‘Er zijn weinig mensen die meer genieten van een goede crisis dan een hoogleraar constitutioneel recht. We léven voor crisis. Het is ons beroep erover te schrijven en te praten,’ schreef professor Michael J. Gerhardt in 2002. Niet alleen kwam ‘the war on terror’ destijds – na de aanslagen van 9/11 – op stoom, ook was er electoraal geharrewar ontstaan na de presidentiële verkiezingen. Er moesten rechters aan te pas komen om te bepalen welke kandidaat – republikein George W. Bush of democraat Al Gore – had gewonnen. Er was kortom meer dan genoeg om over te schrijven en praten: ‘Als je een andere generatie wilt vinden die zulke binnenlandse, grondwettelijke uitdagingen heeft gezien, zul je terug moeten gaan tot de Amerikaanse Burgeroorlog.’
In Nederland kwam de rechtsstatelijke stresstest twintig jaar later in de vorm van een pandemie. Tijdens de coronacrisis namen diverse Europese overheden – waaronder de Nederlandse – maatregelen die erop gericht waren om verdere besmetting zo veel mogelijk te beperken. Het sociale verkeer van burgers werd sterk gereguleerd. Tussen de lockdowns door moesten burgers 1,5 meter afstand houden en mondkapjes dragen in openbare ruimtes, en mochten ze niet meer in groepen samenkomen. Grondrechten kwamen hierbij onder druk te staan: het samenscholingsverbod zorgde voor een beperking van vrijheid van godsdienst; het uitstel van de reguliere medische zorg maar ook van rechtszaken zette het recht op respectievelijk zorg en rechtsgang onder druk, en gesloten scholen beperkten het recht op onderwijs.
Wat wanneer geoorloofd is
Het adagium ‘nood breekt wet’ is haast zo oud als gereguleerde staatsmacht zelf. De term ‘dictator’ komt voort uit de mogelijkheid binnen de Romeinse Republiek om een magistraat in tijden van nood buitengewone bevoegdheden te geven om orde op zaken te stellen. In Nederland zijn dergelijke noodbevoegdheden onder meer vastgelegd binnen de gemeentewet en de wet op veiligheidsregio’s: een burgemeester heeft bij een ramp binnen zijn gemeentegrenzen het opperbevel en hoeft de gemeenteraad pas achteraf te informeren.
Wat wanneer geoorloofd is en waarom dan, bleek tijdens de coronacrisis een moeizame discussie.
Daarnaast is de mogelijkheid om inbreuk te maken op bepaalde grondrechten opgenomen in de Nederlandse wet en jurisprudentie, dus het feit dat een grondrecht onder druk staat, is niet direct een schending en non-rechtsstatelijk. Ook in een democratische rechtsstaat mogen in tijden van crisis burgerlijke vrijheden even worden beknot.
De vraag is dus niet of, maar onder welke voorwaarden het is geoorloofd. De rechtsstaat heeft wat dat betreft een Janusgezicht: grondrechten zijn weliswaar niet absoluut, maar ze zijn óók in het leven geroepen om de overheid in bedwang te houden. Het dunne koord daartussen wordt bewandeld door de zogeheten formele wetgever – de regering samen met de Tweede en Eerste Kamer – zodat er succesvol kan worden genavigeerd door het mijnenveld van ingrijpende grondwetbeperkingen richting publieke veiligheid. Maar wat wanneer geoorloofd is en waarom dan, bleek tijdens de coronacrisis een moeizame discussie.
Met één mond praten
‘Alleen samen krijgen we corona onder controle,’ was te lezen op verkeersborden op vrijwel verlaten snelwegen. Mensen bleven massaal thuis, de saamhorigheid was groot. Er gebeurde iets soortgelijks als ruim twintig jaar geleden in de Verenigde Staten na de aanslagen van 11 september: het vertrouwen in de regering steeg. Vooral de VVD profiteerde in de peilingen. Dit fenomeen staat bekend als het ‘rally around the flag’-effect. Zodra een groep zich existentieel bedreigd voelt door iets van ‘buitenaf’ wordt zij saamhoriger, eensgezinder.
Het rally-effect kan alleen bestaan bij de gratie van een afwezige oppositie. Dit manifesteerde zich ook in Nederland, en werd nergens zo treffend verwoord als door Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Klok in het Mediaforum op de radio: ‘Als de angst zo groot is, moeten we wel proberen met één mond te praten.’ Nood breekt blijkbaar ook journalistieke wet.
