Dit verhaal is ook te beluisteren.
‘Oké, geweldig idee!’ De Wageningse voedingswetenschapper Gijs Kleter neemt het woord in een adviescommissie van de Internationale Unie voor Zuivere en Toegepaste Scheikunde (IUPAC). Hij is blij met het voornemen een goednieuws-nieuwsbrief over pesticiden uit te brengen. ‘Een nieuwsbrief met positieve verhalen over gewasbescherming,’ bevestigt de voorzitter van de adviescommissie, manager Regelgeving en Wetenschap bij pesticidenfabrikant Bayer tijdens de online vergadering begin 2020.
‘Een nieuwsbrief zoals Croplife die maakt,’ hoopt de manager toezichthouderzaken van chemiereus BASF, net als Kleter lid van de adviescommissie, verwijzend naar de lobbyclub van pesticidenfabrikanten. ‘Pesticiden krijgen al genoeg slechte pers.’
Wat moet er dan in zo’n nieuwsbrief? Sprinkhanenplagen in Afrika – wij weten de oplossing wel, lachen leden in de vergadering: pesticiden! ‘Ik ben vrijwilliger voor de biotech-onderwerpen,’ schrijft Kleter in de chat die met de vergadering meeloopt.
Kleter is onderzoeker voedselveiligheid en gentechnologie, en expert op het gebied van toelating van pesticiden bij het instituut Wageningen Food Safety Research, dat onder meer controles doet voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. De website van de Wageningen University & Research (WUR) vermeldt één bijbaan: redacteur van een vakblad.
Dat Kleter bij IUPAC – de belangrijkste adviseur aan landen over chemicaliën – pesticidengebruik promoot, staat er niet. Ook niet dat hij advieswerk heeft verricht voor het door Coca-Cola opgerichte International Life Science Institute, een lobbyclub voor de voedingsindustrie. En evenmin dat de Wageningse onderzoeker op verzoek van IUPAC actief is voor de OESO, de organisatie voor economische samenwerking, waar hij pleit voor snellere toelating van gentechnologie. Werk dat hij combineert met advies aan Nederlandse en Europese overheden, zoals diverse ministeries en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, EFSA.
Jubelverhalen
Wetenschappers met conflicterende nevenfuncties zijn geen zeldzaamheid. Maar de ijver van Wageningse onderzoekers om de industrie van dienst te zijn, springt eruit. De Brusselse lobbywaakhond Corporate Europe Observatory, CEO, onthulde dat ministeries zich op gevoelige dossiers eenzijdig laten informeren door Wageningse onderzoekers. Het Europees Parlement schreef bezorgd: ‘Wageningen University & Research heeft een traditie van nauwe samenwerking met het bedrijfsleven.’
‘Mijn instituut onderzoekt risico’s, trends en fraude in de voedselketen. We worden daarom standaard gescreend op belangenconflicten,’ pareert Kleter in een interview met The Investigative Desk.
Met onderzoekers die de industrie napraten en studies die verwarring zaaien probeert de agrochemie invloed uit te oefenen op het toelatingsproces van pesticiden en gentechnologie.
Ook zijn werkgever is daar stellig over. ‘Mocht een onderwerp voorbijkomen waar belangenverstrengeling mogelijk is, dan wordt dit gemeld en onthoudt de onderzoeker zich van advies,’ laat het College van Bestuur van de WUR weten.
Bij het melden van Kleters enthousiaste medewerking aan de redactie van een goednieuws-nieuwsbrief over pesticiden moet dan toch iets zijn misgegaan. Kleter beweert van niet. ‘De nieuwsbrief schrijft over de adviescommissie zelf. Geen jubelverhalen over pesticiden.’ Dat hij in de IUPAC-vergadering van begin 2020 wel degelijk om jubelverhalen heeft gevraagd, staat hem niet meer bij, zegt hij. En ook niet dat hij redacteur is van de nieuwsbrief die er inmiddels gekomen is: ‘CropChem News (…) succesverhalen over gewasbescherming’.
Reële gezondheidsrisico’s
The Investigative Desk onderzocht eerder de relatie tussen Wageningen University & Research en grote bedrijven. Daaruit bleek dat Unilever de onderzoeksagenda beïnvloedt en dat FrieslandCampina vrijwel alleen onderzoek financiert dat is gericht op groei en schaalvergroting in de landbouw.
