Beginnend rechercheur Calvin staart naar zijn eerste dode. Een naakte jonge vrouw met op haar torso de grof dichtgenaaide V-incisie van het organenonderzoek. ‘Is ze gestikt?’ vraagt Calvins baas. ‘Absoluut,’ zegt de schouwarts. Hij wijst op verwondingen die duiden op een worsteling: de vrouw heeft zich stevig verzet. ‘Ook zitten er kneuzingen rond de neus en lippen. Verder zat er modder tussen haar tanden, en in haar ogen en neusgaten.’ Iemand moet de vrouw met haar gezicht in de modder hebben gedrukt totdat ze dood was.

Het gruweltafereel van de lijkinspectie is een vast onderdeel in misdaadverhalen. Auteur Belinda Bauer laat de schouwarts in Vaderskind tijdens zijn onderzoeksverslag gretig in een rijk belegde sandwich happen. Wat ertoe bijdraagt dat Calvin misselijkheid voelt opkomen en niet meer in staat is om naar de dode te kijken. Ook dat is een bekend tafereel: het groentje dat, in tegenstelling tot de geharde lijkschouwer en rechercheurs, fysiek reageert op het geëtaleerde doodsgeweld.

Dit verhaal komt uit de 43ste Detective en Thrillergids. Die hebben we dit jaar gevuld met 356 recensies van spannende boeken, de onthulling van de VN-Thriller van het Jaar, interviews met schrijvers, essays over misdaad en meer. Bestel ‘m hier!

Ballonnen met water en darmen

Het misdaadverhaal, dat te boek staat als een van de lichtere literaire genres, grossiert in duisternis. Moord is het basisingrediënt en de zoektocht naar de dader en het motief leidt naar de diepste krochten van de menselijke ziel. Vaak is de vondst van een geweldsslachtoffer de gebeurtenis die alles in gang zet. De inspectie van het lijk geeft een indicatie van de omstandigheden en het tijdstip van de moord. Maar de onaangenaam gedetailleerde beschrijving van tot moes gestampte gezichten, gemutileerde ledematen en vleselijke ontbinding heeft ook een diepere, existentiële betekenis. Het confronteert de betrokken personages en de lezer met de fragiliteit van het menselijk lichaam, de drager van ons gelimiteerde bestaan op aarde.

‘Ben je wel eens midden in de nacht wakker geworden en vroeg je je af of het voorbij was?’ vraagt de sinistere seriemoordenaar uit De beller op lijn vier (J.D. Barker) aan de vrouw die hij telefonisch stalkt. ‘Soms gebeurt er iets waardoor je schrikt. Iets dat je herinnert aan je persoonlijke klok – kanker bijvoorbeeld, of de dood van een vriend. Die kleine eyeopener doet je stilstaan bij het feit dat je sterfelijk bent.’

Lees ookThrillerauteur J.D. Barker: ‘Ik schrijf graag literaire popcorn. Wie daaraan begint, kan niet meer stoppen’9 mei 2022

De grafische beschrijvingen van martelende moordsessies en geweldssporen op ontbindende of door water opgezwollen lijken schrikken de lezer niet af. De populariteit van het misdaadgenre vertelt dat velen een morbide genoegen scheppen in het tot zich nemen van deze taferelen. Misschien omdat het ons onverbiddelijke levenseinde, dat we in het dagelijks leven weten te verdringen, griezelig dichtbij brengt terwijl het gelukkig een ander betreft, en de gruwelijke moord een prettig fictieve sublimatie biedt voor het angstaanjagende besef van ons gestadig aftakelende, feilbare omhulsel.

‘Bommen doen weerzinwekkende dingen met een mensenlichaam,’ zegt iemand in De beller op lijn vier. ‘We zijn echt kwetsbaar wanneer het om dat soort zaken gaat. Ballonnen gevuld met water en darmen.’

Een levensdriftig lichaam

Speurders in misdaadverhalen hebben niet alleen de taak om de moordenaars te achterhalen, ze komen in opstand tegen de dood. Ze eren slachtoffers die wreed en te vroeg uit het leven zijn gerukt, horen soms hun stemmen, praten met ze. Ze voorkomen dat er nog meer doden vallen en overwinnen de schaduw van het acute einde, die ook over hén valt als ze zich in de duisternis van een zaak begeven.

