Natuurlijk was Oleksandra Romantsova verheugd toen ze in oktober vorig jaar hoorde dat haar organisatie, het Centre for Civil Liberties (CCL), beloond werd met de Nobelprijs voor de Vrede van 2022. Een lichtpuntje nu haar land Oekraïne, zo zwaar onder de oorlog lijdt. Toch kreeg Romantsova niet alleen felicitaties over deze belangrijke prijs. Integendeel, op sociale media werd ze bedolven onder woedende reacties van haar landgenoten. Van gelukswensen was weinig sprake, van afgrijzen des te meer.

CCL moest de prijs namelijk delen met de verboden Russische mensenrechtenorganisatie Memorial en met Ales Bjaljatski, de gevangen genomen directeur van de Belarussische mensenrechtenorganisatie Viasna. En dat was tegen het zere been van veel Oekraïners. Ze waren ziedend. Hoe durfde het Nobelprijscomité die drie landen op één hoop te gooien, en erger nog, hoe durfde CCL zo’n prijs te accepteren?

Romantsova was niet verbaasd over de kritiek die haar ten deel viel, vertelde ze afgelopen december in Den Haag, waar ze onderweg naar Oslo om de prijs in ontvangst te nemen een tussenstop maakte. ‘Ik weet dat veel van mijn landgenoten er allergisch voor zijn om met andere landen in één mandje gegooid te worden. En dan ook nog met déze twee landen, die respectievelijk aanvallen of aanvallen vanaf hun grondgebied toestaan.’

Romantsova vindt die allergie begrijpelijk, ze moet er zelf net zo min iets van hebben. ‘Alleen: het waren geen landen die deze prijs kregen, het waren organisaties. Organisaties die voor precies dezelfde waarden van democratie, vrijheid en rechtsstatelijkheid staan als wij, waarden waar we nu in Oekraïne voor vechten. Ik heb enorm respect voor de medewerkers van Memorial en voor Bjaljatski. Hun strijd is misschien vooralsnog mislukt, maar ze hebben hard gestreden en daar een hoge prijs voor betaald. Ik vind het eervol een prijs met hen te delen.’

Over één kam

Het is niet pas sinds de oorlog dat Oekraïners het zat zijn om met de andere landen van de voormalige Sovjet-Unie over één kam te worden geschoren. Die pijn is veel ouder en gaat veel dieper. In West-Europa bestaat een homogeen beeld van alles wat ooit bij het Warschaupact betrokken was: grijze flats, cyrillische letters en bontmutsen. Dat doet geen recht aan de diversiteit van al die verschillende landen, en gaat er bovendien aan voorbij dat die landen zich alleen door geweld of door dreiging van geweld bij de Sovjet-Unie hebben aangesloten. Estland, Letland en Litouwen werden in de Tweede Wereldoorlog zelfs simpelweg bezet.

Oekraïne ís niet ‘een soort Rusland’. Nooit geweest ook.

Azerbeidzjan en Litouwen zijn niet samen ‘zulk soort landen’, zoals het bij sportevenementen of in Songfestivaltijd vaak klinkt. Als op straat de portemonnee van twee mensen door dezelfde zakkenroller gejat wordt, zijn die mensen daarna ook niet opeens aan elkaar verwant.

Dat gebrek aan precisie is gevaarlijk gebleken, zeggen veel Oekraïners. Want door al deze geschiedenissen en culturen slordig op één hoop te gooien, duurt het even voordat West-Europeanen doorhebben wanneer de soevereiniteit van een land geschonden wordt. Bovendien zijn ze vatbaarder voor Poetins retoriek over broedervolken. Oekraïne ís niet ‘een soort Rusland’. Nooit geweest ook.