In dit verhaal laten we zien hoe de agrochemie via de universiteit invloed uitoefent op het toelatingsproces van pesticiden en gentechnologie. We vinden onderzoekers die de industrie napraten, studies die verwarring zaaien en wetenschappers die ijveren voor het versoepelen van veiligheidsprotocollen: een strategie gericht op maximale invloed op het toelatingsproces en minimale regels en lastige vragen over de risico’s van landbouwchemie of biotechnologie.
Het doel is helder: het beeld nuanceren dat pesticiden grote schade aanrichten in mens en milieu en benadrukken dat gentechnologie als CRISPR-Cas – het knippen en plakken van DNA – risicoloos is en in ieders belang.
In een recente brief aan voormalig vicevoorzitter van de Europese Commissie Frans Timmermans nemen Europese brancheorganisaties het op voor de gentechnologie in de plantensector. Maximaal vrije toegang van chemie en gentechnologie tot de markt, is het pleidooi. Anders gaat Europa hopeloos achterlopen.
Oog voor reële gezondheidsrisico’s van allerhande innovaties is er in de brief niet. De tekst verwijst wel naar onderzoek van Wageningen Food Safety Research, waar Kleter kantoor houdt. Dat instituut concludeert dat het gebruik van moderne gentechnologie in voedingsmiddelen toch niet vast te stellen is. Dat klopt, want het heeft zelf eerder de argumenten geleverd voor nieuwe richtlijnen waarin het markeren van nieuwe genen niet langer nodig is. En zonder die markers zijn nieuwe genen niet te herkennen.
Werkkring elders
Wageningen University & Research blijkt een wetenschappelijke spil in de markt van pesticiden en gentechnologie. Ook op bestuurlijk niveau zijn de lijntjes kort. Voormalig WUR-bestuursvoorzitter Louise Fresco was jarenlang tegelijkertijd commissaris bij pesticidengigant Syngenta.
Wageningse onderzoekers zijn graag geziene gasten bij organisaties die bij politiek en publiek opkomen voor de belangen van de landbouwindustrie. In maart 2022 hield Croplife Europe zijn jaarcongres in Brussel. Op de agenda: ‘innovatie in tijden van politieke verandering’. Naast vertegenwoordigers van overheid en industrie stonden er drie wetenschappers op de sprekerslijst. Twee kwamen van Wageningen University: Bennard van Ravenzwaay en Corné Kempenaar.
Van Ravenzwaay is gasthoogleraar Toxicologie in Wageningen en werkt daarnaast voor pesticidenfabrikant BASF als coördinator van onderzoek voor toelating van pesticiden. Hij is ook voorzitter van het wetenschappelijk comité van ECETOC, een in Brussel gevestigde kennisorganisatie met vertegenwoordigers van onder meer de chemische bedrijven BASF, Bayer, Syngenta en Shell. Hun doel is chemische kennis te ‘vormen, verspreiden en communiceren’.
Om pesticiden op de markt te mogen brengen, betalen producenten het Ctgb om de milieu- en gezondheidsrisico’s te beoordelen. In de meeste andere Europese landen betaalt de overheid deze kosten.
De benoeming van Van Ravenzwaay in 2013 aan de WUR was omstreden. Critici vreesden voor de onafhankelijkheid van de universiteit door het financieren van een hoogleraar door BASF. In 2016 begeleidde hij een promotieonderzoek dat werd uitgevoerd door een medewerker van BASF. Het betrof een studie naar de voordelen van toxicologische risicoschatting met behulp van computermodellen in plaats van dierstudies. Dergelijke modellen versnellen de beoordeling van pesticiden, maar ze zijn ook minder nauwkeurig en makkelijker te manipuleren.
Zijn collega Kempenaar – in Brussel online aanwezig – is naast onderzoeker bij de WUR naar het toepassen van pesticiden sinds 2020 ook lid van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Dit Ctgb is de Nederlandse beoordelaar van de risico’s van landbouw- en huis-tuin-en-keukengif dat op de markt komt. Om pesticiden op de markt te mogen brengen, betalen producenten het Ctgb om de milieu- en gezondheidsrisico’s te beoordelen. In de meeste andere Europese landen betaalt de overheid deze kosten.
Kempenaar mag van de WUR geen interview geven aan The Investigative Desk, maar laat over zijn bijdrage aan het Croplife jaarcongres 2022 schriftelijk weten: ‘Ik heb een reactie gegeven op digitaliseringsplannen die zij intern hadden gemaakt. Ik heb daarbij verschillende experts van de WUR betrokken.’
