Het interview met Natacha Harlequin (48) zou plaatsvinden op de rechtbank in Den Haag, de stad waar ze woont en kantoor houdt, samen met haar man en collega-strafrechtadvocaat Jacq Taekema. Na een half uur wachten, met uitzicht op een luid ruziënd stel in scheiding, gaat de telefoon. Harlequin is nog op het Haagse hoofdbureau van politie voor het verhoor van een cliënt van Taekema. Hij had een uitlopende zitting in een andere zaak, dus zij moest inspringen. Met lichte pressie in haar stem, en excuses, vraagt ze of we kunnen afspreken bij BLT, een eetcafé om de hoek van de rechtbank waar ze vaak tussendoor snel iets eet. Er is daar zelfs een salade naar haar vernoemd, blijkt even later.
Als een kleine versie van de Natacha is besteld (iets met ei, kip en bacon) legt ze uit dat in haar praktijk verzoeken om rechtsbijstand in eerste instantie binnenkomen via voorkeursmelding (verdachte is aangehouden en vraagt zelf om Harlequin als advocaat) of via de piketdienst. In beide gevallen krijgt ze alleen een summier bericht van de politie: naam van de aangehoudene en een artikelnummer uit het Wetboek van Strafrecht: moord, doodslag, aanranding – het kan van alles zijn. Vervolgens is het aan haar om te weigeren of accepteren. Als ze accepteert, moet ze binnen twee uur op het bureau verschijnen om de cliënt bij te staan in het eerste politieverhoor. Daar is niets negen-tot-vijfs aan – het kan altijd gebeuren.
Op dezelfde dag volgt altijd nog een verhoor. En dat is dan één cliënt. Vaak heeft ze op een dag verhoren van drie à vier cliënten, afgewisseld met zittingen. ’s Morgens om zeven uur een politiebureau of huis van bewaring inlopen en niet op tijd thuis zijn voor het avondeten is normaal, zegt ze. ‘Als je daar stuipen van krijgt, is dit vak niet voor jou. Als strafrechtadvocaat moet je snel kunnen schakelen met alles en iedereen – zeker in het begin van een zaak, want die is het belangrijkst voor de uitkomst. Als je pas net in het vak zit, is dat schakelen best lastig. Je kent de cliënten niet, en omgekeerd. De politie houdt er rekening mee dat je een beginneling bent.’
Dit interview komt uit onze 43ste Detective en Thrillergids. We hebben ons een ongeluk gelezen (wel 356 titels!), de VN-Thriller van het Jaar gekozen, de allerbeste auteurs opgezocht en ons vastgebeten in vergeten true crime-zaken. Bestel ‘m hier alvast voor.
Die tijd ligt ver achter u, met twintig jaar ervaring in uw vak.
‘Als ik nu het bureau binnenstap, weet de politie dat er de eerste uren weinig gaat gebeuren. Niet omdat ik zand in de machine wil gooien, maar omdat ik nog geen dossier heb en nog niet weet hoe ik iemand aantref. Bij een onverwachte aanhouding is de cliënt misschien net wakker, of hij is nog half stoned of dronken. Ik tref ze ook geregeld aan in een scheurhemd, of onder het bloed. Steeds vaker zien we dat iemand zijn medicatie niet heeft kunnen nemen. Dat is een van de eerste dingen waarmee ik nu rekening houd.’
En dan hebben we het niet over aspirine, neem ik aan.
‘Het kan van alles zijn. Antipsychotica, angstremmers, diabetes. Ik doe veel drillrapzaken, zoals men die noemt. Daarbij zijn vaak jongeren betrokken die medicijnen gebruiken voor ADHD of ADD. Sowieso zie ik dat veel bij jongvolwassen cliënten. Of ze medicatietrouw zijn – nemen ze hun pillen in op de juiste tijd – is dan de volgende vraag die ik stel. De uitwerking daarvan kan effect hebben op de verhoren en op mijn gesprekken met hen. Maar medicatie daargelaten, het gebeurt ook dat iemand helemaal in tranen is, met bonkende koppijn van de schok. Daar valt evenmin een gesprek mee te voeren, laat staan dat hij in staat is te worden verhoord. Laten we eerst eens kijken of het je überhaupt lukt met mij te praten, zeg ik dan. Ook dat gaat niet vanzelf. Als cliënten onbekend zijn met het strafrechtsysteem en mij niet kennen omdat ik er ben via de piketdienst, zijn ze soms achterdochtig, denken ze: zij hoort bij de overheid want ze komt binnen in nette kleren, kent iedereen hier en begint mij vragen te stellen.’
