TRUE CRIME-PODCAST

Astrid Theunissen maakte ook een podcast over de moord op haar oudtante Petronella, waarin ze de plek des onheils bezoekt, de gruwelijke gebeurtenis met haar familieleden bespreekt en dieper in de zaak duikt.

Het kruis staat in het bos aan de afgelegen Speckerweg tussen de Limburgse dorpen Baexem en Haelen. ‘Petronella Theunissen heeft hier gegeven, haar jeugdig leven, voor hare eer, terwille van den Heer’ staat erbij.

Het gebeurde op 2 juni 1918.

Ik ben geboren in de omgeving en groeide op met deze moord. Petronella was het jongste zusje van mijn opa, een tante van mijn vader, mijn oudtante. Wie van de familie het kruis passeert, houdt er een ogenblik stil.

Onlangs was ik er weer eens, en toen ik de tekst opnieuw in me opnam, realiseerde ik me dat ik nooit precies had geweten wat zich destijds had afgespeeld aan de nog altijd verlaten weg. Rondvragend binnen de familie kreeg ik van een achterneef van mijn vader het inmiddels geopende archief: processen verbaal, processtukken, getuigenverslagen, het autopsieverslag, het psychisch rapport van de moordenaar, zijn bekentenis, zijn trouwakte, zijn persoonskaart. Pijnlijk confronterende informatie is het, over een intrieste gebeurtenis. De lokale krant Peel en Maas schreef destijds: ‘Het was omstreeks half één toen de daad voorviel, zoo gruwelijk, dat zelfs ouden van dagen in onze omgeving geen tweede daaraan gelijk zullen kunnen aanwijzen.’

de 43ste detective en thrillergids

Dit verhaal komt uit de 43ste Detective en Thrillergids. Die hebben we dit jaar gevuld met 356 recensies van spannende boeken, de onthulling van de VN-Thriller van het Jaar, interviews met schrijvers, essays over misdaad, true crime-verhalen en nog veel meer. Bestel ‘m hier.

Een onbekende man in een bruin pak

Een zonovergoten zondag is het, die tweede juni 1918. Petronella, door iedereen Nelleke genoemd, zet haar strooien hoed op als ze om negen uur de hoeve Speckerhof uitloopt om naar de kerk te gaan. Drie jaar eerder heeft ze als dertienjarig meisje haar ouderlijk huis in het naburige Baexem verlaten om als dienstmeisje op de boerderij in het bos te gaan werken. Broer en zus Gubbels wonen er, en op deze ochtend begeeft Nelleke zich in gezelschap van boer Mathijs Gubbels te voet naar Haelen voor het bijwonen van de sacramentsprocessie, een jaarlijkse ceremonie waarin Gods zegen over de parochie en parochianen wordt gevraagd.

Als Gubbels om kwart over twaalf thuiskomt, is hij verbaast dat Nelleke er nog niet is. Ze zou nog even bij vrienden gaan buurten, weet hij, maar het stipte, vrome dienstmeisje is ongebruikelijk laat. Terwijl Gubbels de lunch gebruikt, herinnert hij zich dat Nelleke hem onderweg naar Haelen had geattendeerd op een onbekende man in een bruin pak, die plots zo’n zestig meter achter hen op de zandweg in het bos was opgedoken. Ze had hem eerder in de buurt gezien, zei ze, en de vorige zondag, toen ze met Matthijs’ zus naar de kerk was gelopen, had hij hun pad gekruist en hen ‘goedemiddag’ gewenst.

In de kleine Limburgse kerkdorpen kent iedereen elkaar. De man in het bruine pak is niet van daar. Pas een klein jaar eerder is hij met zijn vrouw en vier kinderen neergestreken op een zolderkamer in het buurdorp Roggel. Hij is een rondtrekkende arbeider. Nadat hij afwisselend in Duitsland, IJmuiden, Amsterdam en Haarlem heeft gewerkt als landarbeider, grondwerker en huisknecht, zoals zijn persoonskaart vermeldt, verdient hij sinds januari 1918 zijn geld bij een Limburgse leerlooierij. De geboren Brabander is net als zijn nieuwe streekgenoten rooms-katholiek.

Haar opengesneden kleding is opgestroopt tot onder het hoofd, er loopt een snee van het bovenlichaam tot het onderlichaam.

Hij hult zich op de dag des Heren weliswaar in zijn zondagse goed, maar steekt geen kerkboek bij zich als hij de deur uitgaat. Wel een vers geslepen broodmes. Om, zo zegt hij tegen zijn vrouw, ‘daarmede zo nodig tijdens de wandeling een stok in het bos af te snijden’. Maar in zijn hoofd spookt een ander plan en daartoe verstopt hij zich in de buurt van de Speckerhoeve in het dennenbos.