Dat Kempenaar verantwoordelijk is voor de toelating van middelen die door de leden van Croplife worden geproduceerd, vindt directrice Ingrid Becks van het Ctgb geen probleem: ‘Collegeleden hebben een werkkring elders. Ik ben niet betrokken bij de keuzes die een collegelid maakt voor activiteiten in het kader van die andere betrekking.’
Geloofwaardig
Ingrid Becks was in maart 2022 zelf ook door Croplife uitgenodigd in het Hilton in Brussel. De publieke agenda van de directeur van het Ctgb vermeldt de bijeenkomst als ‘EU Regulatory conference on crop protection’. ‘De titel van het congres is door de webmaster uit mijn agenda gekopieerd,’ geeft Becks als reden waarom de juiste titel er niet staat: ‘Croplife Europe Annual Conference 2022’.
Becks was niet de enige toezichthouder op het congres. Ook Camilla Thorin van de Zweedse autoriteit voor toelating van chemische stoffen KEMI was aanwezig. Becks en Thorin spraken met Bayer en Syngenta over hun ervaringen met Europese Verordening 1107. Die eist strengere toelating voor bestrijdingsmiddelen. Becks ziet toelatingsdossiers daardoor steeds complexer worden. Waardoor toelating veiliger wordt, maar ook trager, denkt ze. Ze nam het in Brussel op voor de industrie en wil ‘systeemverandering en meer capaciteit om innovaties naar de markt te krijgen’.
Het Nederlandse Ctgb en het Zweedse KEMI zijn twee van de vier nationale toezichthouders die door producenten zijn gevraagd de Europese herbeoordeling van glyfosaat te doen. Deze meest verkochte pesticide – beter bekend onder de merknaam Roundup – is door het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) van de WHO als mogelijk kankerverwekkend bestempeld, maar door de Europese Commissie niet. Half november wordt besloten of het middel voorlopig mag blijven worden gebruikt.
De Zweedse hoogleraar Regelgeving voor Toxicology, Christina Rudén, is een actief critica van Europese toelatingsprocedures voor chemische stoffen. Ze is niet verbaasd dat Croplife nationale toezichthouders die nauw betrokken zijn bij lopende toelatingsdossiers uitnodigt op z’n jaarlijkse feestje. Ze vraagt zich wel af waarom die daarop zouden ingaan. ‘De integriteit en objectiviteit van toezichthouders is cruciaal,’ vindt Rudén. ‘Die moeten alles doen om te voorkomen dat belangenconflicten van invloed kunnen zijn op hun rapportages.’
‘Niets aan de hand’
Het Ctgb rapporteert voor dossiers als die van glyfosaat aan de Europese toezichthouder op voedselveiligheid EFSA. Daar komen we de Wageningse Gijs Kleter weer tegen. In een vergadering van de commissie voor Voedselveiligheid in 2019 zei Kleter geen nut te zien in verplichte dierstudies voor voedsel dat met gentechnologie is geproduceerd. Net als zijn collega Van Ravenzwaay zou hij voor risicostudies liever computermodellen gebruiken, die toelatingsprocedures kunnen vereenvoudigen en versnellen.
Het standpunt van de Wageningse onderzoekers past naadloos in dat van de pesticidenindustrie, die ook pleit voor soepelere toelatingsprocedures. In een tijdschrift over toelatingsregelgeving schrijven Croplife, Bayer, BASF en Syngenta in 2021: ‘voedingsstudies met ratten hebben geen toegevoegde waarde voor veiligheidsbeoordelingen.’
Hoogleraar Rudén en haar collega Axel Mie van de Universiteit van Stockholm ontdekten in de onderzoeken die de industrie voor risicobeoordelingen aanlevert selectieve en gebrekkige interpretatie van data.
Ze verwijzen daarbij naar een Europese studie over de gezondheidsrisico’s van genetisch gemanipuleerde maïs in combinatie met glyfosaat. En ook daar komen we Kleter weer tegen – hij werkte mee aan de studie. Bijna 375.000 euro van het budget ging naar zijn instituut bij de WUR. Het onderzoek was besteld door de Europese Commissie om duidelijkheid te verschaffen over de risico’s op kanker van genetisch aangepast maïs wanneer dat in combinatie met glyfosaat wordt toegepast.
