In de ene na de andere peiling scoort het kabinet-Rutte de laatste weken lager dan ooit. Volgens het onderzoek van I&O Research voor NRC is bijna tachtig procent van de Nederlanders het vertrouwen in het kabinet helemaal kwijt, en krijgt Mark Rutte zelf als waarderingscijfer een 4,5: niet eerder scoorde de tot dusverre ongenaakbare premier zo laag.

Maar nog harder krijgt minister van Financiën en D66-leider Sigrid Kaag het te verduren: haar waardering is gedaald naar een povere 4,1. De Prinsjesdagpeiling van EenVandaag meldde zelfs dat het kabinet is gezakt naar een 3,1, en dat niet meer dan een treurige 16 procent van de Nederlanders enig vertrouwen heeft in minister Kaag. ‘Ik heb het niet gelezen,’ was haar reactie. ‘Ik weet dat ik werk naar eer en geweten. Ik heb natuurlijk een moeilijke taak: minister van Financiën in een de facto oorlogstijd. Wij doen het beste. En ik werk niet voor populariteit, ik werk om het juiste te doen voor het land, en daar heb ik vrede mee.’

Dat mag zo zijn, maar eerdere ministers van Financiën werden steevast hoog gewaardeerd, van Onno Ruding tot Wim Kok, van Wouter Bos tot Wopke Hoekstra. Maakt niet uit wat ze deden: als ze verantwoordelijk waren voor harde bezuinigingen in crisistijd hielden ze knap de hand op de knip, als ze bakken geld uitgaven in de hoogconjunctuur waren ze de grote weldoener. Zo werkt het kennelijk in dit land van kruideniers: de bewaarder van de schatkist is boven iedere twijfel verheven. Behalve dus Sigrid Kaag, de eerste vrouwelijke minister van Financiën, die nu verantwoordelijk is voor het construeren van het grootste koopkrachtpakket uit de Nederlandse geschiedenis.

brandende fakkel

Wat niet hielp voor Kaags populariteit is de vanaf het begin soms wat elitaire, hautaine toon die ze onbedoeld aansloeg, zoals haar beruchte opmerking op de achterbank van de dienstauto over de FvD-kiezers: ‘Wie zíjn die mensen die daarop stemmen?’ Zo vestigde zich het beeld dat ze door haar lange jaren als diplomaat in het buitenland weinig gevoel had voor wat er in Nederland leefde. Evenmin behulpzaam was het dat Kaag tijdens de verkiezingen ‘nieuw leiderschap’ beloofde en zich vervolgens na een ellenlange formatie gedwongen zag toch met Mark ‘functie elders’ Rutte een coalitie te sluiten. En wat de laatste tijd al helemaal niet hielp was haar onzichtbaarheid in de zomermaanden, terwijl de armoede in Nederland om zich heen greep door de inflatie en de stijgende energieprijzen.

Heel lang geleden is het niet dat er een man met een brandende fakkel bij Kaag voor de deur stond, waarna ze een boekje opendeed over de gruwelijke scheldpartijen en doodsbedreigingen.

In de Tweede Kamer, in de pers en op de sociale media wordt Kaag inmiddels zo onbarmhartig over de hekel gehaald dat ze geen goed meer kan doen. Als ze glimlacht tijdens de troonrede neemt ze de zorgen van de mensen niet serieus, als ze níet glimlacht is ze een kille technocraat. En intussen wrijven politici als Geert Wilders met duivels genoegen zout in de wonden. Al in de eerste minuten van de Algemene Politieke Beschouwingen deze week brandde de PVV-leider los: ‘En de gouden bezem, die gaat dit jaar naar mevrouw Kaag. Zij staat met stip op één als de meest onbetrouwbare politicus. Gefeliciteerd ermee, mevrouw, toch knap dat u zelfs Rutte en De Jonge weer voorbij bent gevlogen!’

Ik zal niet de enige zijn die even om de opmerkingen van Wilders moest grinniken. Maar hoe lollig de beeldspraak van de heks op de bezemsteel misschien ook lijkt, onschuldig is hij niet. Dezelfde ochtend viel mijn oog op een artikel in NRC over het pleidooi van D66 Roermond voor eerherstel voor zo’n 75 heksen die daar in de zeventiende eeuw ter dood werden gebracht.

Een oproep om recht te zetten wat vier eeuwen geleden is gebeurd lijkt me vooral modieuze praat – er is in het verre verleden wel meer verschrikkelijks voorgevallen, en vrouwenhaat en al dan niet bewust seksisme help je de wereld niet uit met ahistorische symboolpolitiek. Maar op zichzelf kan wat meer aandacht voor de heksenvervolgingen geen kwaad, zoals historicus Steije Hofhuis in het artikel betoogt, al was het maar vanwege de parallellen met het heden. Want heel lang geleden is het niet dat er een man met een brandende fakkel bij Sigrid Kaag voor de deur stond, waarna ze een boekje opendeed over de gruwelijke scheldpartijen en doodsbedreigingen waar ze dagelijks mee te maken heeft.

wantrouwen

Het was dan ook best begrijpelijk dat voor de bewindsvrouw een grens was bereikt toen Thierry Baudet aan het begin van de avond tijdens de Algemene Beschouwingen stelde dat St Antony’s College in Oxford, ‘waar Sigrid Kaag heeft gestudeerd’, niets anders zou zijn dan een ‘opleidingsinstituut voor de geheime dienst’ – die op haar beurt weer dienstbaar zou zijn aan het door Baudet verfoeide ‘globalisme’. Waarop Kaag verontwaardigd de Kamerzaal verliet, gevolgd door de rest van het kabinet.

Aan Mark Rutte’s body language was te zien dat hij aanvankelijk wilde blijven zitten, met een geamuseerd glimlachje op zijn gezicht, alsof hij wilde zeggen: laat Baudet maar kletsen. Dat was ook wel zo tactisch geweest, want als het kabinet niet was opgestaan had waarschijnlijk geen haan gekraaid naar de insinuerende opmerkingen van Baudet. En een sterk beeld was het niet: een kabinet dat de plaat poetst als een Kamerlid gekke dingen zegt. Koren op de molen van de al genoemde groeiende schare mensen die de politiek toch al wantrouwen.

En zo belandde Sigrid Kaag, die naar eigen zeggen de grenzen van haar integriteit wilde bewaren, politiek in een nog neteliger parket.

Bovendien betoogde Geert Wilders, de gehaaide parlementariër die het Reglement van Orde van de Tweede Kamer uit z’n hoofd kent, onder bijval van nestor van de Kamer Kees van der Staaij, dat het niet aan het kabinet is om een debat te beëindigen, maar aan de Kamer. Maar toen was het leed dus al geschied.

En zo belandde Sigrid Kaag, die naar eigen zeggen de grenzen van haar integriteit wilde bewaren, politiek in een nog neteliger parket.

De les van dit alles? Woorden zijn niet onschuldig.