Het was eind maart het officieuze startsein van de SP-campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen: een aanval van partijleider Lilian Marijnissen op links. Te gast bij Sven Kockelmann op Radio1 stelde ze dat partijen als GroenLinks zouden ‘neerkijken op de kiezers van bijvoorbeeld Wilders’ en met het expliciet uitsluiten van Forum voor Democratie als partner in het lokale bestuur – in dezelfde week dat de voorman van die partij zich wederom antisemitisch uit had gelaten – zouden meedoen aan een ‘Haags politiek spel’. Vervolgens richtte Marijnissen de pijlen op linkse partijen die door te ‘juichen’ bij arbeidsmigratie ‘compleet voorbij’ zouden gaan aan hun slechte invloed op ‘de sociale samenhang in de wijk’ en geen oog zouden hebben voor ‘de problemen van de gewone mensen’.

De kritische reacties die daarop volgden, beantwoordde Marijnissen bij de officiële digitale aftrap van de campagne met de opmerking dat haar partij niet bang zou moeten zijn om ‘problemen te benoemen’ ook als ‘elitair links’ dan ‘superboos’ wordt. Na de voor de SP desastreus verlopen verkiezingen – het vijfde verlies op rij – voegde Marijnissen daar tijdens de SP-partijraad aan toe dat de socialisten nóg meer afstand zouden moeten nemen van het ‘soort links’ dat zich niet links ‘gedraagt’. Een kronkelgedachte die moest suggereren dat de ‘woke thema’s’ en aandacht voor de klimaatcrisis bij PvdA en GroenLinks afbreuk zouden doen aan de door de SP gedragen opvatting dat links zich alleen met de portemonnee van mensen zou moeten bezighouden.

Die fel gezochte polemiek met wat op papier toch leden van dezelfde politieke familie zijn mag niet verbazen. Het legt in optima forma de ideologische gespletenheid bloot die de SP al veel langer wordt aangerekend. De partij probeert twee onverenigbare denkwerelden met elkaar te verenigen, waarbij ze, deels gemotiveerd door trotse anti-establishment-gevoelens, tegelijk links én niet links wil zijn.

Enerzijds beroept de SP zich op de oude gedachte van internationale solidariteit, het oorspronkelijke hart van het socialisme dat geen boodschap heeft aan landsgrenzen, slechts aan morele grenzen waar de menselijke waardigheid om vraagt en die zo vaak door het kapitalisme met voeten wordt getreden. ‘Heel de mens’, luidt niet voor niets de titel van het beginselprogramma van de partij. Dat uitgangspunt krijgt bij de partij vorm in systeemkritiek, verzet tegen uitbuiting en machtsmisbruik, maar ook in de gedachte van lotsverbondenheid met mensen in de verdrukking, ongeacht hun nationaliteit of een ander ‘bourgeois’ sociaal construct, zoals vroegere socialisten dat weleens noemden.

Als verschuivende politieke verhoudingen, linkse blokvorming en rechtse pogingen tot machtsconsolidatie straks vragen om politieke helderheid, zet de SP daarmee haar relevantie en toekomst op het spel.

Anderzijds put de SP uit een nationalistisch vocabulaire van vervreemding, etnische homogeniteit en natiestaat-denken dat zich onder andere vertaalt naar de gesuggereerde tegenstelling tussen migranten en ‘gewone mensen’. In die ideeënwereld worden kritiek op de perverterende dynamiek van kapitaal en markt en de strijd voor menselijke waardigheid ingeruild voor een volksnationalistisch sentiment dat de eigen afgebakende gemeenschap leidend maakt bij het bepalen wiens belangen de socialisten willen dienen, wanneer ze hun solidariteit opschorten en wat ze beschouwen als ‘legitieme’ politieke problemen.

Dat de SP die twee onverenigbare werelden tóch probeert te verenigen is allerminst nieuw. Maar in een politiek spectrum waarin rechts en radicaal-rechts domineren begint het steeds zwaarder te wegen. Het confronteert de door interne onrust geteisterde partij steeds indringender met een geloofwaardigheidsvraag: ten behoeve van welke krachten wil de partij haar rol in de Nederlandse politiek nu eigenlijk vervullen? En als dat niet de linkerkant van het spectrum is, wat dan wél?