Daarom hebben misdaadbestrijders iets onaantastbaars. Ze houden littekens over aan hun hachelijke avonturen, mentaal of ook fysiek, maar hun triomf is dat zij aan het eind van het verhaal nog leven.

Specifieke vaardigheden en eigenschappen maken de speurdersheld geschikt voor deze opdracht. Om ingewikkelde moordzaken op te lossen, is een goed werkend brein een vereiste.

In de kalmere detectivesoort staan denk- en observatievermogen voorop en is het lichaam van de speurneus een bijzaak.

Zodra er actie bij komt kijken, is ook handelingssnelheid geboden. De jacht op een dader leidt dan tot fysieke confrontaties. De misdaadbestrijder moet de achtervolging kunnen inzetten, een kogelregen ontwijken en – desnoods met een schotwond in schouder of been – het finale vuistgevecht winnen.

Krijgt de held van het verhaal niet beroepsmatig gewelddadige criminelen tegenover zich, dan ontdekt deze ‘gewone’ figuur uit overlevingsdrang de noodzakelijke krachten in zichzelf. In De haasfactor van de geestige Finse auteur Antti Tuomainen wordt een eenzelvige, extreem rationele verzekeringswiskundige binnen een week of drie een actieheld die een moordlustige kleerkast doodmept en de dode ter afschrikking eigenhandig ophangt in het thuishonk van diens maffiabende. De gebeurtenissen bevrijden de burgerman: hij leefde altijd in zijn hoofd en ontdekt het genot van een levensdriftig lichaam.

Een wendbare gestalte en een beetje lichamelijk conditie is handig voor de speurder die in actie moet komen. Dat dit gepaard gaat met een aantrekkelijk voorkomen, is minder noodzakelijk. Een boek biedt de mogelijkheid om mee te leven met de innerlijke roerselen van de meest uiteenlopende personages. Hoe die papieren karakters eruitzien, hóéft niet te worden aangeduid. Om weg te blijven van stereotyperingen besloot de Amerikaanse schrijver Jeff Vandermeer de uiterlijke beschrijving van de louter vrouwelijke expeditieleden in Vernietiging achterwege te laten. Dat de vrouwen werden gekarakteriseerd door hun handelingen en uitspraken, droeg alleen maar bij aan de verbeeldingskracht van deze toekomstthriller.

Ravissante schoonheid

En toch geeft het gros van de thrillerschrijvers hun protagonisten een smakelijk voorkomen. Alsof ze preluderen op een verfilming die aan de dwingende schoonheidseisen van de beeldcultuur moet voldoen.

In De celliste, die nieuwste uit de spionageserie rondom meesterspion Gabriel Allon, ontmantelt diens vertrouwde team de witwaspraktijken waarmee Rusland macht uitoefent over Europese banken en bedrijven. Het gedegen follow-the-money-onderzoek van bestsellerauteur Daniel Silva geeft dit boek actualiteit en werkelijkheidswaarde. Maar de leden van Allons team lijken stuk voor stuk weggelopen uit een gladde Hollywoodfilm.

Op bouquetromannetjes na is er geen genre waarin mensen zo genadeloos op hun uiterlijk worden beoordeeld.

Voortdurend benadrukt de schrijver hoe elegant en knap de mannen en vrouwen zijn. De zeventigjarige meesterspion is met zijn grijze lokken ‘leeftijdsloos’ aantrekkelijk. Zelfs de anonieme klokkenluidster van een Zwitserse bank die contact opneemt met het team en daarna als infiltrant wordt ingezet, blijkt bij de eerste ontmoeting ‘rijzig en slank als een model, met lange ledematen en blond, heen en weer zwiepend haar’.