Het Russische keizerrijk

Oksana Zaboezjko is een belangrijke Oekraïenstalige schrijfster. Haar essay Mijn langste boektournee is speciaal voor een westers publiek geschreven. Ze verhaalt daarin hoe ze in Polen was om een boek te promoten toen de grootschalige oorlog uitbrak, en ze plotseling niet meer terug kon naar Oekraïne. In het boek, naar het Nederlands vertaald door Tobias Wals, rekent ze haarfijn af met alle vooroordelen die westerlingen hebben over de Oekraïense geschiedenis, die volgens haar onder geen beding met de Russische te vergelijken is.

En die lange boektournee die ze noodgedwongen maakt, duurt nog altijd voort. In oktober was ze voor een panelgesprek op het Internationaal Literatuurfestival in Utrecht. Toen daar de term ‘post-sovjet’ viel, schoot ze genadeloos uit haar slof.

In de tirade die volgde, vertelde Zaboezjko een anekdote over Vaira Vike-Freiberga, die in 1999 journalisten ontving toen ze net als president van Letland was benoemd. ‘De eerste vrouwelijke president van een post-sovjetland,’ zei een van die journalisten. Freiberga moest daar niets van weten. Ze stuurde hem weg om zijn mond te gaan spoelen. ‘Ik ben de eerste vrouwelijke president van Letland,’ zei ze.

Tijdens een zoomgesprek begin dit jaar gaat Zaboezjko hier nog verder op in. Ze memoreert een lunch die ze ooit met Freiberga had, waarin die toegaf dat dat hele mondspoelgebeuren natuurlijk een kleine act was geweest. Maar wel een belangrijke. ‘Haar land heeft tientallen jaren geleden onder de Sovjetbezetting. Natuurlijk is de constatering feitelijk correct. Letland ís een voormalige Sovjet-republiek. Maar ga je juist die eigenschap op zo’n moment benadrukken in je vraag? En is dat de juiste formulering? Áls je het al wilt benoemen, noem het dan liever “landen die hun onafhankelijkheid verloren”.’

De zakkenrollersmetafoor bevalt haar wel. ‘Soms moet je dingen even simpel maken. Ik haal daarvoor vaak de term ‘post-Derde Rijk’ van stal. Die term gebruiken we nooit. Niets van wat Duitsland doet noemen we post-Derde Rijk. Niets. Sterker nog, als mensen teruggrijpen op de ideeën van die tijd, dan noemen we hen neo-nazi’s. Neo. En dan krijgen wíj het stempel post-Sovjet? Serieus?

Vaak dragen mensen aan dat veel regio’s die in een of andere vorm deel uitmaakten van de Sovjet-Unie in het verleden bij het Russische keizerrijk hebben gehoord. Dat klopt, in veel gevallen. Maar hoe kwam het dat ze daar deel van uitmaakten? Door onderdrukking, uitbuiting en geweld. Is dat voldoende grond om te zeggen: die gebieden horen historisch bij Rusland?’

Toch hoeft de term post-Sovjet van Zaboezjko niet volledig bij het oud papier. Als van twee mensen de portemonnee gerold is, delen ze weliswaar geen DNA, maar wel een probleem: het ontbreken van hun beurs. Volgens die logica zijn er best gevallen waarin de term van pas kan komen, bijvoorbeeld als het gaat om overerfde instituties of gezamenlijk doorleefde trauma’s. ‘Maar zelfs dan zijn er vaak geschiktere woorden voorhanden.’

Troebele westerse blik

De westerse focus op Moskou komt onder meer doordat alle journalisten en diplomaten Moskou als standplaats hadden en Russisch spraken. Ze benaderden hun werkgebied dus steevast door de lens van Moskou. En dat niet alleen, zegt Zaboezjko. ‘Westerse landen hadden simpelweg geen oog voor het Russisch imperialisme. Dat was de vijand niet. De vijand was het communisme, en het centrum van het communisme lag in Moskou. Dus toen de westerse landen de Russische invallen van 1956 tijdens de Hongaarse Opstand en de Praagse Lente in 1968 veroordeelden, was dat niet vanwege zorgen om een oprukkend Rusland. Het was omdat ze het communisme een halt wilden toeroepen.’

