De spijkerbroek met scheuren en rafels is geen erg onderscheidend kledingstuk meer. Maar wegdenken kan niet, ook al zegt Esquire, dat het kan weten, dat het over is met de scheuren en de rafels. De ripped jeans wordt nog steeds geassocieerd met bij de jeugd horende dwarsigheid, teruggaand op de punk van de jaren tachtig. Die maakte van de scheuren een libertijnse stijl. Of je het nu bewust bent of niet, een gescheurde spijkerbroek drukt uit dat je nadrukkelijk geen burgerlijke perfectie wilt uitstralen. Je bent nog niet helemaal aangepast. De gewone burgers dragen inmiddels ook spijkerbroeken, maar die zijn schoon en heel. Geen rafels.
Zou er in de zestiende eeuw door de Europese adel van Florence tot Amsterdam ook zo over de rol van kleding gedacht zijn? Ja, heel erg, zelfs over de wenselijkheid van rafels. Op de schitterende tentoonstelling ‘Vergeet mij niet’ in het Rijksmuseum worden aan de hand van portretten, bustes, penningen, tekeningen en reliëfs negen thema’s behandeld waarbij kleding een grote rol speelt: in de portrettering van het gezag en de macht, bij het realiseren van ambities, het tonen van devotie, in het huwelijk, bij het uitdragen van geleerdheid, bij het ervoor zorgen dat je bewonderd wordt, in de liefde en bij het uitstralen van allure.
hier staan gewone stervelingen buiten
Er was indertijd nogal wat discussie of de schilderkunst wel in staat was om het innerlijk en de morele kwaliteiten van iemand te tonen, het ging bij het schilderen immers om de buitenkant, het uiterlijk. De kunstenaar kon met een gezicht misschien een karakter uitdrukken, maar de kleding was minstens zo onmisbaar om de geportretteerde te plaatsen.
Hun status kon waarschijnlijk wel wat rafels gebruiken: zoveel perfectie, sprezzatura en arrogantie moet een beetje rafelen om niet aanstootgevend te worden.
Zie de verbluffende portretten die William Scrots maakte van de twee neven van Karel V, aartshertog en latere keizer Maximiliaan II op 17-jarige leeftijd en aartshertog Ferdinand II van Tirol op 15-jarige leeftijd, allebei uit 1544 toen hun oom nog volop over Europa heerste. Hun donkere, elegant getailleerde tuniek met de verticale gouden strepen, gecombineerd met de ondubbelzinnige driehoekige renaissance-elleboog, drukt een en al soevereiniteit en zelfverzekerdheid uit. De arrogante uitdrukking op het gezicht van Maximiliaan en de iets bescheidener blik van Ferdinand, maken deze twee portretten tot het summum van zelfvertrouwen – hier staan gewone stervelingen buiten. De losjes gestrekte vingers en de stevige handen drukken tegelijk ontspanning en spanning uit. De smalle geplisseerde kraagjes en de frivool golvende manchetten zijn bedoeld om de strenge uitstraling te verzachten. Verpletterende portretten.

Maar het meest geraffineerd zijn de splitten die in de zwarte stof zijn gesneden. Daardoor ontstaat een sterrenhemel van lichtgevende streepjes. Friso Lammertse schrijft in de catalogus dat deze inkepingen bewust niet zijn afgewerkt of weggewerkt. Daardoor is bij de ellebogen en de mouwen goed te zien dat de rafels erbij hangen. Deze rafels zijn chique. Hier zien we een koninklijke variant van de hedendaagse ripped jeans. Deze jonge heren zullen er zelf niets mee te maken hebben gehad, maar hun kleedsters moeten gedacht hebben dat hun status wel wat rafels kon gebruiken: zoveel perfectie, sprezzatura en arrogantie moet een beetje rafelen om niet aanstootgevend te worden.
weeldewetten
Er zijn op de tentoonstelling ook twee tegenhangers van Maximiliaan en Ferdinand te zien: de anonieme portretten van de zeven- of achtjarige jongens van Ambrosius Holbein uit 1516. De bescheiden uitdrukking op hun gezicht is al genoeg, maar hun eenvoudige maar subtiele tuniek met de uitgekiende strepen doen de rest om er lang bij stil te staan.