Als boer Gubbels rond één uur in de middag op zoek gaat naar Nelleke, arriveert de onbekende man in het café in Haelen en bestelt een glas bier. Tegen de tijd dat hij thuis achter zijn middageten zit en zijn vrouw vertelt dat zijn mouw is gescheurd omdat hij een kraai uit een boom wilde halen, vindt Gubbels het dienstmeisje. Ze ligt in het bos, zo’n twintig meter van de Speckerweg, vertelt hij even later aan de opperwachtmeester Alphonsius van Kessel.

Haar hals is ‘afgesneden’, de armen met dichtgeknepen handen houdt ze boven het hoofd. Op de kousen en schoenen na is ze naakt, de benen liggen ‘uit elkander’. Haar opengesneden kleding is opgestroopt tot onder het hoofd, er loopt een snee van het bovenlichaam tot het onderlichaam. Haar schaamstreek vertoont meerdere sneden en er zit een steekwond onder haar borstbeen. Naast het lichaam liggen haar zwarte kerkboekje en haar gele strooien hoed. Ontsteld spreidt boer Gubbels zijn jas over het ‘ontkleede en droevig verwonde lijk’ van zijn ‘innig geliefde’ Nelleke.

Seksueel overprikkeld

Het nieuws verspreidt zich snel, getuigen melden zich. De elfjarige Johannes Bongers heeft achterop de fiets bij zijn vader rond half 1 een kleine blonde man op een drafje uit het betreffende bos zien komen. Een spoorwegcontroleur zag daar eenzelfde man wiens gedrag hem ‘uiterst zonderling voorkwam’, en ene heer Vogels is met ‘vlugge pas en zonder groeten gepasseerd’ door een blonde man in een bruin pak, klein van stuk.

Het signalement komt overeen met de uiterlijkheden van Petrus van Oevelen, geboren te Wouw op 31 augustus 1882, wijst onderzoek van de marechaussee uit. Die avond om half tien pakt de politie de rondtrekkende arbeider op in de kerk in Roggel, waar hij naar lokaal gebruik bij de rozenkrans bidt voor een ‘afgestorvene’. Hoewel Van Oevelen beweert dat hij niet op de Speckerweg is geweest en dat de vele wondjes op zijn hand zijn ontstaan tijdens zijn werk, wordt hij herkend door Johannes en de andere getuigen. Na langdurige ondervraging barst hij in tranen uit. Het was de vorige zondag, verklaart Van Oevelen, dat hij het meisje tegenkwam dat zo’n ‘sterke indruk’ op hem maakte dat hij ‘de lust voelde om met dat meisje vleselijke gemeenschap te hebben’. De hele week had hij erover nagedacht. ‘Mijn plan was om haar met geweld tot vleselijke gemeenschap te dwingen,’ bekende hij.

Toen hij uit de struiken sprong, had hij haar eerst nog gevraagd of ze het ‘een keer met hem wilde doen’. Omdat ze weigerde, heeft hij haar over de weg naar een bosje gesleurd waar ‘ik haar blootte vrouwlijkheden heb betast en met geweld mijn vinger in haar vrouwlijkheden heb gestoken. Terwijl ik hiermee bezig was, schreeuwde het meisje en rukte het zich los.’

Van Oevelen greep haar opnieuw, vertelt hij, en omdat ze bleef schreeuwen en riep dat de boer en zijn zus eraan kwamen, haalde hij zijn mes tevoorschijn. Terwijl Nelleke zijn linkerhand krabde en zijn vest scheurde, sneed hij haar hals door. ‘Ik deed zulks uit angst dat ik door haar geschreeuw ontdekt zou worden en dat zij mij verraden zou wanneer ik haar liet gaan.’

De schuld van zijn daad legt hij bij Philomenia van Meel, met wie hij sinds 1907 is getrouwd. ‘Hoewel mijn echtgenote het niet graag heeft, heb ik geregeld gemeenschap met haar,’ zegt hij. Zij is volgens hem de reden dat hij ‘seksueel overprikkeld’ is. Daarom heeft hij in de tijd dat hij in Duitsland woonde ‘meermalen met jongeren meisjes vleselijke gemeenschap gehad’. Hij bedoelt daarmee ‘jonge publieke vrouwen’. Bij Van Oevelen thuis wordt een bebloed mes gevonden.

Petronella
Het kruis aan de afgelegen Speckerweg
Ontuchtelijke handelingen

Bij het gemeentehuis in Haelen verzamelt zich een woedende menigte. Nelleke’s oudste broer Hendrik, mijn opa, is op dat moment als soldaat nabij Breda gelegerd en afwezig. Haar 21-jarige broer Lambert moet door politieagenten worden tegenhouden om te voorkomen dat hij de moordenaar aanvliegt wanneer die bij ‘het kot’ aankomt.