Gebrek aan uiterlijke schoonheid is in De celliste voorbehouden aan bijfiguren: een ‘ielige’ chauffeur, een veteraan uit het team die ergens aangeduid wordt als ‘kleine trol’ en de ‘kogelronde’ kunsthandelaar die bevriend is met Sarah uit Allons team en haar al een paar keer tevergeefs ten huwelijk heeft gevraagd. ‘In zijn strak om zijn lijf spannende grijze pak kwam hij als een soort versperringsballon op Sarahs tafeltje afzweven.’ Vrolijk flirterig vraag de kunsthandelaar of zij hem soms te dik vindt. Sarah antwoordt dat hij ‘precies goed’ voor haar is en knijpt in zijn roze wang. Ze is al met iemand, zegt ze. Die iemand is de allerknapste held van het spionageteam, en de kogelronde aanbidder weet ook wel dat hij geen partij is voor de ravissante schoonheid.

mooi en lelijk in thrillers

Tientallen kilo’s te zwaar

De essentie van een misdaadverhaal is de strijd tussen goed en kwaad. Maar in de doorsnee detective of thriller lijkt die strijd zich af te spelen op een andere as: de tegenstelling tussen mooi en lelijk. Op bouquetromannetjes na is er geen genre waarin mensen zo genadeloos op hun uiterlijk worden beoordeeld. Om bijfiguren of boeven in één oogopslag te karakteriseren, worden afwijkende lichaamskenmerken vaak gekoppeld aan karaktereigenschappen. Het graatmagere, kalende agentje is een sukkel, de neanderthaler-achtige criminelenbodyguard is dom en de plompe vriendin van een beeldschoon slachtoffer zal wel verteerd zijn door jaloezie. De heldhaftige hoofdpersonen vormen met hun slanke of rijzige postuur en blikvangende gelaatstrekken het ‘normaal’ in een universum dat bevolkt wordt door minder met schoonheid bedeelden.

Wie het vooral moet ontgelden, is de dikzak. De thrillerlezer weet meteen hoe laat het is als rechercheur Cole Hundley die in De beller op lijn vier een massamoordenaar najaagt, wordt tegengehouden door een wijkagent. Die wil weten waarom Cole zich verdacht ophoudt voor een etagewoning. Cole heeft enorme haast. Hij heeft het woonadres achterhaald van de gek die op afstand taxi’s opblaast en nu een wolkenkrabber wil wegvagen. De wijkagent weet dat niet, en stapt tergend langzaam uit zijn surveillancewagen. Een heerlijk vertrouwde, spanningsverhogende situatie. Cole constateert dat de wijkagent ‘tientallen kilo’s te zwaar’ is, en de trage tred heeft ‘van iemand die te veel tijd zittend doorbrengt’. Een van de vele clichés uit het genre is de benepen bureaucraat die de held bij zijn regeltjes omzeilend moordonderzoek belemmert. In dit geval is de waakzame bonnenschrijver de belichaming van die vertragende barrière.

Als de agent en Cole na wat gesteggel samen het appartementencomplex betreden, waar de slechterik op de bovenste etage woont, blijkt er geen lift te zijn. De fitte moordinspecteur kan de tien trappen wel oprennen. Maar de zwaarlijvige agent wil mee naar boven.

Dit drijft Cole én de lezer tot wanhoop. Tegelijk is het een scène om je over te verkneukelen. Uitgerekend als de held op het punt staat door razendsnel handelen de tweede hoofdpersoon, een vrouwelijke radiopresentator van wie de lezer is aan houden, te redden, treft hij op zijn pad zo’n bemoeizuchtige dikzak. Die schittert in zijn rol van versperringsballon. Hij benadrukt het contrast met de held, die een geschiktere fysiek heeft om de dood op afstand te houden. En voor dit doel telt aantrekkelijkheid op bij actievermogen. Een strak en recht lichaam zonder rimpels, uitzakkingen en vetbubbels staat in de westerse maatschappij voor behoud van jeugdige kracht. Wie oud of krom is, te mager of te klein, is ongeschikt voor de heroïek van de onfeilbaren. De zachte, contourloze omvang van de dikkerd verwijst te veel naar het menselijk lichaam als een kwetsbare ballon met water en darmen.

Spel met verwachtingen

De kwaliteit van het spannende boek zit ’m in de manier waarop de auteur de clichés van het genre inzet. De meester toont zich in de originaliteit van de variatie en in de fijnzinnigheid van het spel met verwachtingen. Verrassend genoeg houdt de dikkerd in De beller op lijn vier de fitte held op de trappen makkelijk bij. ‘Laat je niet misleiden door mijn omvang,’ haalt hij Cole’s onuitgesproken vooroordeel onderuit. ‘Je hebt er spieren voor nodig om zo’n groot lijf in beweging te krijgen.’