En dan bent u ook nog een mevrouw. Of maakt dat niets meer uit?
‘Bij mij niet meer, na zoveel jaar, maar in het algemeen wel. Een advocaat is voor velen nog altijd een meneer, en als het een mevrouw is, gaan we eerst eens even goed kijken wat voor mevrouw. Ik heb daar altijd korte metten mee gemaakt door meteen duidelijk te benoemen wat ik kom doen, én dat ik ze alleen kan adviseren op basis van wat zij mij vertellen.’
Vrouwelijke rechters en officieren hebben sinds een aantal jaren de overhand. Verandert dat de dynamiek in de rechtszaal?
‘Mij valt op dat vrouwen vrij direct zijn in hun vraagstelling, op een open manier. Er is hier in Den Haag bijvoorbeeld een rechter – ik heb nog les van haar gehad in Leiden, waanzinnig goede docent – die perfect is in vragen stellen aan verdachten. Ja, zegt zij dan, ik kijk naar het dossier en vraag me af: waar hebben die jongens het nou over, in die appjes? Wat een stoere praat. En nu zit u tegenover mij al een uur te huilen. Vertel me nou eens, hoe moet ik dat zien? Op zo’n manier komt er misschien wel iets uit. Terwijl: als een mannelijke rechter direct is, zal hij eerder iets zeggen als: “Ik geloof niets van hoe u zich hier opstelt.” Vervolgens staat de advocaat meteen op met de vraag wat de bedoeling is van die opmerking, en voor je het weet hangt er weer wraking in de lucht.’
U noemde net drillrapzaken. Of althans, u zei: zoals men die noemt. Vanwaar die opmerking?
‘Ik begrijp dat etiket niet. We moeten het bovenal zien als strafzaken gerelateerd aan problemen tussen jongvolwassenen, of groepen jongvolwassenen.’
Omdat lang niet altijd vaststaat dat er een relevante samenhang is tussen drillrap en het vermeende strafbare feit?
‘In elk geval niet per definitie en op voorhand al. “Drillrapzaak” is een term van politie en justitie die ik tegenkom in dossiers. Ze gebruiken hem voor alle ernstige delicten die zij relateren aan drillrap, ook als daar nog geen bewijs voor is. In mijn ogen is dat een vorm van populariseren van het strafrecht. Net als bij de crime passionel krijgt een misdrijf meteen een bepaalde lading mee. Dat is via de media voer voor klakkeloze meningsvorming in de publieke ruimte, iets wat natuurlijk sowieso al erg aan de hand is als het gaat over misdaad en strafrecht. Als ik na een zitting, een verhoor of een uitzending van Shownieuws mijn telefoon weer aanzet en de sociale media bekijk, blijft het me verbazen hoe stellig mensen van alles roepen over iemand die ze nog nooit hebben gesproken.’
Dat zal u toch ook weleens overkomen?
‘Nee, ik doe zoiets nooit. Ik vind het ook echt raar dat mensen zo praten.’
Heeft u door uw vak geleerd het niet te doen?
‘Mijn karakter is ook zo. Ik heb vaak dit soort gesprekken: wat vind je van Marietje? Geen idee. Ik heb Marietje maar één keer gezien. Ja. maar je hebt toch wel een indruk? Zeker, maar een indruk is niet genoeg om te weten hoe iemand is. O, dus dan zeg je niets? Nee, dan zeg ik niets.’
Dat vinden de kijkers van Shownieuws wel raar, denk ik.
