Er is iets heel aantrekkelijks aan de onmogelijke combinatie praktisch idealisme. Die woorden kunnen eigenlijk helemaal niet samen. Idealisme moet puur idealisme kunnen zijn, geen compromissen sluiten, niet aangelengd worden met de praktijk. En de praktijk moet op zijn beurt ongestoord zijn daadkrachtige gang kunnen gaan, een hamer stevig kunnen laten neerkomen, niet halverwege gestoord worden door het opkomen van een halfzachte idealistische gedachte zodat de spijker blij is dat hij de dans ontspringt. Voor een echte idealist is een ‘praktische idealist’ een spelbederver, een zwakkeling die het idealisme niet serieus genoeg neemt. Die is niet bestand tegen de eisen die het echte idealisme stelt.
Maar er blijken zelfs verschillende soorten praktisch idealisme te zijn. Het hedendaagse ‘activisme’ is er nu de meest in het oog lopende variant van. Activisme is nog nooit zo gewoon geweest. Het heeft geen last van het zachte-krachtenaura dat om idealisme heen hangt. Sterker nog, activisme is een volwassen vorm van idealisme geworden, ontdaan van die softe connotaties, voorzien van laptops, iPads, iPhones en van een hoge demonstratiebereidheid.
Pragmatisme is een filosofie die zichzelf letterlijk in de praktijk, in het doen en het handelen realiseert.
Dat was in de PIA (de Praktische-Idealisten-Associatie die van 1919 tot 1929 bestond) wel anders. De zichzelf idealistisch wegcijferende leden van deze jeugdbeweging gingen met hun idealen vooral op kamp, bij voorkeur naar het landgoed Eerde bij Ommen in Overijssel. Daar deed men aan sociaaldemocratie, geheelonthouding, pacifisme en vegetarisme. Er werd gepleit voor geweldloze sociale vernieuwing. Het praktische werd een beetje ondergeschoven toen theosofie, antroposofie en oosterse wijsheid steeds meer invloed kregen.
Het praktische van idealisme, het ‘doe-karakter’ ervan, heft tegenstellingen op, gaat van de wereld als conflict naar een wereld waarin de verschillen worden ‘overstegen’: niet meer het individu tegenover de maatschappij, het werk tegenover het kapitaal, wit tegenover zwart, religieus tegenover ongelovig, oude waarden tegenover nieuwe.
Het opheffen van deze verschillen was het grote thema van een toespraak die Al Gore, vicepresident onder Bill Clinton, in 1998 in Washington hield onder de titel ‘Practical Idealism for the 21st Century’. Het denken in tegenstellingen, in wij versus zij, moest verleden tijd worden.
Die toespraak kwam niet uit de lucht vallen. ‘Praktisch idealisme’ is een vast onderdeel van het Amerikaanse denken. Het is in 1917 bedacht door de filosoof John Dewey, die zijn filosofie dagelijks in de praktijk bracht. Voor het Amerikaanse onderwijs is hij van onschatbare waarde geweest. Dewey was een ‘pragmatist’. Pragmatisme is een filosofie die zichzelf letterlijk in de praktijk, in het doen en het handelen realiseert. De geest, de theorie, de filosofie staat volgens het pragmatisme niet tegenover de wereld, maar is er een integraal deel van. Dewey’s filosofie ging uit van de ervaring: de praktijk van het leven bood zelf de handvatten, niet vooropgestelde ideeën of een ideologie. D66 heeft er veel van geleerd. Al Gore wilde niet meer in dualismen denken, in dichotomieën, in binaire tegenstellingen.
Dat hij van het wij versus zij-denken af wilde, is wel begrijpelijk voor een democratisch politicus. Ook Joe Biden is een praktisch idealist, met zijn uitdrukkelijke wens om een president voor álle Amerikanen te willen zijn. Maar de wereld zit niet voor niets vol tegenstellingen. Bovendien kunnen tegenstellingen die niet op geweld uitlopen heel vruchtbaar zijn. Zowel overeenkomsten als verschillen zijn goed voor de dynamiek.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.