Wie aan het humanisme denkt, denkt aan Erasmus. Maar Erasmus zag zelf in Rudolf Agricola een vijftiende eeuwse voorganger. Agricola brak als een van de eerste met de duistere middeleeuwen, zo blijkt uit zijn nu eindelijk uitgegeven brieven.

Rudolf Agricola was de eerste Nederlander die er in de vijftiende eeuw werk van maakte schrijvers van de klassieke oudheid als Cicero, Quintillianus, Seneca en Isocrates terug te halen uit de relatieve vergetelheid. Hij had een speciale affiniteit met Lucianus van Samosato. Van deze satiricus, ironicus – en sommigen zeggen cynicus – vertaalde hij onder meer Mycillus, een dialoog tussen een schoenmaker en zijn haan. De schoenmaker houdt er maar niet over op dat hij zo graag heel rijk wil zijn. Zijn haan wekt hem in de vroege ochtend uit een droom over gouden bergen. De haan besluit de schoenmaker het schijngeluk van de hogere standen te laten zien. De rijken, zo houdt hij hem voor, stikken bijna in de zorgen over hun hachelijke fortuin, ze leven altijd met de angst dat ze hun geld op een dag kwijt zijn. Wanneer dit tot de schoenmaker doordringt houdt hij het toch liever bij zijn eigen bestaan.

Dat Agricola (1444-1485) uitgerekend het werk van Lucianus (125-180 n.Chr) koos om te vertalen paste goed in zijn ideeën over de noodzaak van een algehele transformatie van de Europese cultuur: van een verkalkt christendom naar een zich naar alle kanten openend humanisme. Lucianus maakte de laatste resten van een gemummificeerde cultuur belachelijk waarvan de waarden nog alleen plichtmatig in ere werden gehouden, schreef Menno ter Braak in een recensie van een toneelopvoering van Mycillus in 1933.

Wij leren voor het leven, niet voor de school.

Agricola verzette zich op zijn beurt tegen de totaal in zichzelf gekeerde middeleeuwse scholastiek, het samengaan van filosofie en theologie dat zorgde voor vruchteloze haarkloverijen op de vierkante centimeter. De scholastici ‘slijten hun dagen op de ingewikkelde kronkelwegen van hun redetwisten, van hun raadsels, raadsels waarvoor zij nu al eeuwen geen Oedipus gevonden hebben om ze op te lossen en die ze ook nooit zullen vinden. Daarmee stoppen ze de oren van de arme jongens vol, die dringen zij ze steeds maar op, die stampen zij erin.’ Dit schrijft Agricola in De formando studio (Het vermogen van de studie), een brief over de vruchtbaarste manier van studeren die in de zestiende eeuw als leidraad voor veel universiteiten zou worden gebruikt. De grammatica, dialectica en retorica moesten voor Agricola in het teken staan van de praktische toepassing: ‘Wij leren voor het leven, niet voor de school’ zei hij Seneca na.

Lucianus van Samosata

Agricola vertaalde Lucianus’ dialoog over het schijngeluk van de rijkdom ook omdat hij een afkeer had van ‘het vullen van de beurs’ ten koste van de geest. In zijn studieadviezen aan zijn vriend Jacob Barbireau in Antwerpen houdt hij hem voor dat hij, als hij uit is op winst, natuurlijk voor ‘kletsvakken’ met een hoog gehalte aan ‘holle prietpraat’ kan kiezen: ‘Als jij je dus laat leiden door de gedachte aan winst, dan kun je een van die meer aanzienlijke vakken volgen om rijk te worden, als je maar wel weet dat je de roem, gesteld dat hij je ten deel valt, gemeen zult hebben met de woekeraar.’

Eeuwige student

Agricola (Latijn voor Huisman) werd geboren in de buurt van Groningen. Hij ging er, gezegend met een toelage die hem in staat stelde onbeperkt te studeren, al vroeg op uit om overal te studeren waren hij kon: in Erfurt, Keulen, Leuven, Pavia, Ferrara en Heidelberg. Hij studeerde negen jaar in Erfurt, een centrum van het beginnende humanisme, daarna vier jaar in Leuven waar hij de graad van Magister haalde. Daarna was hij zes jaar in Pavia, waar hij een tijdje tegen zijn zin rechten studeerde, maar al snel overstapte op de ‘artes liberales’, waaronder het nog beter beoefenen van het praktisch Latijn, waarin hij al snel in het openbaar uitblonk.

Agricola was een eeuwige student en eeuwige docent. In 1476 houdt hij in Ferrara een lofrede op de filosofie, de welsprekendheid en het verwerven van kennis. Alles stond bij Agricola in het teken van het praktisch nut, van de tastbare werkelijkheid. Hij wilde het niet hebben over een oeverloos onderwerp als de theologie, maar zijn illustere toehoorders wilde hij ook niet tegen het hoofd stoten. Hij schreef dat hij tekort zou schieten als hij de theologie ter sprake zou brengen. Daarom betrachtte hij liever een ‘bewonderende zwijgzaamheid.’ Liever had hij het over Socrates die ‘als eerste de filosofie uit de hemel heeft doen neerdalen en haar in de steden en onder de mensen bracht.’