‘Ik zit daar aan tafel omdat ik graag wil uitleggen hoe het er in de praktijk aan toegaat, voor mij als strafpleiter. Als ik weer eens een zee aan meningen lees over een mediagenieke strafzaak, denk ik vaak: je zou er eens bij moeten zijn. De maatschappelijke visie wijkt zo af van wat er in werkelijkheid gebeurt in een proces. Dat ik uitsluitend over feiten praat, vindt men soms ingewikkeld, ja. We willen weten wat Natacha vindt, krijg ik regelmatig te horen van kijkers. Dat zeg ik toch net? Ja, nee, maar vind je dat ook thuis? Dat vind ik ook thuis. En zo is het. Voor geneuzel uit de onderbuik moet je mij niet hebben, thuis niet en evenmin voor een camera.’
‘Ik vind twee soorten zaken het meest boeiend: moord en zedenmisdrijven. Bijna altijd is het een alles-of-nietssituatie. Een beetje moord of een beetje verkrachting bestaat niet.’
Hangt die instelling ergens samen met wat wijlen Max Moszkowicz sr. tot in den treure herhaalde in interviews: ik verdedig niet de daad, maar de dader?
‘Misschien in de zin dat je in mijn ogen alleen een goede strafpleiter kunt zijn als je empathisch vermogen hebt en niet te snel oordeelt over anderen. Keek jij toevallig op Twitter na de BOOS-aflevering over machtsmisbruik bij The Voice of Holland? Al die mensen: die is een vieze vuile pedofiel, die is een gore verkrachter, die is een gewetenloze smeerlap. Zo, denk ik dan, zijn we klaar? Het staat me zo tegen.’
Als advocaat of als Natacha thuis?
Ze grinnikt. ‘Allebei, natuurlijk.’
Heeft die BOOS-aflevering verschil gemaakt in uw praktijk?
‘De telefoon staat roodgloeiend.’
Vermeende slachtoffers of vermeende daders?
‘Allebei. Ik heb tot nu toe één iemand geadviseerd en daar is het bij gebleven. Ik neem zo’n zaak alleen aan als ik de tijd heb in de details te kruipen, ’s nachts uit bed te komen om iets op te zoeken. Dat kan niet als je al vijf van dat soort zaken hebt. Tegen deze doelgroep bij uitstek moet je eerlijk zijn over de ruimte in je agenda. Niet alleen is het proces lang en slepend, doordat het lang duurt voor er een beslissing valt over de mogelijke vervolging, en doordat de wachttijd bij de rechtbanken voor de gemiddelde zedenzaak is opgelopen tot anderhalf jaar plus, je bent ook bijna een halve…’ Ze onderbreekt zichzelf. ‘Ik ben geen psycholoog of maatschappelijk werker, maar ik hoor veel aan. Dat hoort ook bij het vak, zeker in zedenzaken.’
Wat boeit u er juridisch aan?
‘Ik vind twee soorten zaken het meest boeiend: moord en zedenmisdrijven. Bij allebei heb je te maken met een interessante juridische puzzel. Dat zit ook in het forensische aspect. In geval van moord moeten de voorbedachte rade en de opzet worden bewezen. Zedenzaken zijn sowieso moeilijk te bewijzen. Bijna altijd is het een alles-of-nietssituatie. Een beetje moord of een beetje verkrachting bestaat niet. Daar waar ik zelf heel genuanceerd van aard ben, vind ik in mijn werk dat aspect van alles of niets een uitdaging.’
Als je doodgaat, neem je niets mee
Ze eet een beetje van de Natacha. Dan zegt ze: ‘Weet je waar ik een enorme hekel aan heb? Aan eindeloos doorzeurende echtscheidingszaken. Na een kwart eeuw huwelijk gaat de een met de secretaresse naar bed of de ander met de tuinman, en vervolgens bijten ze zich jaren vast in wat van wie is. Staan ze hier in de gang van de rechtbank tegen elkaar te schreeuwen over de ijskast en het tuinmeubilair. Man, als je doodgaat, neem je niets mee. Geef die ijskast af en ga verder met je leven want het is zo voorbij. Ik ben bij het sterven van allebei mijn ouders geweest de afgelopen jaren. Ik kan je verzekeren: in de laatste dagen en uren merk je echt hoe onbelangrijk materie is.’