De kritiek op het onderzoek was fors. Het zou verkeerd zijn ontworpen, niet onafhankelijk uitgevoerd en vooral gericht op het vrijpleiten van gentechnologie en glyfosaat. Titels van wetenschappelijke artikelen zijn doorgaans beschrijvend en neutraal. Maar de titel van het artikel over dit onderzoek, in het tijdschrift Archives of Toxicology, begint met: ‘Geen schadelijke effecten (…) in carcinogeniteit studie (…).’ Hier lijkt voor de snelle lezer maar één boodschap van belang: niets aan de hand met gentechnologie en glyfosaat.
Hogere sterfte
Is hier de bijdrage zichtbaar van een andere auteur van het artikel, de Wageningse ingenieur Huib de Vriend? Deze communicatieadviseur is gespecialiseerd in maatschappelijke discussies over omstreden innovaties zoals gentechnologie. Voor het onderzoek kon hij 175.000 euro declareren, 5 procent van de begroting.
De Vriend legt uit dat hij daarvoor consultaties in Wenen en Antwerpen heeft gehouden. ‘En ik heb aanpassingen in de onderzoeksopzet en interpretatie van resultaten besproken.’ Hij verzorgde ook de algemene communicatie over het project, zoals de website en persberichten. ‘Mijn bijdrage aan de publicatie heeft zich beperkt tot het beschrijven van de consultaties en een bijdrage aan de discussie’.
De keuze voor de titel is des te opvallender omdat Wageningse statistici in het onderzoek wel degelijk bewijs vinden voor een hogere sterfte door tumoren na tweejarige blootstelling aan Roundup, en daarover publiceerden. Ze noemen die samenhang tussen blootstelling en tumoren een ‘Roundup-effect’. Een studie van de Wereldgezondheidsorganisatie constateerde dat effect ook, zoals de Britse ngo GMWatch opmerkt.
Later dienden Kleter en de andere auteurs een correctie in op het artikel, omdat het voerschema van de proefdieren niet zou kloppen. In de gecorrigeerde data lijkt de verhouding tussen het voerschema en het lichaamsgewicht van de dieren aangepast. Gevraagd naar waarom het onderzoek destijds is gecorrigeerd voor de verwerking van de data, laat hij weten: ‘Er waren fouten in de vergelijking van consumptie en gewichtsdata van de dieren uit twee verschillende proeven met verschillende startdatum.’ Maar wat voor hem nu telt, is dat het onderzoek in het publicatieproces kritisch is bekeken door collega’s. ‘Ik vind vragen erover nu allemaal prima, maar het werk is geaccepteerd en gepubliceerd.’
Selectieve interpretatie
Anders dan bovengenoemde studie worden in de toelatingsprocedure van nieuwe pesticiden en gentechnologie onderzoeken naar de gezondheidsrisico’s uitgezet en betaald door de industrie zelf. Hoogleraar Rudén en haar collega Axel Mie van de Universiteit van Stockholm vonden aanwijzingen dat de agrochemie doelbewust verwarring lijkt te zaaien met deze onderzoeken.
‘De industrie heeft een verplichting om alle relevante gegevens aan EU-autoriteiten te verstrekken. Doen ze dat niet, dan moeten boetes volgen.’
Ze ontdekten in de onderzoeken die de industrie voor risicobeoordelingen aanlevert selectieve en gebrekkige interpretatie van data. De onderzoekers publiceerden er eerder een wetenschappelijk artikel over. ‘Onlangs hebben we ontdekt dat bedrijven in 9 van 35 gevallen zelf hun eigen studies over de effecten van stoffen op het zich ontwikkelende zenuwstelsel hebben achtergehouden,’ vertelt Mie. ‘Ondanks de wettelijke eisen werden deze studies niet gedeeld met de autoriteiten in EU-landen.’
Rudén en Mie willen dat toxiciteitsstudies in opdracht van de autoriteiten worden uitgevoerd in plaats van in opdracht van bedrijven met hun belangen. ‘Dan is de kans groter dat de kennis wordt opgenomen in het dossier voor marktgoedkeuring.’ De Zweedse onderzoekers willen nog een stap verder gaan: ‘De industrie heeft een verplichting om alle relevante gegevens aan EU-autoriteiten te verstrekken,’ stelt Mie. ‘Doen ze dat niet, dan moeten boetes volgen.’
beetje tweaken
Ondertussen probeert de agrochemie de politiek te bewegen risicotesten en toelatingseisen juist verder te versoepelen. Hoe die lobby in de praktijk vorm krijgt, werd vorig jaar herfst zichtbaar in Praag.