Agricola bracht de literatuur naar de filosofie. De moraalfilosofie moet niet alleen aan de hand van Aristoteles, Cicero of Seneca bestudeerd worden, maar ook door het raadplegen van historici, dichters, toneelschrijvers en redenaars. Die zijn niet theoretisch of abstract. Zij houden de mensen een spiegel voor, ze geven voorbeelden die voor een effectief inzicht zorgen.

Poespas

In Rudolf Agricola, Brieven, levens en lof, het boek dat Fokke Akkerman en Adrie van der Laan hebben samengesteld, staan eindelijk de vijfenvijftig brieven van en aan Agricola die bewaard zijn gebleven. Ook staan hierin de verschillende korte biografieën die over hem gemaakt zijn door vrienden en collega’s. Die zijn maar betrekkelijk interessant omdat ze veelal hetzelfde verhaal van zijn levensloop vertellen en nauwelijks iets over zijn werk bevatten. Ze staan ook bol van de lof. Er zijn niet veel brieven van Agricola waarin inhoudelijk veel substantieels staat, behalve de lange brief 38 aan Jacob Barbireau die later De formando studio zou gaan heten. Het schrijven van brieven ging in die tijd gepaard met een overvloed aan ruis: plichtplegingen, beleefdheden, omhaal van woorden en retorische wendingen. Veel poespas. Agricolas welsprekendheid komt hem vaak goed van pas, maar verleidt hem ook tot veel kletspraat.

Desiderius Erasmus

Hoe waardevol deze uitgave met de brieven ook is, de wenselijkheid van een Nederlandse uitgave van Agricolas verzameld werk en speciaal zijn hoofdwerk Over de dialectische vinding wordt er des urgenter door. In 1991 heeft Marc van der Poel in Rudolf Agricola. Over dialectica en humanisme delen van het boek over de dialectiek gepubliceerd, maar het wordt tijd voor een integrale uitgave (die wel in het Duits en Frans bestaan). Agricola ontwerpt in deze werken een geheel eigen argumentatieleer. Hij gaat heel praktisch en pragmatisch te werk door redeneringen op te bouwen aan de hand van ‘vindplaatsen’ waar argumenten voor en tegen uit afgeleid kunnen worden. Agricola komt steeds met concrete voorbeelden, terwijl het toch een min of meer theoretisch boekwerk is.

Agricola was in zijn tijd een vermaarde geleerde die ook door Erasmus, die hem als twaalfjarige een toespraak heeft zien houden in Deventer, werd gewaardeerd. In zijn brieven noemt Erasmus hem vijftig keer als een pionier van de ‘bonae litterae’, de goede literatuur waarin helderheid, stijlgevoel en retorische gaven naar klassiek voorbeeld worden beoefend: ‘De wereld aan deze kant van de Alpen heeft (…) niemand voortgebracht die over meer literaire talenten beschikte,’ schrijft Erasmus over Agricola in zijn Adagia. Erasmus moet bij het schrijven van zijn eigen boek over Seneca zijn voordeel gedaan hebben met Agricola’s commentaar op Seneca. Ook is gewezen (op de informatieve website over Agricola van de Koninklijke Bibliotheek) op de parallellen tussen Erasmus’ De copia en het derde deel van Over de dialectische vinding waar het gaat over het verfraaien van teksten door de juiste keuze van woorden.

Wantrouw alles wat je geleerd hebt, veroordeel en verwerp het, tot je bij de beste schrijvers de juiste woorden en inzichten aantreft.

Humanisme als taalvernieuwing

Hoe beleefd en wellevend Agricola in zijn brieven tegenover iedereen ook is, ondertussen was hij scherp en kritisch ten opzichte van zijn tijd en de nog grotendeels middeleeuwse wereld waarin hij leefde. Hij verkeerde doorgaans in hoge kringen en had weinig gevoel voor ‘het ruwe en boosaardige volk’ uit zijn geboortestreek. Het interessante aan Agricola is zijn enorme ambitie om verandering te brengen in het denken, in de smaak, in het gevoel voor literatuur, voor woorden en voor taal. Wantrouw alles wat je geleerd hebt, schrijft hij, veroordeel en verwerp het, tot je bij de beste schrijvers de juiste woorden en inzichten aantreft. Daaruit bedenk je vervolgens zelf iets nieuws.

Humanisme, wordt wel gezegd, was taalvernieuwing. De vernieuwing zat hem in het verdwijnen van het mistige theologische taalgebruik, in de opkomst van verzorgde omgangstaal, om retorische gaven. De ‘barbarij’ moest achter worden gelaten. Iemand als Lucianus moet bevorderlijk zijn geweest voor de kritische zin van Agricola. En niet alleen voor Agricola. Er is alle reden om de betekenis van Lucianus voor Agricola, Erasmus (Lof der zotheid is ondenkbaar zonder Lucianus) en Thomas More (Utopia) niet te onderschatten. Alle drie hebben ze hem vertaald (Erasmus het meest) alle drie hebben ze de invloed van zijn satirische en prikkelende geest ondergaan. Lucianus (schrijver van de satirische dialoog De wijsgerenveiling) is voor het ontstaan van het humanisme en de kritische zin cruciaal geweest.

Rudolf Agricola, Brieven, levens en lof. Van Petrarca tot Erasmus. Vertaald, bezorgd en ingeleid door Fokke Akkerman & Adrie van der Laan, uitgegeven door de Wereldbibliotheek.