Mijn overgrootmoeder is ontroostbaar. Negen kinderen heeft ze gebaard, en na een doodgeboren baby en twee jongentjes van één jaar is Nelleke het vierde kind dat ze verliest. In het bidprentje roemen haar ouders haar ‘bewonderenswaardig eergevoel en engelachtige reinheid’.

Hij heeft Nelleke’s kerkboek en haar hoed bij het lijk gelegd ‘om sporen te wissen’, en is naar het café gelopen voor twee glazen bier. Daarna is hij thuis gaan eten.

In de dagen na de moord wordt steeds meer bekend over Petrus van Oevelen. Hij blijkt op 3 oktober 1907, kort voor zijn huwelijk, door het gerecht in Haarlem bij verstek te zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien dagen wegens diefstal van een horloge en een kettinghorloge uit een werkkeet in Velsen. In Roggel wordt hij verdacht van het stelen van twee hammen en een droogworst. Bij de leerlooier heeft hij een pot vet gestolen. Ook wordt duidelijk dat Van Oevelen ‘veel meisjes naloopt, blijkbaar met slechte bedoelingen’, aldus het politierapport. Een boerin verklaart tegenover de dienstdoende rechter-commissaris dat ze Van Oevelen een half jaar eerder als knecht heeft weggestuurd omdat hij haar dienstmeid lastigviel. Het meisje in kwestie, Catharina Konings, twintig jaar oud, laat in een proces verbaal optekenen dat Van Oevelen dikwijls op de boerderij bleef slapen en dan op haar kamer kwam ‘met de bedoeling om ontuchtelijke handelingen met mij te doen en bij mij te slapen.’

Lustmoord

Op donderdag 22 augustus 1918 vindt de rechtszaak plaats, in ‘het belang der zedelijkheid’ achter gesloten deuren. Diverse getuigen zijn gedagvaard om in het Paleis van Justitie te Roermond een verklaring af te leggen. De schouwartsen L. Stijns en F. Geelen hebben op 4 juni geconstateerd dat Nelleke door verbloeding om het leven is gekomen. Er zijn geen spermavlekken op het lichaam aangetroffen. Wel vonden ze een vers slijmvliesscheurtje in het hymen dat moet zijn toegebracht door uitwendig geweld. De messteken en sneden op borstbeen en rond de schaamheuvel zijn toegebracht na de dood, ontdekten de artsen. De vraag is waarom.

Het is bij de politieschouw, die 2e juni, aan de hand van een grote bloedplas en de besmeurde struiken al duidelijk geworden dat Van Oevelen het lichaam van Nelleke verder het bos in heeft gesleept, uit het zicht van de weg. Daar is Van Oevelen naar eigen zeggen op het lichaam in beginnen te steken. ‘Ik wilde het lijk in stukken snijden en die stukken verstoppen,’ verklaart hij. Toen hij ineens aan zijn vrouw en kinderen dacht, is hij gestopt. Hij heeft Nelleke’s kerkboek en haar hoed die nog op de zandweg lagen bij het lijk gelegd ‘om sporen te wissen’, en is naar het café gelopen voor twee glazen bier. Daarna is hij thuis gaan eten.

De bij de rechtszaak aanwezige drs. J. Carparief, de opsteller van Van Oevelens ‘geestelijk onderzoek’, gelooft niet dat beklaagde de bedoeling had om het lijk in stukken snijden om het te verbergen, want ‘dan zouden de wonden in het lichaam dieper zijn doorgedrongen.’ Bovendien: ‘Een menselijk kadaver met een broodmes in stukken te snijden is onzinnig, zeker voor iemand die geen anatomie kent.’ De ‘innerlijk overprikkelde verdachte deed zulks uit wellust’, vermoedt Carparief. Het doden en verwonden van het meisje gaf de verdachte een gevoel van rust en bevrediging. ‘Verdachte ging kalm een paar glazen bier drinken en daarna met zijn vrouw eten.’ De psychiater acht de verdachte volledig toerekeningsvatbaar en beschouwt de moord als een lustmoord.

Laatste levensteken

Op 3 september, vier dagen voor Nelleke’s zeventiende verjaardag, wordt Petrus van Oevelen tot levenslang veroordeeld. Zijn raadsheer, mr. Dahmen, tekent meteen hoger beroep aan, dat dient op 11 november 1918 in het gerechtshof te Den Bosch. Het betreft geen lustmoord, oordeelt het hof. Het gaat mee in Van Oevelens bewering dat hij niet de intentie had Nelleke te vermoorden. Er is geen sprake van voorbedachte rade. Op maandag 25 november wordt de levenslange gevangenisstraf omgezet naar twintig jaar wegens doodslag. Op 4 december wordt Van Oevelen overgebracht naar de Blokhuispoort in Leeuwarden, het tuchthuis voor ’s lands zwaarst gestraften. Drie jaar later ontvangt hij daar het bericht dat de Nederlandse Staatscourant op 16 april 1921 publiceert: de Arrondissementrechtbank te Leeuwarden heeft op verzoek van Philomina van Meel zijn huwelijk ontbonden verklaard.