Rusland zelf wordt eveneens met een troebele westerse blik bekeken, vindt Zaboezjko. ‘Decennialang bezochten wetenschappers Moskou en Sint-Petersburg en dan waren ze er heilig van overtuigd dat ze in Rusland waren. Terwijl die steden juist de uitzondering vormden, op geen enkele manier representatief waren voor de rest van het land. Ze baseerden hun visie op de hedendaagse maatschappij op boeken van moderne schrijvers waarvan misschien slechts drieduizend exemplaren circuleerden. Of ze lazen de klassieke literatuur en schreven hun doctoraten over hoe de Russische cultuur was in de tijd van Tolstoj, tweehonderd jaar geleden. Je kunt veel van Tolstoj zeggen, waaronder veel goeds, maar wat Tolstoj beschreef was niet het leven van “de Russen”. Het was het leven van maximaal vijfhonderd adellijke families.

Te vaak zitten er alleen westerse deskundigen op het podium, zonder dat de geluiden uit het Oosten zelf gehoord worden.

Dat zie je nu nog. Nadat in de Russische Federatie de mobilisatie was uitgeroepen, waren her en der protesten. Vooral bij minderheidsgroepen, omdat juist mannen uit minderheidsgroepen naar het front werden gestuurd. Er was bijvoorbeeld een filmpje uit Jakoetsk, waarin vrouwen in traditionele kleding bij wijze van protest een traditionele Jakoetische dans uitvoerden. Met welke tekst laten westerse media zo’n filmpje dan zien? “Traditionele Russische dans”. Ik kan daar niet tegen.’

Waar ziet Zaboezjko de oplossing? ‘Bijvoorbeeld bij de universiteiten. Die zijn al druk bezig hun programma onder de loep te nemen en hun eigen russocentrisme ter discussie te stellen. Ze zijn flink hun mond aan het wassen en dat is goed.’

Herbezinning

Hoogleraar Ellen Rutten van de Universiteit van Amsterdam pakt de handschoen graag op. Nu heet haar vakgroep nog ‘Slavische en Russische studies’. Dat woord ‘Russische’ verdwijnt eerdaags, onder andere als gevolg van die door Zaboezjko zo gewenste herbezinning.

‘Ik worstel echt met de centrale rol die we Rusland in ons onderwijs en onderzoek geven,’ zegt Rutten. ‘Ik ben er op allerlei manieren mee bezig.’

Onlangs nog heeft ze de aanvraag voor een miljoenensubsidie voor een onderzoek naar protestculturen in Rusland, Oekraïne en Belarus op het laatste moment ingetrokken. ‘Met pijn in het hart, maar het kon gewoon niet anders. Ik dacht: als ik hem nu ga indienen, dan is dat op basis van russocentrische categoriseringen die nu niet meer werken. Bovendien zou ik de Oekraïense deelnemers aan risico’s blootstellen. Voor hen kan zo’n samenwerking echt een smet op hun curriculum zijn – of erger. Dus moest ik pas op de plaats maken. Ik vergelijk het met een winterslaapstand. Stilstaan, luisteren en praten.’

Dat doet ze bijvoorbeeld met de lezingenreeks Eastsplainers. Te vaak zitten er alleen westerse deskundigen op het podium, zonder dat de geluiden uit het Oosten zelf gehoord worden. Bij deze lezingen is dat nadrukkelijk niet het geval.

Deze reflectie is niet pas door de oorlog op gang gekomen, zegt Rutten. ‘We hadden al veel langer door dat de labels die we gebruikten niet volstonden. Dan brachten we bijvoorbeeld een onderzoek over Oekraïense literatuur toch onder in een tijdschrift dat Russian Literature heet. We wisten dat het niet klopte, voelden ons er ongemakkelijk over, maar vonden het onderzoek te interessant om het te laten liggen. Door de oorlog is het allemaal wel in een stroomversnelling gekomen.’