De renaissance was een tijd waarin op schilderijen alles betekenis kon hebben. Elk portret bevat wel details waaraan is af te lezen tot welke stand iemand behoort of aan welke voorwerpen gehecht wordt. De kleur van een jas zegt al genoeg. Karmozijnrood mocht alleen gedragen worden door belangrijke hovelingen. Goud- en zilverdraad was volgens de ‘weeldewetten’ alleen voor hooggeplaatsten. Damast of satijn mocht je alleen gebruiken als je kon aantonen dat je minstens twee paarden bezat. In Venetië golden nog extra strenge regels: patriciërs en burgers moesten allemaal een zwarte toga aan en een zwart hoofddeksel op.
Aanvankelijk vond men het interessant om een portret en profil te laten maken, naar het voorbeeld van de Romeinse keizers op hun munten. Maar onder invloed van de geduchte Engelse koning Hendrik VIII, die zich graag met zijn omvangrijke torso frontaal liet schilderen, lieten steeds meer mannen dat ook doen. Op de tentoonstelling is één vrouw te zien die recht in ons gezicht kijkt: Beetke van Rasquert, een Groningse die na de dood van haar man als een soort kantonrechter van de streek optrad. Haar hondje kijkt mee.
onsterfelijkheid
Briljante portretten zoals op deze tentoonstelling herinneren je eraan dat in de zestiende eeuw het verlangen naar onsterfelijkheid nog maar voor weinig mensen was weggelegd. Daar moest je je portret voor laten schilderen. Nadat Plinius de Oudere hem in de eerste eeuw na Christus voor was gegaan wist Leon Battista Alberti in het jaar 1435 dat de schilderkunst een ‘goddelijke kracht’ (een forza divina) bezat. Die kon ervoor zorgen dat afwezigen toch aanwezig konden zijn en dus een beetje onsterfelijk. (Wij zijn nu inmiddels zo koninklijk bevoorrecht dat iedereen kan beschikken over foto’s, geluidsopnamen en alle soorten bewegende beelden van geliefden, vrienden, gezinnen en aanhang. Onsterfelijkheid bestaat.)
Rond 1500, toen de eerste grote bloei van het portret plaatshad, ging men van de gelegenheid gebruik maken zichzelf zo getrouw en voordelig mogelijk geportretteerd te krijgen. Dus lieten Erasmus en zijn Antwerpse vriend Pieter Gillis zich in 1517 door Quinten Massijs schilderen in hun studeerkamer met goed zichtbaar de titels van de boeken die ze hadden geschreven of gezamenlijk gelezen hadden. Die portretten waren bedoeld voor hun Engelse vriend Thomas More die hen allebei een rolletje had gegeven in zijn toekomstroman Utopia (1516). Met deze internationale vriendschap en deze schilderijen begon de res publica literaria, de Republiek der Letteren.
Het verbazingwekkende is dat al deze renaissancistische afstandelijkheid onweerstaanbaar is.
De meeste geportretteerden van ‘Vergeet mij niet’ kennen we niet, vandaar dat alle aandacht uitgaat naar het hoe, het wat en naar de fenomenale kwaliteit van de schilderijen. Het droevige gezicht van Eleonora van Oostenrijk door Joos van Cleve staat haaks op de weelderige opschik van haar jurk. Een kunstwerk op zich. Het harnas van Federico da Montefeltro, de hertog die in het bezit was van de mooiste bibliotheek, staat haaks op wat hij aan het doen is: lezen in een groot boek. De Venetiaanse schilder Titiaan was nogal luxueus ingesteld. Hij gaf Isabella d’Este een stola van een panter. De textuur van de vacht kan niet preciezer, evenmin als het borduursel op haar mouwen. Wat soberheid betreft deed de Zuid-Nederlandse schilder Petrus Christus niet onder voor Leonardo’s eenvoudig geklede Mona Lisa. Zijn Portret van een jonge vrouw (1470) is bijna van porselein. Vermeers Het meisje met de parel (1665) kijkt iets vriendelijker, maar heeft aan dit portret (dat Cees Nooteboom in een gedicht ‘Van alle geschilderde vrouwen/het geheimzinnigst’ noemt), een concurrente.
Het is geen probleem om het bevel ‘Bewonder mij’ op te volgen bij het gelijknamige thema van de tentoonstelling, maar de strakke en profil-portretten van de vrouwen geschilderd door Domenico Ghirlandaio en Piero del Pollaiolo zorgen wel voor enige hoofse distantie. Ze zijn subliem geschilderd, maar het is met de vrouwen in de renaissance bewonderen op gepaste afstand. Het zijn bevroren blikken, mooi aangeklede verstarde houdingen. Als uitzondering is er het portret van een jonge vrouw door Giambatista Moroni. Dat kijkt je met een zijdelingse, beetje schuchtere blik aan, alsof ze benieuwd is wie ze daar zal zien. Het verbazingwekkende is dat al deze renaissancistische afstandelijkheid onweerstaanbaar is.
Emotie of gevoel zie je maar zelden op deze schilderijen. Een enkel lachend gezicht van een meisje op een schilderij van Sofonisba Anguissola. Het koesteren van een baby op een familieportret. Een strenge vader die zijn babyzoon teder vasthoudt, Maria met haar kind. Dat is het wel. Er wordt meestal neutraal of afstandelijk gekeken. Het gezicht van Portret van een jonge vrouw van Petrus Christus op de affiches die nu overal hangen, spant de kroon. Het is fascinerend koud. Hoe moet je de uitdrukking op haar gezicht begrijpen? Zegt het: ‘Wat kom je doen?’ of ‘Blijf uit mijn buurt?’

Het is moeilijk te geloven dat men in de zestiende eeuw dacht dat innerlijke en uiterlijke schoonheid hand in hand gingen. Dat innerlijk is hier tamelijk afwezig. Die indruk had Cees Nooteboom ook toen hij zijn gedicht over dit portret schreef. Ze ziet hem niet staan: ‘Mijn onzichtbaarheid staat in de kou van je ogen’, schrijft hij, nadat hij al haar wantrouwige mond en haar argwanende oogopslag heeft opgemerkt. Toch zegt hij aan het slot van het gedicht dat hij ‘bedelt’ ‘om jouw/licht’. Licht geven doet ze.
‘Vergeet mij niet. Portretten van Dürer tot Sofonisba’ is tot 16 januari 2022 te bezoeken in het Rijksmuseum te Amsterdam.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.