Tijdelijk voorzitter van Europa Tsjechië organiseerde een landbouwconferentie over deregulering en versnelde toelating van gentechnologie. Met hoog bezoek, zoals de directeur van de Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA, Bernhard Url, verantwoordelijk voor de beoordeling van gentechnologie en pesticiden, en zijn politieke bazen Stella Kyriakides, de Eurocommissaris Gezondheid en Voedselveiligheid, en Zdenek Nekula, de Tsjechische minister van Landbouw. Ook Ursula Vincent was aanwezig, hoofd van de EU-bureaus voor de risicobeoordelingen van chemische en biologische innovaties.
De Europese beslissers werden onder meer toegesproken door Dirk Jacobs, directeur van FoodDrinkEurope, de verenigde Europese voeding- en drankbedrijven. Hij wilde de politiek ervan overtuigen innovaties in de levensmiddelenindustrie te versnellen: ‘bijvoorbeeld door tijdelijk flexibel te zijn met controles op labeling en import’. Alles moet worden gedaan om de voedselvoorziening veilig te stellen. Europa is de grootste exporteur van voeding en drank in de wereld, benadrukte Jacobs. ‘Om dat te blijven, moet je soms de regels een beetje tweaken.’
Bijval kreeg Jacobs van de directeur van Croplife Europe, de Portugees Olivier de Matos. Opdracht voor De Matos is pesticiden en plantenbiotechnologie te promoten: ‘Net als mijn vader de timmerman ben ik blij dat technologie en innovaties de gereedschapskist van de vakman steeds verder kunnen uitbreiden.’
Gezamenlijk optrekken
Congressen als die in Brussel en Praag laten zien dat sleutelfiguren in de Europese agrochemie, de wetenschap en de politiek graag gezamenlijk optrekken. ‘Dat is een sector die eensgezind zegt: regels kun je soepel toepassen, pesticiden zijn onvermijdelijk en de agrarische gereedschapskist moet alle ruimte krijgen,’ ziet Jirí Lehejcek van IFOAM, het Europese platform voor organische landbouw, ook aanwezig in Praag. ‘De landbouwindustrie, maar ook de Europese politiek zetten toch vooral in op meer van hetzelfde.’ Nederland is daarin volgens hem een van de aanvoerders, met Wageningen University & Research voorop.
Hans van Scharen, onderzoeker bij de Brusselse lobbywaakhond Corporate Europe Observatory, deelt de somberheid over de onafhankelijkheid van de wetenschap. Onderzoekers in commissies, netwerken of colleges, al dan niet bezoldigd, maar altijd prestigieus en invloedrijk, komen soms in situaties waarin wetenschappelijke integriteit het verliest van commerciële verleidingen, ziet hij. ‘Onderzoekers worden dan gevoelig voor de belangen van de landbouwindustrie. En werken kritiekloos mee aan de toegang tot de markt zo soepel mogelijk te maken, in plaats van een onafhankelijke houding te bewaken.’
Voor gentechnologie hoeven we niet bang te zijn, vindt WUR-onderzoeker Gijs Kleter. ‘Dan moet je innovaties ook niet onnodig vertragen.’
WUR-onderzoeker voedselveiligheid Kleter schuift deze bezwaren terzijde. Hij vindt niet dat tussen wetenschap en industrie ‘een of andere samenzwering gaande is’. Voor gentechnologie hoeven we niet bang te zijn, vindt hij. ‘Dan moet je innovaties ook niet onnodig vertragen.’
Kleter ziet juist het liefst eerder en meer interactie tussen wetenschap, overheid en agrochemie. Bij de ontwikkeling van nieuwe pesticiden of gentechnologie zouden bedrijven al niet-bindend advies over toelatingseisen moeten kunnen krijgen, vindt hij. ‘De toezichthouder kan dan zeggen: als je aantoont dat jouw nieuwe product lijkt op een vorige, hoeven wij niet de hele rimram aan informatie te hebben.’
The Investigative Desk is een collectief van onderzoeksjournalisten dat wordt gefinancierd uit donaties, subsidies, beurzen en honoraria. Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.