Als kind van gemengde ouders doe je alles half. Ik vierde Sinterklaas op school en maakte surprises voor mijn klasgenoten, maar mijn Pakistaanse vader en Nederlandse moeder benadrukten al vrij vroeg dat de goedheiligman niet bestaat en zeker niet heilig is. Kerst vierden we ook niet in ons islamitische gezin, al mochten mijn zusje en ik ons wel vergapen aan de kerstboom bij oma, die ons ook kerstkransjes en een presentje toestopte.
We aten thuis halal, maar maakten een uitzondering voor de hamburgers van McDonald’s. Mijn vader dronk biertjes met collega’s en schoonfamilie, maar toen mijn zusje en ik gingen puberen werd dat genot ons ontzegd. Ik leerde mijn roes te verbergen, ook als ik uitging tijdens de Ramadan. Ik kwam dan dronken thuis, dook snel mijn bed in, sloeg het vroege ontbijt over, sliep tot in de middag en hoefde dan maar een paar uur te ‘vasten’.
Eén keer per week kwam er een strenge, conservatieve kennis van mijn vader bij ons langs, die mij de Koran in het Arabisch leerde lezen. Ik herkende de letters, kon de woorden en zinnen uitspreken, maar had geen idee wat ze betekenden. Arabisch lijkt namelijk totaal niet op Urdu, de voertaal in Pakistan, die ik ook maar nauwelijks begreep. Mijn vader sprak Nederlands tegen ons en zei in die taal dat mijn zus en ik onze afkomst verloochenden.
Van mijn islamitische opvoeding heb ik vooral de schaamte onthouden.
We keken met het hele gezin naar de diepe decolletés en wiegende heupen in Bollywoodfilms, maar de videoclips op TMF waren ongeschikt. Als er werd gezoend in Hollywoodfilms, zapten mijn ouders weg. Nog steeds word ik ongemakkelijk van seksscènes als ik die samen met andere mensen bekijk of als de buren kunnen horen wat er opstaat. Van mijn islamitische opvoeding heb ik vooral de schaamte onthouden.
Altijd een buitenbeentje
Dus ik snoeide mijn Pakistaanse wortels, omdat ik die cultuur op één hoop gooide met de beperkingen van de islam. Ik kwam uit de kast, ging op mezelf wonen en creëerde een nieuw personage. Ik was een vrije, ongelovige Hollandse jongen met een zomers tintje. Ik voltooide twee masters aan de universiteit, had alleen maar witte vrienden, vergat dat ik uit Amsterdam-West kwam en praat nu als iemand uit het Gooi, al weet ik niet zo goed waarom.
En toch blijf ik altijd een buitenbeentje. Ik hoor er maar half bij als witte mensen vragen waar ik vandaan kom – nee, waar ik écht vandaan kom. Ik hoor er maar half bij als witte mensen grappen dat ze ook zo’n kleurtje willen als ik, zodat anderen niet kunnen zien wanneer je bloost en je nooit naar de zonnebank hoeft. Ik ben vaak de enige persoon van kleur op verjaardagen, wat soms zelfs wordt benadrukt met een misplaatste grap.
Een journalist met een niet-westerse naam kan niet objectief zijn en heeft een dubbele agenda.
Volgens rechtse rakkers ben ik ondankbaar voor de kansen die heb gekregen, want ik er heb er nooit voor hoeven werken en word als homoseksuele allochtoon sowieso voorgetrokken. Als ik iets kritisch tweet over Nederland, moet ik oprotten naar mijn eigen land. Een journalist met een niet-westerse naam kan niet objectief zijn en heeft een dubbele agenda. Maar ook woke witte kakkers vertellen me hoe ik over integratie dien te schrijven.
Tientallen persoonlijkheden
Het is waarschijnlijk geen toeval dat ik journalist ben geworden, met een grote interesse in reisjournalistiek. Je kunt mij overal ter wereld neergooien en ik pas me snel aan.
Ik neem de lokale gebruiken over, spiegel de lichaamstaal, als een kameleon. Als je half bent, kun je in veel landen opgaan in de massa. Zuid-Europa, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten zijn om die reden ook mijn favoriete gebieden. Ik voel me daar soms meer thuis dan in Nederland.
Ik raakte er zo aan gewend me aan te passen aan nieuwe situaties, altijd te zoeken naar raakvlakken met de mensen die ik ontmoette, dat het begon te voelen alsof ik tientallen identiteiten en persoonlijkheden had, die ik naar behoefte kon inzetten. Soms was ik de homoactivist, dan weer de racismebestrijder en op andere momenten juist de Hollander die vindt dat nieuwkomers op zijn minst onze taal en grondwet moeten leren begrijpen.
Echte wereldburgers
We ervaren allemaal wel eens het imposter syndrome, een psychologisch verschijnsel waarbij je bang bent om door de mand te vallen, bang dat iedereen ontdekt wat voor mislukking of oplichter je eigenlijk bent. Ik had dat gevoel alleen wat vaker dan de gemiddelde mens. Ik hoorde overal een beetje bij, dus wist ook van alles een beetje. Maar zonder de houvast van één dominante identiteit voelde het vaak alsof ik niks wist, niks was.
Dus ik reisde twee maanden door Pakistan, om die gaten te dichten. Ik wilde meer leren over mijn vergeten vaderland, waar ik als kind drie keer op vakantie was geweest, maar na mijn zestiende nooit meer heen was gegaan. Ik wilde mijn vaders familie weer zien, die ik gaandeweg uit het oog was verloren, maar ook nieuwe mensen ontmoeten, bij wie ik misschien wél aansluiting zou vinden: vrijgevochten vrouwen, lhbti’ers, atheïsten en andere activisten.
Ik wilde met deze reis ook een groot gebaar maken naar mijn vader, die mij te Nederlands vindt, te losgeslagen. Ik wilde hem laten zien dat ik mijn interesse in de Pakistaanse cultuur niet was verloren, maar er juist in wilde opgaan.
Maar het Pakistan dat ik aantrof was niet het conservatieve Pakistan dat hij zich herinnert. En in de grote steden werd ik juist aangetrokken door de progressieve krachten die hij niet wil zien. Ook daar voelde ik me dus vaak half.
Ik richt mijn boek Half daarom niet aan mijn vader, maar aan mijn twaalfjarige halfbroertje, de zoon uit mijn vaders tweede huwelijk met een Pakistaanse vrouw. Hij is helemaal Pakistaans, maar groeit ook op in Nederland. Ik wil hem laten zien uit welke culturele puinhoop wij zijn ontsproten en hoe ik nu omga met al die identiteiten, in de hoop dat hij later sterker in zijn schoenen staat.
Mijn zoektocht gaat door, maar ik voel me niet langer incompleet.
Extreemrechts is bang voor mensen zoals ik, de homeopathisch verdunden. Maar ik zie nu de brugfunctie die wij kunnen vervullen, hoe we culturen met elkaar verbinden. Wij zijn de echte wereldburgers, die de globalisering toejuichen. Voor ons zijn grenzen arbitrair en hokjes achterhaald. Als mensen dus vragen waar ik vandaan kom, word ik niet meer boos. Ik ben Nederlands, Pakistaans, maar ook ex-moslim en homo. En ik koester al die identiteiten.
Haroon Ali (1983) is journalist en schrijft vooral over cultuur, diversiteit, reizen en media. Zijn debuut Half verscheen deze week bij De Bezige Bij.


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.