Er stond ook zo’n krijsend echtpaar toen ik vanochtend op u zat te wachten in de rechtbank.
‘Je struikelt erover. Ik word regelmatig gevraagd een kind bij te staan in zo’n uit de hand gelopen echtscheidingszaak. Daar lig ik dus wakker van.’
Eerder dan van een driedubbele moord?
‘Ik denk het wel. Kinderen als speelbal tussen ouders die elkaar haten, dat laat me niet zomaar los.’
Krijgt u veel met kinderen te maken in strafzaken?
‘Ja, als dader en als slachtoffer. Kinderen ronselen kinderen, dat is nu aan de hand.’
‘Ik was ijverig. Van drank en drugs moest ik ook niets hebben, vanuit de weerzin afhankelijk te zijn van iets of iemand. Dat ging mij niet gebeuren.’
Om wat te doen?
‘Klusjes voor criminele groepen. Het is simpel om bereidwillige vijftien-, zestienjarigen te vinden, vaak nog jonger. Het gaat allemaal om spullen. Dure schoenen, tassen, scooters, merkkleding. Horloges, niet te vergeten. Cliënten moeten vaak om me lachen als ik daarover met ze praat. Wilt u geen Rolex, vragen ze dan. Nee. Waarom niet, mevrouw? Boeit me niet. En vervolgens vinden zij mij aandoenlijk. Als ik met ze afspreek ter voorbereiding van een zitting, moet ik steevast zeggen: kijk nou even naar jezelf: Gucci-riem, Louis Vuitton-pet, dit-en-me-dat pak en schoenen. Plus die Rolex. Zelfs je sokken zijn van Gucci. Dit trek je morgen allemaal niet aan naar de rechtbank. Kijken ze me aan alsof ik gek ben. Leg ik uit: wat jij in je eentje draagt, is duurder dan wat de drie rechters samen aanhebben. Dus: horloge af, ketting af, diamant uit je oren, allemaal niet.’
Doen ze wat u zegt?
‘Jawel, maar ze begrijpen het meestal niet. Dat legt hun gebrek aan empathie bloot. Ze hebben echt geen flauw idee hoe die hele santenkraam overkomt, waarbij we ook niet moeten vergeten dat het brein van minderjarigen en jongvolwassenen echt heel anders werkt.’
En ze kunnen zich misschien niet voorstellen dat iemand geen status en zekerheid ontleent aan een Rolex?
‘Daar sprak ik toevallig vanochtend over met een Surinaamse coach die door zijn oma is opgevoed in de Bijlmer. Zijn hele jeugd was er gedoe over kleren. Er was thuis weinig geld, dus wat hij droeg, was goedkoop en merkloos. Daar werd hij door jongens uit de buurt constant mee gepest en om uitgelachen. Hij zegt nu: als je opgroeit in een weinig perspectiefrijke omgeving waar dure bezittingen belangrijk zijn, maar jij hebt ze niet, ga je die levensstijl nog meer idealiseren. Dat is wat er gebeurt in de arme wijken waar jonge crimineeltjes vandaan komen. Hij zei ook: Natacha, jij hebt makkelijk praten. Je kunt wel zeggen dat je materie niet belangrijk vindt, maar jij groeide op in een prima buurt met twee werkende ouders die jou dure gympen konden geven als jij ze had gewild. Een leven zonder financiële stress is zoveel rustiger. Ik denk dat hij gelijk heeft. Of beter gezegd: ik merk elke dag dat hij gelijk heeft in de gesprekken met mijn cliënten.’
Hoe ben jij opgegroeid?
