt.

Iedereen verslaafd? Een analyse van ons digitale gedrag van Doortje Smithuijsen verschijnt op 22 september bij De Bezige Bij.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.