Ontleren

De Oekraïense kunstenares Yuliia Elyas, een van Ruttens prettigste en strengste sparringpartners, wees haar op het werk Unlearning to Ride a Bike van Annette Krauss. ‘Dat is het precies. We moeten ontleren wat we jarenlang hebben gedaan.’ Rutten kijkt sowieso graag de kunst af bij de kunst. Zo ziet ze dat veel musea de bordjes bij schilderijen aan het veranderen zijn. Niet langer worden schilders aangeduid met een nationaliteit, voortaan wordt de stad waar ze vandaan komen genoemd. Zo vermijd je de vraag of iemand uit Kyiv uit de tijd van het keizerrijk nou Russisch was of niet.

In hun onderwijs zoeken Rutten en haar team naar manieren om de diversiteit van de regio die hun vakgebied bestrijkt goed aan bod te laten komen. Dat is lastig, want door bezuinigingen zijn veel talen geschrapt, en wordt de literatuur van meerdere taalgebieden gezamenlijk aangeboden. Rutten: ‘Natuurlijk moeten we nu niet ineens alle Russische schrijvers overboord gooien, maar het is belangrijk om over de representatie na te denken, om bijvoorbeeld ook Oekraïense schrijvers te bespreken.’

De storm van kritiek die ze na het accepteren van de Nobelprijs over zich heen kreeg, zou in Rusland nooit op die manier hebben kunnen woeden, denkt Romantsova.

De missie is daarmee nog niet volbracht. In het deel van de wereld waar het Russisch dominant is, worden immers ook andere, niet-Slavische talen gesproken. ‘We zijn nog op zoek naar hoe we die dan moeten aanbieden.’

Het is niet voor het eerst dat universiteiten tegen het licht houden welke schrijvers bij literatuurvakken worden behandeld, zegt Rutten. De docenten hebben veel vaker met dat bijltje gehakt. Denk bijvoorbeeld aan de uitbreiding van het aanbod met vrouwelijke stemmen, waar jarenlang de mannen de boventoon hadden gevoerd. ‘Het hoort bij ons werk om voortdurend te heroverwegen.’

De verhouding tussen burger en staat

Uiteindelijk zijn het de Russen zelf die voor de echte verandering moeten zorgen, denkt Romantsova van CCL. ‘Niemand kan het land binnen komen vallen en de Russische Federatie vernietigen. Niemand heeft dat recht.’

De Russische expansiedrang door de eeuwen heen wijt zij niet alleen aan imperialisme. Als voorvechter van de mensenrechten ziet zij het in de eerste plaats als iets dat volgt uit de verhouding tussen burger en staat, een gevoeligheid die mensen in West-Europa volgens haar vaak niet begrijpen. ‘Dat zie je al terug in de taal. “Ruski”, Rus, betekent letterlijk “van Rusland”. Het woord voor Oekraïner is “Oekrainets”, persoon uit Oekraïne. De Russische staat denkt over mensen in termen van eigendom. Dat is dus ook de benadering die het land heeft ten opzichte van de buurlanden. De Russen moeten daar vanaf, pas dan zijn ze echt vrij. Maar voorlopig gaat dat niet gebeuren. De Russen leven in grote armoede. Rusland exporteert voor miljarden aan gas, en toch zijn de meeste huishoudens niet op een gasnet aangesloten. Als ze de droom van een groot Rusland verliezen, hebben ze niets meer.’

De storm van kritiek die ze na het accepteren van de Nobelprijs over zich heen kreeg, zou in Rusland nooit op die manier hebben kunnen woeden, denkt Romantsova. In die zin is ze blij met alle negatieve opmerkingen en haatreacties. ‘Het laat zien dat we, ondanks alles, een gezonde democratische mentaliteit hebben in Oekraïne.’