Vooralsnog blijft het antwoord daarop troebel, ondanks zorgwekkende peilingen waarin kiezers naar de andere linkse partijen bewegen. Als verschuivende politieke verhoudingen, linkse blokvorming en rechtse pogingen tot machtsconsolidatie straks vragen om politieke helderheid, zet de SP daarmee haar relevantie en toekomst op het spel.

Fundamentele gespletenheid

In theorie is de ideologische dubbelzinnigheid van de partij opvallend omdat juist het socialisme zo’n evidente eenheid van denken lijkt te suggereren. Maar bij de SP strijden socialisme en volksnationalistische sentimenten beurtelings om bevestiging. En dat is niet van recente datum. Het is een rode draad sinds haar oprichting, dit jaar vijftig jaar geleden.

De eerste beginselverklaring van de nog maoïstisch revolutionaire ‘Socialistiese Partij’ uit 1974 geeft al meer dan een suggestie: ‘De Socialistiese Partij stelt vast dat het kapitalisme het bestaan van de Nederlandse bevolking bedreigt’. Om vervolgens te onderbouwen waarom: er is genoeg, maar de welvaart komt veel mensen niet ten goede, wél aan ‘een kleine groep kapitaalbezitters, die zich van het werk van miljoenen Nederlanders meester maakt’.

De internationale dimensie uit het klassieke socialisme ontbreekt niet: ‘De SP stelt zich in dienst van de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk en van de wereldbevolking’, schrijven de auteurs even later. Maar de tekst ademt in grote mate ook de nationaal georiënteerde uitgangspunten van het maoïstische en stalinistische denken, de gedachte van socialisme voor het eigen land, het eigen volk, de eigen arbeider.

Begin jaren tachtig begint de spanning die dat oplevert zichtbaar te worden als de SP zich mengt in wat toen het ‘minderhedendebat’ heette. De partij schrijft in 1983 een nota getiteld Gastarbeid en kapitaal. Naast het standpunt dat de overheid in Nederland ‘buitenlanders’ met een rijkspremie van 75.000 gulden de ‘keuze’ moet bieden te remigreren – een ‘oprotpremie’– wordt de nota gekenmerkt door enorme generalisaties van nieuwkomers en de gedachte dat, onder het mom van ‘een achterstand in ontwikkeling’, integratie tegelijk absoluut voorwaardelijk én nagenoeg onmogelijk is.

Nog verder gaat een bijlage bij de nota van stalinist Theun de Vries die vol hardvochtige en absurd racistische karikaturen van vooral nieuwkomers uit moslimlanden staat. Marokkanen en Turken worden weggezet als onderdanig en onaangepast: ‘Zelfs de WC’s zijn voor hen dikwijls vreemde dingen’. De Islam wordt door De Vries vervolgens gereduceerd tot een ‘Fremdkörper in onze samenleving’ met ‘een gedragspatroon, dat de originele achterlijkheid halsstarrig in stand houdt’.

Op geen moment in de geschiedenis van de SP is die volksnationalistische reflex echt verdwenen.

De reacties op de nota waren fel, onder andere van de kant van de FNV (‘De SP bewandelt met deze nota de verkeerde weg’) en migrantenorganisaties (‘De SP gaat verder dan de Centrumpartij’). De partij werd bovendien uitgesloten van een paar Dag van de Arbeid-vieringen. Enkele SP’ers zegden hun lidmaatschap op, anderen spraken zich uit. Zo waarschuwde het Wageningse raadslid Anneke Berkelmans dat ‘voorkomen moet worden dat ook in zich links noemende kringen aanvallen op de (rechts)positie van buitenlanders ‘een normaal en eerlijk standpunt’ genoemd gaan worden.’

Nadat het stuk langzaam werd vergeten, begonnen verschillende SP-leiders er weer geregeld naar te verwijzen. Zo merkte partij-coryfee Jan Marijnissen midden jaren negentig in gesprek met Vrij Nederland op dat hij er trots op was dat zijn partij ‘ver voor Bolkestein, maar dan ook heel erg ver voor Bolkestein, dit onderwerp op de agenda [had] gezet’ – waarmee hij met een steeds hardvochtiger wordend ‘minderhedendebat’ vooral de vermeende vooruitziende blik van zijn partij wilde claimen.