De man knielt lenig voor het deurslot van het appartement, blijkt een vaardig slotforceerder en staat z’n mannetje bij de gezamenlijke getrokken-pistoolinval. ‘Twintig minuten eerder zou Cole zich misschien hebben afgevraagd wanneer agent Clifford Whimbly voor het laatst met dat pistool had geschoten, maar de man steeg razendsnel in zijn achting.’

Tegelijk is dit maar een kleine omkering in een thriller die de status van de aantrekkelijke, onfeilbare misdaadbestrijder verder vooral bevestigt. De wijkagent ontpopt zich niet als de gevechtspartner van Cole. Die zal het zo ongeveer in z’n eentje opnemen tegen een regiment van moorddadige slechteriken. ‘Ze hebben je flink te pakken gehad,’ constateert zijn politiechef naderhand. ‘Er is geen plek op je lichaam zonder snijwond, schaafwond of blauwe plek.’ Met zijn optreden wint de rechercheur het respect terug van zijn chef, die het er niet mee eens was dat Cole het stiekem met zijn dochter had aangelegd.

Zo krijgt de actieheld, verkreukeld maar triomferend, behalve eerbetuigingen ook het meisje van zijn dromen. ‘Een leuk ding – lang blond haar, vegan, een beetje een gezondheidsfreak,’ zoals Cole haar beschrijft.

Genre-eigen liefdesperikelen

Dit brengt ons bij een andere reden dat charismatische speurders zo vaak een aantrekkelijk uiterlijk krijgen aangemeten. Het spannende boek levert niet alleen spanning, maar ook romantiek. De onoverwinnelijkheid van de hoofdpersonen is al een geruststellende fantasie, en de voortgang van een moordzaak wordt veelal gecombineerd met een liefdesverhaal. De eenzelvige verzekeringswiskundige uit De haasfactor ontdekt met de slagkracht van zijn lichaam ook zijn fysieke verlangens. Die worden aangewakkerd door de nabijheid van ene Laura, een wat wilde kunstenares die hem niet alleen met haar muurschilderingen betovert. ‘Mijn hele lichaam reageert op Laura’s werk, en ik kan er niks tegen beginnen.’ Zij overvalt hem met haar zinnelijke interesse: ‘Je bent niet als andere mensen. En het is evenmin nadelig dat je er leuk uitziet, op een persoonlijke manier.’

Niet voor niks ligt het motief van een moordenaar regelmatig in gefrustreerde lusten, onbeantwoorde liefdes, een jeugd vol geweld en misbruik of pesterijen vanwege lichamelijke tekortkomingen.

De kunst is om de genre-eigen liefdesperikelen subtiel met de moordzaak te verweven, want het soortelijk gewicht van een misdaadverhaal vermindert als dat aspect de boel domineert. Laura is in De haasfactor een ongrijpbare figuur, en de vraag is of zij betrokken is bij de criminele malversaties waar de hoofdpersoon op stuit.

Uiterlijk schoon is in detectives en thrillers ook een verblindende factor. De bloedmooie spionne ontfutselt haar bedgenoten hun geheimen. De woest aantrekkelijke charmeur kan de gevaarlijkste manipulator zijn.

Mooie mensen zijn makkelijk in het contact, ze nemen vanzelfsprekend ruimte in, en de fysieke geneugten van het leven zijn voor hen bereikbaar. Niet voor niks ligt het motief van een moordenaar regelmatig in gefrustreerde lusten, onbeantwoorde liefdes, een jeugd vol geweld en misbruik of pesterijen vanwege lichamelijke tekortkomingen.

Verlangen naar zichtbaarheid

Het misdaadgenre wint aan diepte en betekenis als de schrijver erin slaagt zich in te leven in personages uit de zijlijn van de samenleving. De speurdersheld in De laatste sneeuw van de Zweedse schrijfster Stina Jackson is een onaanzienlijke vrouw uit een afgelegen dorpje in Lapland, die haar onzichtbaarheid compenseert middels vluchtige seks met chauffeurs die het tankstation passeren waar zij werkt. Anderen beschrijven haar ielige verschijning als ‘levenloos’. In terugblikken op de voorgeschiedenis maakt de schrijfster invoelbaar hoe deze Liv, moederloos opgegroeid in de beklemmende greep van een tirannieke vader, onverschillig en levensmoe wordt en vervreemdt van haar lichaam.