De interviewster vroeg hem naar zijn journalistieke taak, je moet, zei ze, toch kijken naar de consequenties van beleid en ‘niet alles voor zoete koek slikken?’ ‘Normaal niet,’ antwoordde Klok, ‘maar als de angst in de samenleving groot is, vind ik het van belang dat we proberen het eens te worden en niet tegenstellingen uit te vergroten.’
‘Het wijzen op grondrechten werd toch een beetje gezien als hinderlijk gestook.’
Vincent Böhre van Privacy First (destijds directeur, nu werkzaam als jurist) herinnert zich soortgelijke kritiek. ‘Donateurs en anderen vonden dat we moesten meedenken, de boel bij elkaar houden. Terwijl we mogelijke privacy-inbreuken al twaalf jaar op dezelfde manier toetsen: is er een strikte noodzaak, is het proportioneel en worden zaken niet onnodig nationaal afgedwongen.’ De organisatie werd verweten in crisistijd hetzelfde stramien te hanteren. ‘Terwijl het wat ons betreft juist in crisistijd belangrijk is daar scherp op te blijven.’
‘Het wijzen op grondrechten werd toch een beetje gezien als hinderlijk gestook,’ constateert ook professor Staatsrecht Wim Voermans. ‘Snappen jullie dan niet dat het bestuur juist alles aan het oplossen is voor de burger?’
Meer politieke verantwoording
Het risico bij buitengewone bevoegdheden is dat overheden, die merken hoeveel makkelijker het besturen zo gaat, die niet zomaar weer uit handen geven. Zo werd de tijdelijke coronaspoedwet van december 2020, waarmee het kabinet ingrijpende maatregelen kon nemen zoals lockdowns en coronatoegangsbewijzen, tot vier keer toe verlengd. Het kabinet had de wet graag nog een vijfde keer verlengd, maar daar stak de Eerste Kamer in mei 2022, bijna anderhalf jaar na de ingang van de tijdelijke wet, een stokje voor.
‘Dit is een duidelijk voorbeeld van de controlerende werking van de Kamer: in een gezonde democratie geef je het bestuur geen carte blanche,’ constateert universitair docent Constitutioneel recht Maarten Stremler van de Universiteit Maastricht. Maar toch vindt hij dat de coronacrisis duidelijk heeft gemaakt dat ‘de nationale crisiswetgeving gemoderniseerd moet worden’.
Het ontbrak immers – zeker in de begindagen van corona – aan nationale regels. Dat heeft ook te maken met hoe crisisbeheersing in Nederland is geregeld. Normaal gesproken liggen de buitengewone bevoegdheden (de bevoegdheid tot noodverordening) bij de burgemeester. Die bevoegdheden zijn in de regel bedoeld voor hele concrete situaties: Project X in Haren of een bezoek van de Amerikaanse president.
Tijdens de coronacrisis werd deze bevoegdheid overgeheveld naar de voorzitters van de vijfentwintig veiligheidsregio’s die Nederland rijk is. Wat de coronacrisis anders maakte, was dat het hier niet om een directe, vastomlijnde crisis ging, zoals een neergestort vliegtuig of een grote brand, maar om een ‘slepende en chronische crisis’ waarbij de regio’s optraden als – zo constateert het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid in een rapport – ‘oliemannetje’.
Juist de duur van de crisis zorgde voor uitdagingen. Want als het minder tijdelijk is, zijn lokale overheden dan wel de aangewezen plek voor de coördinatie van de crisis? Volgens de Gemeentewet mag de burgemeester (en in het verlengde daarvan de voorzitter van de veiligheidsregio, vaak de burgemeester van de grootste gemeente in die regio) wel afwijken van de wet, maar niet van de grondwet.
‘De gedachte hierachter is dat de burgemeester niet eigenhandig allerlei grondrechten mag beperken; die bevoegdheid komt in beginsel alleen toe aan de democratisch gelegitimeerde nationale wetgever, “Den Haag” dus’, legt constitutioneel jurist Stremler uit. ‘Bij corona gebeurde dat alsnog maar via verordeningen, vastgesteld door de voorzitters van de veiligheidsregio’s op basis van bevoegdheden die in de gemeentewet staan’. Precies hier ligt een belangrijk vraagstuk: is het eigenlijk wel te rechtvaardigen om in lagere regelgeving, via noodverordeningen, op grote schaal en langdurig grondrechten te beperken? En als dat dan toch gebeurt, is er dan niet meer politieke verantwoording nodig?