Ideologisch geschipper

Op geen moment in de geschiedenis van de SP is die volksnationalistische reflex echt verdwenen. Ook het recente verleden bewijst dat. ‘De SP jaagt op de PVV-kiezers,’ kopte Nieuwsuur in 2017. Aanleiding was opnieuw de kwestie van migratie, ditmaal van Oost-Europeanen die de partij uit Nederland wilde weren. ‘Ja, Nederlandse werknemers eerst’, zei toenmalig Tweede Kamerlid voor de SP Paul Ulenbelt tegenover de camera van Nieuwsuur, om daarna Geert Wilders geen moreel tekortkomen te verwijten maar slechts gedraai: toen die nog VVD-Kamerlid was, had hij er toch allemaal mee ingestemd? Daarmee echode Ulenbelt ook Emile Roemer, die zich als partijleider in 2010 tijdens zijn eerste optreden had laten ontvallen dat Wilders weliswaar ‘een aantal problemen die onder mensen leven goed weet te verwoorden’, maar dat de SP die problemen ‘al veel eerder had gesignaleerd.’

Hoezeer dat volksnationalistische sentiment tot ideologisch geschipper leidt, komt ook naar voren in hoe de partij zich uitspreekt over de Europese samenwerking. Ook daar valt op hoezeer de socialisten het nationalistisch vocabulaire imiteren. Zo zei Jan Marijnissen bij de totstandkoming van de Europese Unie in 1992 met het Verdrag van Maastricht dat deze tot verlies van ‘nationale eigenheid’ zou leiden.

Op haar beurt vond Lilian Marijnissen in haar Europalezing van 2019 weliswaar dat het internationalisme onlosmakelijk met het socialisme verbonden is – ‘Ik ben een socialist en dus een internationalist’ – maar hield ze tegelijkertijd een lofrede op de natie die in de kern niet afweek van het rechtse vertoog. Bovendien bevatte haar verhaal een aantal rechts-nationalistische hondenfluitjes (‘baas in eigen huis’), die ze combineerde met het verwijt dat de ‘drammers van Meer Brussel’ zélf verantwoordelijk zouden zijn voor de opleving van nationalisme in Europa.

Ten aanzien van links dient de volksnationalistische opstelling ook een polemisch doel.

Hoe de partij dat laatste punt ook in stelling brengt tegen links, bleek datzelfde jaar uit een SP-campagnefilmpje waarin PvdA-lijsttrekker voor de Europese verkiezingen Frans Timmermans werd gepersifleerd als een veelvraat die de Nederlandse soevereiniteit vanuit Brussel zou ‘opslokken’. Een slecht gelukte imitatie van rechts, die niet verrassend ook het meest werd gewaardeerd door de achterban van PVV en Forum voor Democratie. De Europese verkiezingen werden overigens glansrijk door Timmermans gewonnen. De SP leverde twee zetels in.

Het is verleidelijk om bovenstaande puur en alleen te verklaren door te wijzen op de bij de oprichting van de SP al zichtbare kiemen van ideologische gespletenheid. Evenzeer is het aanlokkelijk het zuiver electoraal te bezien: als een poging tot het creëren van een afgebakend plekje in het spectrum waar andere linkse partijen geen aanspraak op kunnen en willen maken. En voor een deel is dat ook zo.

Maar ten aanzien van links dient de volksnationalistische opstelling ook een polemisch doel. Eénzijdig overigens, omdat de polemiek door PvdA en GroenLinks zelden wordt opgezocht en vaak ook niet wordt beantwoord. Het is een onlosmakelijk onderdeel geworden van de bijna irrationele obsessie van de SP met haar oorspronkelijke anti-establishment politiek. Haar volksnationalistische denkwijze is voor de SP een stok om de links stemmende klasse mee te slaan waar het zo’n antipathie tegen koestert – de klasse die zich volgens de partij verliest in ‘elitair hobbyisme’ en zich niet bewust zou zijn van wat ‘gewone’ mensen nou precies willen, daar waar de SP claimt dat exact te weten.