In het meeslepende Harlem Shuffle van Colson Whitehead is de hoofdpersoon de zwarte eigenaar van een meubelzaak die in het gesegregeerde New York van eind jaren vijftig, begin jaren zestig geen toegang heeft tot de witte samenleving. De eerste keer dat deze Carney vanuit zijn professie een vaste meubelleverancier buiten ‘zijn’ Harlem bezocht, ‘hadden de roomblanke winkelbedienden gedaan alsof ze hem niet zagen. Hoe hij ook zijn keel schraapte of gebaarde, hij bleef een zwarte schim’.

Het is verfrissend als misdaadschrijvers in hun spel met de clichés van het genre kiezen voor hoofdpersonen die niet gecast zijn op hun geschiktheid voor de romantic lead.

Maar ook de zwarte economie beperkt Carney’s opwaartse ambities: de besloten club van vooraanstaande zakenlieden, advocaten en politici nodigt alleen mensen uit met een huid die lichter is dan de zijne. Dat onderwereldfiguren zijn streven naar een respectabel bestaan aan het wankelen brengen, komt niet alleen doordat Carney’s vader en neef thuis zijn in louche zaken, maar ook omdat hij verteerd wordt door een verlangen naar zichtbaarheid en aanwezigheid.

Wil je door het jaar heen op de hoogte blijven van alle ontwikkelingen in de thrillerwereld? Schrijf je dan in voor onze Detective en Thrillerbrief.

Vrijpostig optreden

Het is verfrissend als misdaadschrijvers in hun spel met de clichés van het genre kiezen voor hoofdpersonen die niet gecast zijn op hun geschiktheid voor de romantic lead. Als de hoofdinspecteur die iedereen in denk- en daadkracht aftroeft, piepkleine van gestalte is waardoor hij moet vechten om niet over het hoofd te worden gezien. Als de held van het verhaal te dik is voor een geslaagde achtervolging. Of te onooglijk om gemakkelijk de broeierige arena van de aantrekkelijken te kunnen betreden.

Zo’n variatie op het geijkte is nog spectaculairder als het betreffende buitenbeentje zijn/haar fysieke onvolkomenheden niet als problematisch ervaart.

Heerlijk is het vrijpostige optreden van misdaadoplosser ‘tante Poldi’ in de serie van de Duits-Italiaanse schrijver Mario Giordano. Op haar zestigste keert de tante van de verteller, verpletterd door de dood van haar Duitse echtgenoot, terug naar het Sicilië van haar jeugd met het voornemen om zich daar dood te drinken. De moordzaak die op haar pad komt, geeft haar een nieuw levensdoel. Tante Poldi is een zwaarlijvige, zweterige verschijning met gezichtsgroeven, een slechte knie en een slecht zittende pruik waarvan niemand weet wat ze daaronder verbergt. Dat belet haar niet om zich wulps te kleden en schaamteloos haar voorliefde uit te leven voor knappe mannen in uniform, ongeacht hoe jong die zijn.

Als de plaatselijke hoofdinspecteur zich met haar onderzoek komt bemoeien, constateert ze dat deze leeftijdgenoot te klein is naar haar smaak. Toch voelt ze begeerte. ‘En hoewel hij helaas geen uniform droeg, wist ze het meteen: ze vond hem leuk.’ Ze overrompelt de man met haar inzicht in de moordzaak, en met haar verleidingskunsten. ‘Onopvallend spande ze haar lijf aan. Ze draaide haar voordeligste lichaamsdelen evenwijdig aan de radarstraal van zijn blikken en stelde zich voor dat die blikken zijn handen waren.’

De voortgang van de moordzaak, die raakt aan de praktijken van de Siciliaanse maffia, houdt de spanning hoog. Maar de bruisende energie van Tante Poldi en de Siciliaanse leeuwen komt van de speurdersheld-op-leeftijd, die nu eens geen lichaamsloos meesterbrein is maar een daadkrachtig, bronstig personage met een lijf dat in alle opzichten aanwezig is. Het leesplezier dat dit oplevert, bewijst dat misdaadschrijvers de originaliteit van hun verhalen niet hóéven te zoeken in het opschroeven van de gruwel.

In het vrijmoedig ondergraven van de traditionele rangschikking op de schoonheidsas schuilt binnen dit genre de ware vernieuwing.