Incidenteel werd institutioneel
De democratische verantwoording was via de veiligheidsregio’s op zijn zachtst gezegd dunnetjes. De voorzitter van de veiligheidsregio legde achteraf schriftelijk verantwoording af aan de gemeenteraad, maar de gemeenteraad kan een voorzitter niet wegsturen, dat kan alleen de minister. Ook de commissaris van de Koning kan om verantwoording vragen, maar dat gebeurt mondeling. Terwijl andere Europese landen al een coronawet hadden, was Nederland in de eerste maanden vooral bezig met noodverordeningen in de veiligheidsregio’s.
‘Wetgeving kost veel tijd, die je op dat moment niet hebt. Je kunt twisten over of het sneller had gekund, maar een fase van doorpakken was in dit extreme geval nodig’.
Volgens sommige juristen is deze situatie onnodig lang in stand gehouden. ‘Nood breekt wet, was het argument, en daarom doen we het zo. Onbegrijpelijk, de maatregelen waren zo ingrijpend. Later is de Tijdelijke wet COVID-19 gekomen met een enorme uitbreiding erbij, maar het heeft lang geduurd voordat die rechtsstatelijke argumentatie er was,’ constateert hoogleraar Rechtsgeleerdheid Barbara Oomen in het weekblad van de Universiteit Utrecht.
Anderen hebben meer begrip voor de gang van zaken: ‘In de meest acute fase was men zoekende en is aanvaardbaar dat tijdelijk werd volstaan met een suboptimale grondslag voor maatregelen’, stelt professor Eddy Bauw, die aan de Universiteit Utrecht onder meer onderzoek doet naar de gevolgen van de coronacrisis op de rechtspraak. ‘Wetgeving kost veel tijd, die je op dat moment niet hebt. Je kunt twisten over of het sneller had gekund, maar een – uiteraard zo kort mogelijke – fase van doorpakken was in dit extreme geval nodig’.
De vraag is in hoeverre tijdelijk, tijdelijk is. De (tijdelijke) nationale coronawet kwam er, en het regeren per noodverordening stopte, maar dat weerhield bijvoorbeeld de voorzitter van de veiligheidsraad – een bijeenkomst van de voorzitters van de veiligheidsregio’s – Hubert Bruls niet van het doen van politieke uitspraken over hoe de crisis te lijf te gaan. Werkgevers zouden meer mogelijkheden moeten krijgen om personeel om een coronabewijs te vragen. Hij wilde alleen nog maar in gesprek ‘met de meerderheid die vatbaar is voor argumenten’, en hintte op winterlange lockdowns.
‘We vinden het volstrekt normaal dat Bruls en zijn mannen uitspraken doen, van vuurwerk tot Sinterklaas aan toe. Het incidenteel informeel bedoelde overlegorgaan is door corona een op zichzelf staande bestuurslaag geworden, en de invloed hiervan moet je niet onderschatten,’ waarschuwt hoogleraar Voermans.
Een bestuurslaag die ook werd aangesproken tijdens de asielcrisis. Om het vastgelopen systeem weer los te wrikken, keek Den Haag ook hier weer naar de veiligheidsregio’s en maakte ook hier weer gebruik van besturen middels noodverordeningen. En hoewel het overleg tussen de voorzitters van de veiligheidsregio’s bij de oprichting was bedoeld als incidenteel – bij een dijkdoorbraak of vliegramp – werd onlangs de vijftigste vergadering opgevrolijkt met taart. Oftewel: incidenteel werd dankzij corona institutioneel.
Dieuwertje Kuijpers analyseerde eerder dit jaar de Nederlandse neiging tot plakbandjespolitiek: elk probleem wordt houwtje-touwtje opgelost, zonder de achterliggende oorzaken aan te pakken. Dat heeft ook te maken met dat alles tegenwoordig een crisis wordt genoemd, analyseert ze in dit verhaal.
Technocratisch frame
Tijdens een crisis moet je roeien met de riemen die je hebt. Roel Bekker, voormalig topambtenaar op het ministerie van Volksgezondheid, omschrijft in de bundel Coronacratie hoe de pragmatische aanpak soms voor opmerkelijke rolvervaging zorgde. Want hoewel directeur van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) Jaap van Dissel op ambtelijk niveau het gezicht naar buiten was, is hij niet de hoogste ambtenaar: ‘Dat zijn de secretaris-generaal en de directeur-generaals (DG) van VWS. Ook heeft hij nog de DG van het RIVM boven zich’.