‘Veilig, gemoedelijk. We hadden het eigenlijk nooit over spullen. Het was wel de bedoeling dat ik alles uit mijn schooltijd en studie zou halen wat erin zat. Mijn vader zei altijd: als je hersenen hebt, ga je die ook gebruiken. Tegen mij hoefde dat niet te worden gezegd. Ik was ijverig. Van drank en drugs moest ik ook niets hebben, vanuit de weerzin afhankelijk te zijn van iets of iemand. Dat ging mij niet gebeuren. Ik heb altijd mijn eigen weg bewandeld. En nog. Ik heb drie heel goede vriendinnen die mij al jaren kennen. Zij zeggen altijd: je bent niets veranderd.’
De menselijke context
Ze wordt gebeld. Het gesprek duurt lang, al lijkt alles wat ze zegt kort en to the point te zijn. Langdradig zit niet in haar assortiment. Als ze weer zit, gaat het nog een tijdje over haar ouders, dat het zo ongezellig is dat ze hen relatief jong heeft verloren. ‘Gelukkig was tussen mijn ouders en mij toen ze stierven niets onbesproken gebleven wat besproken had moeten worden. Daardoor denk ik nu soms wel bij mensen die plotseling overlijden door toedoen van een ander: oeh, de momenten van goed afronden zijn hun en hun naasten ontnomen. Dat vind ik erg. Misschien hadden zijn vrouw en hij die ochtend een stomme ruzie. Of puberdochter was chagrijnig uit bed gestapt: “Ja papa, jij altijd”. Je weet hoe kinderen kunnen zijn. En dat is het dan, als iemand wordt neergeknald. Dat breng ik bijna altijd ter sprake bij cliënten.’
Voelt u dan dat u een snaar raakt?
‘Vaak wel. Je kunt iets bereiken als je de moeite neemt te appelleren aan hun invoelingsvermogen. De taak van een strafpleiter kan ook dat inhouden, iets wat de meeste mensen niet weten. De heftigste gesprekken zijn die gesprekken, zeggen cliënten als ik ze achteraf spreek. Of je nu vrijgesproken bent, een lagere straf hebt gekregen of een lange straf hebt uitgezeten, er komt een moment dat je thuiskomt en jezelf moet aankijken in de spiegel – en dan kun je wel of niet leven met jezelf en met wat je hebt gedaan. Dat hoor ik steeds terug.’
Probeert u er in die gesprekken altijd achter te komen waarom iemand iets heeft gedaan?
‘Nee. Ten eerste omdat ik er niet vanuit ga dat ze mij de waarheid vertellen. Het enige wat ik ze meermalen uitleg, is dat ik niets weet als zij mij niets vertellen. Nieuwsgierigheid is in mijn vak een slechte raadgever. Ik zit daar niet om een spannend verhaal te horen. Integendeel, juist als je als strafpleiter merkt dat je de zaak een uitdaging vindt met een soort amusementselement, moet je opletten. Daarom zal ik ook niet naar een serie als Mocro Maffia kijken. Het lijkt te veel op zaken die ik zelf doe, maar dan verteld als een spannend verhaal.’
Ik heb wel een seizoen gezien en ik kreeg zo’n gruwelijke hekel aan al die agressieve, egocentrische etters. Verder dan ‘wat erg voor je moeder dat zij zo’n kind heeft’ ging mijn empathie niet.
‘Dat snap ik. En natuurlijk, ik moet ook zeggen: als je dagen achter elkaar bij de behandeling van de gemiddelde vermeende drillrapzaak zit en luistert naar de app-gesprekken die het Openbaar Ministerie in een getuigenverhoor presenteert als bewijsmateriaal, zou je het idee kunnen krijgen dat het leven van een ander er niet toe doet voor die jongens. Dat is niet fijn om aan te horen, maar ík spreek zo iemand gedurende maanden over verschillende aspecten van de zaak, en dan is het echt een ander verhaal, ik krijg ook altijd de menselijke context.’
Jullie verdedigden tot voor kort een van de verdachten van de moord op Derk Wiersum, tot zijn dood advocaat van de kroongetuige in het Marengo-proces. Hoe kreeg u dat voor elkaar? U kende Wiersum goed.
‘Taekema deed die zaak. Hij kende Derk niet persoonlijk. Het is onbestaanbaar dat ik het zelf zou doen.’