Om haar anti-establishment imago te handhaven heeft de SP haar nationalistische ideeënreservoir dus simpelweg nódig, ook al botst het finaal met wat historisch gezien steeds de opdracht van het socialisme is geweest, en slaat het de partij alle middelen uit handen om een geloofwaardig en uitgesproken tegengeluid te bieden aan radicaal-rechts.

Antiracisme

Misschien dat de ideologische gespletenheid van de SP in deze tijd wel het meest uitgesproken naar voren komt in het antiracismedebat. Daar weet de SP zich simpelweg geen houding aan te meten. Exemplarisch was een optreden van Lilian Marijnissen bij Nieuwsuur in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen in 2021 waarin ze door presentator Jeroen Wollaars werd ondervraagd over haar opvattingen over het thema.

Het was niet alleen de overdreven gezichtsmimiek en de (gespeelde?) onwetendheid waarmee Marijnissen reageerde op de vraag wat ze van ‘woke’ vond – ‘ik weet niet of alle mensen thuis weten wat woke is’ – die het ongemak verraadden, maar vooral de opzichtige onwil iets wezenlijks te zeggen over racisme. Toen Wollaars daarna aan Marijnissen de actuele vraag voorlegde of ze een voorkeur heeft voor ‘blank’ of ‘wit’ – een kwestie die veel meer om het lijf heeft dan alleen woordgebruik – volgde ontwijkend gestuntel. Even later beantwoordde Marijnissen de stelling van een in de studio uitgenodigde partijgenoot dat er vooral vanuit jongeren kritiek klinkt dat de SP zich niet vocaal mengt in de discussie over racisme met de zin: ‘Ik spreek die mensen niet’.

De verdedigende opstelling van Marijnissen verraadde dat het racismedebat genadeloos de conflicterende loyaliteiten in het ideologische hart van de SP blootlegt: die tussen enerzijds een socialistisch begrip van solidariteit dat simpelweg niet opgeschort kan worden als het naast klasse ook aan kleur raakt, en anderzijds een volksnationalisme dat op de kwestie van racisme- en discriminatie reageert met een soms bijna komische ‘daar moeten we niet zo veel van hebben’-houding.

Dat bleek opnieuw toen SP-Kamerlid Renske Leijten en BIJ1-fractievoorzitter Sylvana Simons tijdens een begrotingsdebat in oktober vorig jaar botsten. Leijten vroeg Simons naar aanleiding van enkele beschuldigende tweets van BIJ1-leden of ze haar een racist vond, waarop Simons antwoordde dat ze haar collega-Kamerlid onvoldoende kende om daar antwoord op te kunnen geven. Het was niet zozeer die woordenwisseling waar het ongemak uit sprak als wel het grote ongeloof en de bijna kinderlijke verontwaardiging van Leijten die niet inging op de inhoud van de tweets maar op de vermeende absurditeit van de beschuldiging zelf.

Het ideologische ongemak van de SP bij het antiracismedebat wordt ook binnen de partij regelmatig benoemd. In Rotterdam speelde het eind vorig jaar zelfs een rol in de splitsing in de lokale fractie. Directe aanleiding was de affaire rond de kritische jongerenvereniging ROOD – waar de SP gehaast de banden mee doorsneed – maar ook de opstelling van de partij ten aanzien van racisme- en discriminatie woog mee.

‘De landelijke partij is terughoudend zich daartegen uit te spreken’, stelde afdelingsvoorzitter Tijs Hardam (inmiddels voorzitter van de afsplitsing Socialisten 010) en ‘heeft soms de neiging om afdelingen terug te fluiten en te zeggen: daar moet je niet zo radicaal in zijn.’ De stelling wordt geschraagd door het feit dat de partij tijdens de grote Black Lives Matter-demonstraties in 2020 grotendeels stil bleef. Het vormde de aanleiding voor de afsplitsing van Socialisten 010.