De wetenschappelijke kennis die leidend zou zijn in het coronabeleid – zoals premier Rutte had beweerd in maart 2020 – bleek intern gepolitiseerd.
De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) was vorig jaar in haar rapport over de aanpak van de coronacrisis dan ook kritisch op de vele petten die Van Dissel droeg. Omdat hij in ‘vrijwel alle crisisteams’ zat, was het voor het kabinet lastig om breder te kijken dan virusbestrijding alleen.
Een ander kritiekpunt van de OVV ging over het aanpassen van stukken van het Outbreak Management Team (OMT) op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid. De wetenschappelijke kennis die leidend zou zijn in het coronabeleid – zoals premier Rutte had beweerd in maart 2020 – bleek intern gepolitiseerd, in schril contrast met het gedepolitiseerde discours van een premier die erop hamerde ‘op het kompas van wetenschappelijke kennis en betrouwbare feiten te blijven varen’.
Dit technocratische frame ging zo ver dat minister van Volksgezondheid Ernst Kuipers (D66) grafieken liet zien tijdens de persconferenties. Beleid leek zo op basis van meetbare cijfers te zijn gemaakt: het reproductiegetal, de vaccinatiegraad, de hoeveelheid IC-bedden.
‘Beleidsmakers kiezen de problemen die passen bij hun oplossingen,’ constateerde UvA-politicoloog Benno Netelenbos op het blog StukRoodVlees, waarin hij juist pleitte voor politisering en een ideologisch debat in plaats van beleidtechnische oplossingen. ‘Een probleem benoemen is het oplossen. Opeens is het probleem inzichtelijk, meet-, modelleer- en controleerbaar. Opeens wordt duidelijk wat we moeten doen en wat we nodig hebben. Het aantal IC-bedden is de maatstaf der dingen geworden. Een andere interpretatie is nauwelijks meer mogelijk.’
Notulenloos vergaderd
Terwijl juist over die mogelijke andere interpretatie de informatie ontbrak. Premier Rutte liet weten ‘zich te baseren op de wetenschap, zonder dat klakkeloos over te nemen’ maar de totstandkoming en onderbouwing van de OMT-adviezen waren geheim. Welke afwegingen het kabinet dus maakte, en wat het wel (of niet) deed met de adviezen en waarom (niet) was oncontroleerbaar. Ook werd er notulenloos vergaderd door het ‘kernkabinet’ in het Catshuis en werden WOB-verzoeken met betrekking tot corona tijdelijk opgeschort. Overgenomen adviezen werden via een persconferentie afgekondigd en daarna pas besproken in het parlement.
Deze pragmatische manier van besturen zit, constateert Voermans in zijn boek Het land moet bestuurd worden, deels ook in de regenteske Nederlandse aard. Hij beschrijft in zijn boek hoe het zwaartepunt de laatste jaren steeds meer is gaan liggen bij de uitvoerende macht, waarbij het bestuur floreert als zaken zoveel mogelijk worden gedepolitiseerd. Politiek handelen wordt hierbij geframed als onvermijdelijk in plaats van als een ideologische en normatieve keuze. Voermans: ‘Er is binnen de kabinetten Rutte steeds minder gevoel voor rechtsstatelijke regels. Die staan vooral in de weg, het bestuur moet door en veiligheid gaat boven alles.’
Voermans staat niet alleen in zijn conclusie dat het accent in Nederland steeds meer op de uitvoerende macht is komen te liggen en de wetgevende macht (met name het parlement) en rechterlijke macht hierdoor steeds meer moeite hebben zichzelf als tegenmacht te manifesteren.
Zijn Leidse collega Reijer Passchier, universitair docent Staats- en bestuursrecht en hoogleraar digitalisering en de democratische rechtsstaat aan de Open Universiteit, schreef een kritisch artikel over hoe digitalisering (en daaraan gerelateerde technocratisering) van het Nederlandse bestuur de effectiviteit van rechterlijke en parlementaire controle onder druk zet. Het wordt voor bestuursorganen ‘steeds makkelijker en aantrekkelijker om informatie uit te wisselen, met elkaar.’