Zijn persoonskaart vermeldt dat hij op 25 juni 1946 opnieuw naar Duitsland is gegaan. Het is het laatste geregistreerde levensteken van Petrus van Oevelen.

In 1934 is er beter nieuws voor de moordenaar. Petrus van Oevelen wordt ‘afslag van straf’ verleend. De gedetineerdenkaart van de Bijzondere strafgevangenis in Leeuwarden vermeldt dat hij op 30 januari 1935 vrijkomt en naar het Noord-Hollandse Heiloo vertrekt. Op zijn persoonskaart staat geschreven dat Van Oevelen op 12 april 1938 in het Limburgse Echt is gaan wonen, zo’n twintig kilometer van de moordplek. Een jaar later laat hij zich in Amsterdam registreren. Eerst op Rapenburg 92, daarna volgen verschillende adressen waaronder het Singel en de Spaarndammerdijk. Daar bezoekt hij tijdens de Tweede Wereldoorlog het gewestelijk arbeidsbureau, afdeling Tewerkstelling Duitsland. Volgens zijn arbeidskaart is Van Oevelen op 24 juli 1941 vertrokken naar Duitsland, met een schuld van twintig gulden aan geleende kleding. Tijdens of na het einde van de oorlog moet hij zijn teruggekeerd naar Nederland, want zijn persoonskaart vermeldt dat hij op 25 juni 1946 opnieuw naar Duitsland is gegaan. Het is het laatste geregistreerde levensteken van Petrus van Oevelen in het dossier.

Slotzuster

Met het verdwijnen van de moordenaar verdween het verhaal over de moord niet uit de familie. Mijn opa hield de herinnering aan zijn zusje levend door zijn veertien kinderen geregeld mee te nemen naar het kruis in het bos, en toen zijn jongste dochter in 1950 op dezelfde dag werd geboren als Nelleke werd ze Petronella genoemd. Haar 89-jarige grootmoeder beschouwde haar als ‘mijn Nelleke’, herinnert mijn vader zich. Mijn tante verafschuwde het idee dat ze was vernoemd naar haar vermoorde tante. Het boezemde haar angst in om haar naam en geboortedatum te zien staan op het bidprentje en het grafkruis, waar ze al heel jong mee naar toe werd genomen. Doodsbang dat ook haar iets engs zou overkomen, ging ze zich ‘Petra’ noemen.

Zeventig jaar na de moord kwam er ineens nieuws over Van Oevelen aan het licht toen een van mijn neven op de middelbare school verkering kreeg met een meisje uit Roggel. Haar moeder Fien Vaes was bevriend met een dochter van de moordenaar. ‘Toen Petrus van Oevelen in de gevangenis belandde, hebben de ouders van mijn vader diens jongste dochter Anna in huis genomen,’ vertelt de inmiddels 87-jarige Fien. ‘Na de arrestatie bleef de vrouw van Van Oevelen met vier kinderen achter. Ze moest gaan werken bij boeren in de buurt om de kost te verdienen, haar kinderen werden ondergebracht bij gezinnen. Antje, zoals wij haar noemden, was zes en heeft een jaar of vier bij mijn vader gewoond. Toen het haar moeder eindelijk was gelukt om te scheiden, is ze met haar kinderen naar Rotterdam vertrokken, maar Antje heeft altijd intensief contact met onze familie gehouden. Al hebben we haar jaren niet gezien. Ze ging op haar zeventiende het klooster in en heeft als “slotzuster” zo’n dertig jaar opgesloten gezeten. Zuster Gaudiosa heette ze, en als bruid van God mocht ze door niemand worden gezien. In de jaren zestig werd het strenge regime afgeschaft en mocht ze naar buiten. Toen kwam ze weer op bezoek en logeren.’

Het verhaal ging dat Antje voor het strenge kloosterleven had gekozen om boete te doen voor de gruweldaad van haar vader, maar Fien heeft het haar nooit durven vragen. ‘Dat lag te gevoelig,’ bekent ze. ‘Antje heeft haar hele leven zielenpijn gehad.’

Tot haar dood in 1999, ze werd 85, sprak Antje nauwelijks over haar vader. ‘Ze zei eens dat ze weinig van hem hoorde. Ze wist wel dat hij haar broer in België had bezocht en opgevangen is geweest in een Belgisch klooster waar hij in ruil voor onderdak de tuin onderhield. Ook daar is hij weggestuurd omdat hij het er te bont had gemaakt. Het schijnt dat hij een zwerver is geworden die waarschijnlijk eenzaam en alleen is gestorven.’