Maar hoe werkt dat dan? Jullie zijn getrouwd en hebben samen een kantoor.
‘Ik heb als voorwaarde gesteld dat ik het dossier niet te zien krijg.’
‘Een puntje aan de horizon hoort bij een menswaardig bestaan. Wat Derk Wiersum gewild zou hebben is dat iedereen een goede verdediging krijgt, en geen levenslang.’
U was wel bij de uitspraak.
‘Ik moest waarnemen omdat Taekema een zitting had in een internationale strafzaak die niet kon worden verschoven. Het kon niet anders.’
Vond u het moeilijk?
‘Het moest gebeuren, niemand anders kon dat vonnis ophalen, maar ik merkte wel dat het goed was dat ik de zaak niet deed. Toen ik die dag naar de advocatenkamer liep om mijn spullen te pakken, kwam ik op de gang Stijn Franken tegen, mijn oud-patroon en de advocaat van Derks vrouw. We wisselden een blik uit. Die blik zal ik nooit vergeten. Ineens zag ik Derk voor me. Zoals mensen nu naar Derk kijken op een foto in de krant – leuke kop, haar goed geknipt, die slimme blik – zo ken ik hem. Soms vrolijk, soms balend van een uitspraak. Ik ben niet bij zijn uitvaart geweest. Ook bij het afscheid op de rechtbank was ik niet. Omdat ik Derk wil onthouden zoals ik hem zag op de vele donderdagavonden die we met elkaar doorbrachten. We zaten met nog een paar advocaten in een jurisprudentiegroepje, daarvoor gingen we altijd eten, daarna uit. We hadden vaak mooie gesprekken over ons werk, bijvoorbeeld over de levenslange gevangenisstraf. Derk was geen voorstander. Ik ook niet.’
Tegen de verdachten in de Wiersum-zaak is in hoger beroep weer levenslang geëist door het OM.
‘Daar ga ik verder niets over zeggen.’
Gelovig
Weer telefoon. Als ze klaar is, weet ze nog precies waar we waren gebleven en wat ze wil toevoegen. ‘Ik ben gelovig. Mijn moeder was voorganger in de kerk. Van huis uit kreeg ik mee dat de mens zwak is. Dat kan zijn zwak in materie, in de liefde, in de beheersing van emoties. Hoe dan ook: mensen maken fouten, vaak ingegeven door tegenzittende omstandigheden, en voor iedereen moet er een puntje aan de horizon blijven. Dat hoort bij een menswaardig bestaan. Wat Derk gewild zou hebben, en dat weet ik echt, is dat iedereen een goede verdediging krijgt, en geen levenslang.’
En daar heeft u nooit enige bedenking bij?
‘Nee. Wel denk ik soms: Openbaar Ministerie, denk eens wat meer out of the box, met meer oog voor de culturele aspecten in een zaak, en ook gewoon wat praktischer. Ik zie veel mensen aan wie je in het eerste gesprek al merkt dat ze een stoornis hebben waardoor hun geweten in een bepaald opzicht slecht functioneert. Ik heb bijvoorbeeld cliënten gehad die anderen wel tien, vijftien jaar intensief stalken. Ze zijn heel manipulatief en denken geen moment: goh, laat ik daar eens mee ophouden. Als het OM in zo’n geval na de tweede of derde aangifte en aanhouding nog niet om een rapport van het Pieter Baan Centrum vraagt, vind ik dat eigenlijk onaanvaardbaar. Een van de redenen dat zoiets niet of te laat gebeurt, is dat officieren van justitie over alles zes keer moeten vergaderen. Mij is dat allemaal te onpraktisch, te bangelijk en weinig autonoom. De kern van advocaat zijn is je onafhankelijkheid. Daarom ligt het vak mij zo goed.’
Is dat wat strafpleiters gemeen hebben?
‘Dat, en de overtuiging dat rehabilitatie voor iedereen aan de orde moet zijn. Iemand uitsluiten, cancelen, niet meer naar een ander luisteren, dat kan niet in ons vak.’



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.