Waardoor ook de aard en het functioneren van de overheid veranderd. ‘De overheidsorganisatie is in toenemende mate niet langer een overzichtelijk, afgebakend hiërarchisch systeem met de regering (of de wetgever) aan de top, maar een complexe en uit informatiestromen en -netwerken bestaande iOverheid’.
Deze trends – verbestuurlijking in combinatie met toenemende digitalisering – werden volgens essayist Maxim Februari in coronatijd versterkt. ‘De uitvoerende macht stelt en handhaaft in toenemende mate regels. Denk aan de corona-app: de uitvoerende macht kan bepalen dat een derde vaccinatie nodig is voor toegang tot gebouwen – en kan die regel meteen handhaven.’
In zijn essay Doe zelf normaal dat 15 februari verschijnt, vraagt Februari onder meer aandacht voor het veranderende effect van technologie op de democratische rechtsstaat. Hij wijst erop dat het gebruik van de term ‘privacy’ een deel van het probleem is: ‘Door de zorgen over rechtsbescherming te labelen als zorgen over privacy worden ze gebagatelliseerd.’ Een stap naar een noodmaatregel is, stelt Februari, in een crisis makkelijk gezet ‘zolang alleen privacy op het spel staat, want zou je toegeven dat de rechtsbescherming op het spel staat, dan wordt het al lastiger om de maatregelen zonder slag of stoot te nemen’.
‘Privacy is maar een klein onderdeel van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en bestaat uit veel meer dan alleen de bescherming van je persoonsgegevens,’ stelt ook Vincent Böhre van Privacy First. Omdat bestuurders het verschil van betekenis vaak niet doorzien, zijn bezwaren ook makkelijker weg te wuiven. ‘Ze begrijpen dan niet waar iedereen zich zo druk over maakt. Over privacy, ja, maar Over privacy, ja, maar dat zien ze als een luxeverschijnsel dat er alleen toe doet bij stralend weer.’ aldus Februari. Terwijl de democratische rechtsstaat zich juist bij noodweer dient te bewijzen. ‘Juist in crisistijd moet je die klassieke machtenscheiding zo goed mogelijk waarborgen en scherp zijn op grondwettelijke grenzen, want dan komt het erop aan,’ aldus Böhre.
Democratische tegenmacht
Over of er tijdens de coronacrisis voldoende democratische tegenmacht kwam vanuit het parlement en juridische tegenmacht vanuit rechters, verschillen rechtsgeleerden, parlementair historici en ambtenaren van mening. Waar NRC-journalist Lex Oomkes in de eerdergenoemde bundel Coronacratie constateert dat ‘de regering wel regeerde, maar het parlement niet of nauwelijks controleerde’, ziet parlementair historicus Bert van den Braak juist dat ‘de ernstigste crisis sinds 1945 niet tot een zeer terughoudend parlement leidde’.
Juristen zijn ook niet gelijkgestemd over de rol van de rechterlijke macht en hoe deze de invoering van de avondklok – eveneens een sinds 1945 ongeëvenaarde maatregel – als rechtmatig beoordeelde.
Toen het kabinet eind januari aankondigde dat er een avondklok zou komen, oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag drie weken later dat deze zou moeten vervallen. Er zou geen sprake zijn van een ‘buitengewone omstandigheid’. Een uitspraak die later die dag weer werd geschorst door het gerechtshof Den Haag. Beide rechters en beide uitspraken werden door voor- en tegenstanders van de avondklok uitgelegd als politisering. ‘Als er op een bepaald gebied nog geen normen zijn – zoals wat een buitengewone omstandigheid precies is – en je wilt dit gaan vaststellen, dan ga je als rechter mogelijk een politieke keuze maken en dat valt buiten de rechterlijke taak,’ constateert voormalig raadsheer in de Hoge Raad Fred Hammerstein.
‘Het lastige aan dit soort spoedprocedures is ook dat de bewijslast dat de overheid onrechtmatig zou handelen, in beginsel aan de kant van de burger ligt’, merkt Stremler op. ‘De aanname is dat wat de overheid doet rechtmatig is, tenzij het evident niet zo is. Dat betekent dat de rechter niet heel snel een streep door maatregelen zal zetten, en je als burger die opkomt voor vrijheidsrechten je bij voorbaat al op achterstand staat’.
Voorzorgsoverheid
De veranderende houding van de burger ten aanzien van de overheid, en wat de burger van de overheid verwacht, mag hier ook niet onbenoemd blijven. Zo stonden ‘klassieke’ grondrechten onder druk ter bescherming van een ander ‘sociaal’ grondrecht: de bescherming van de volksgezondheid.