In het najaar van 2020 was de discussie over de vraag, in de woorden van NRC, ‘of de socialisten de antiracismebeweging vol overtuiging moeten omarmen of niet’ al losgebarsten. Toenmalig fractievoorzitter in Amersfoort Marijke Jongerman verklaarde uit de partij te stappen omdat ‘mensen die de strijd tegen racisme en discriminatie wel willen voeren, veelal leden van een minderheid’ door de SP werden verweten ‘dat ze af zou[den] leiden van de ‘echte strijd’ en ‘pionnen van een elite’ zouden zijn die verdeeldheid tussen klassen wil zaaien. Haar reactie was scherp: ‘Mensen strijden niet tegen racisme omdat ze de klassenstrijd willen ondermijnen, maar omdat ze gelijk behandeld willen worden net als ieder ander mens.’

Aanleiding voor het opstappen van Jongerman was een artikel van toenmalig Tweede Kamerlid Ronald van Raak waarin hij racismebestrijding en het doorbreken van ongelijkheid langs lijnen van klasse tegenover elkaar uitspeelde en onverenigbaar verklaarde. Precies in die stelling dook weer het oude pijnpunt van conflicterende uitgangspunten op, uitgangspunten die binnen het socialisme helemaal niet conflicterend zouden hoeven zijn, maar aanvullend in een strijd tegen systemische onrechtvaardigheid.

Kruispunt

Met die voorgeschiedenis en de slechte verkiezingsuitslagen van de afgelopen jaren in het achterhoofd bevindt de SP zich op een kruispunt. Er dringt zich een keuze op tussen verbeten vasthouden aan haar oude ideologische gespletenheid en doorgaan met het de maat nemen van links en het breken daarmee ten behoeve van een onvervalst socialisme dat zichzelf die januskop principieel niet meer toestaat.

Het eigenaardige is dat de SP in beginsel sterke ideologische papieren zou hebben om in deze tijd op links een rol van betekenis te spelen. Het enthousiasme voor democratisch socialisme neemt – met name onder jongeren – toe. Evenzeer waar het de aanpak van de klimaatcrisis betreft, een crisis die direct samenhangt met de manier waarop er geproduceerd en verdeeld wordt. Daarbij kan de SP zich óók beroepen op het feit dat het een aantal zaken op sociaaleconomisch gebied in een veel eerder stadium, al voor de eeuwwisseling, goed heeft voorspeld.

Tegelijkertijd is het de vraag of de SP die weg alleen moet bewandelen en of het niet veeleer, in plaats van de aanval op te openen, de geestverwantschap moet zoeken van PvdA en GroenLinks, twee partijen die elkaar steeds dichter naderen. Een doorbraak in het huidige politieke spectrum waarin rechts in het parlement domineert zou met een van gedaante veranderde SP veel reëler worden.

Dat die partijen de missie van de SP om het kapitalisme als systeem en cultuur te bestrijden inmiddels voor een belangrijk deel nastreven zou daarbij zwaar mogen wegen. Er lijkt langzaam een nieuw ideologisch energiepunt op links te ontstaan, en wat daaruit voort gaat vloeien, hangt mede af van de bereidheid van de huidige linkse partijen er gezamenlijk richting en vorm aan te geven, zoals de socialisten dat recent in Frankrijk deden samen met de Groenen en La France insoumise van Jean-Luc Mélenchon.

Vooralsnog blijft de SP koppig solistisch. Vorige maand stelde Marijnissen niet rouwig te zijn om het feit dat haar partij geen rol speelt bij de steeds hechtere samenwerking tussen PvdA en GroenLinks, waarbij ze zich naast een aantal programmatische verschillen wederom beriep op nestgeur: ‘Wij zijn normaal (…) wij zijn wat nuchterder en volkser.’ In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen had de partijleider ook al de boot afgehouden: ‘We werken ook heel goed samen met het CDA.’

Dat de SP haar eigen koers zal blijven varen is niet zonder risico. Niet alleen dreigt de partij zichzelf dan te isoleren en te veroordelen tot een nóg langere periode van vruchteloze verontwaardiging aan de zijlijn, het zet ook haar toekomst als geloofwaardige socialistische partij in het Nederlandse politieke landschap op het spel. Want het heeft er inmiddels alle schijn van dat haar ideologische gespletenheid fungeert als houtrot aan haar basis. En vroeg of laat dreigt dan instortingsgevaar.