De klassieke grondrechten zijn vrijheidsrechten (zoals de vrijheid van meningsuiting, bescherming persoonlijke levenssfeer) en daarnaast zijn er de wat minder harde sociale grondrechten, die feitelijk neerkomen op een inspanningsverplichting voor overheden. Je kunt immers niet garanderen dat ieder kind onderwijs en elke burger medische zorg krijgt, maar wel de inspanning leveren dit zo goed mogelijk te realiseren.
‘Tijdens de coronacrisis werden deze klassieke grondrechten minder uitgelegd als een harde grens voor overheidsingrijpen, en meer als belangen, die moeten worden afgewogen tegenover andere belangen,’ constateert constitutioneel jurist Stremler. Hij ziet hierin een verschuiving van een liberale opvatting over grondrechten (waarbij de vrijheid van burgers moet worden beschermd tegen de overheid) naar een opvatting waarbij grondrechten vereisen dat de overheid actief optreedt tegen allerlei potentieel onheil. Zoals bijvoorbeeld tegen klimaatverandering: ‘Ik zag tijdens een demonstratie een spandoek met daarop de tekst “overheid red ons”. Men kijkt naar de overheid om problemen aan te pakken en op te lossen. Zeker als men iets beleeft als een grote bedreiging, zoals ook in het geval van corona, zal men niet snel moeilijk doen over verlies van vrijheid.’
De overheid moet de problemen oplossen, maar wordt niet vertrouwd met de aangedragen oplossing.
Vanuit die optiek is het volgens Stremler goed te verklaren dat mensen ingrijpende maatregelen zoals een avondklok voor lief nemen. ‘Het ontnemen van bewegingsvrijheid wordt als tijdelijk ongemak van ‘s avonds niet op straat kunnen weggestreept tegen jezelf veilig voelen’.
Burgerlijk ongemak
Essayist Februari ziet ook de verwachting van burgers dat de overheid allerlei problemen oplost, ‘maar paradoxaal genoeg vertrouwen ze bestuurders en politici er steeds minder mee’. Ook hier sijpelen de effecten van digitalisering door. ‘Voordat burgers via het internet over veel informatie konden beschikken, konden overheden tijdens een pandemie nog wegkomen met de vage verklaring dat er niets aan te doen was. Nu wordt van ze gevraagd om over alles verantwoording af te leggen én hun verantwoording wordt in twijfel getrokken op basis van rondzingende informatie.’
De overheid moet de problemen oplossen, maar wordt niet vertrouwd met de aangedragen oplossing. Februari: ‘Zo ontstaat de huidige ellende: de overheid gaat steeds harder haar best doen, met noodmaatregelen en steeds verdergaande ingrepen, en de burgers raken er steeds ontevredener over.’
Burgerlijk geweldloos verzet – van op een koekenpan slaan tot allerlei rechtszaken aanspannen tegen de staat – werd intussen al vrij snel neergezet als ‘wappie’. Terwijl het burgerlijk ongemak niet alleen heerste bij ‘antivax wellness-rechts’ uit het Forum voor Democratie-journaal.
Maar, zoals George W. Bush zei tijdens de Amerikaanse constitutionele stresstest, de war on terror: ‘you’re either with us, or against us’. In Nederland kon men kiezen uit ‘verbinding’ of ‘polarisatie’. Ironisch genoeg deed deze strikte tweedeling in Nederland precies wat men zei te verafschuwen: het wakkerde polarisatie aan.
‘Als je weigert na te denken over je eigen tijd, draag je bij aan de radicalisering van degenen die wel zenuwachtig worden van het nieuws,’ constateert Februari. Hij waarschuwt voor ‘de tandeloosheid, de kritiekloosheid van de denkende kaste’ en ziet hierin een ‘serieus gevaar nu de wereld zo opmerkelijk hard verandert’. Door geen kritische houding aan te (durven) nemen ten aanzien van onderwerpen die zijn gebrandmerkt door complotdenken (zoals het World Economic Forum, de farmaceutische industrie, de energietransitie) ‘laat je als genuanceerd mens de kritiek over aan anderen, die er meteen heel ver mee naar rechts rennen, terwijl het dringend noodzakelijk is een gesprek over machtsverschuivingen te voeren.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.