Psychiater en schrijver Menno Oosterhoff staat naast zijn auto te wachten tegenover de bushalte van Garmerwolde, een plattelandsdorp met 495 inwoners vlak bij de stad Groningen. Zelf woont hij een dorpje verderop, in Thesinge. Daar komt de bus niet. Terwijl hij vanaf de bestuurdersstoel de banketletter, de Groninger koek en twee repen chocola die hij heeft gehaald voor tijdens het gesprek op de rommelige achterbank legt, lijkt er iets anders op de grond te vallen. Hij kijkt om, aarzelt en rijdt dan weg.
Een paar minuten later, op het tuinpad naar zijn door weelderig groen omgeven huis, zegt hij dat we het vast ook over dwang gaan hebben en dat de dwangpatiënt in hem het moeilijk vindt dat hij niet zeker weet of er net iets is gevallen, laat staan wat. Maar de auto hoeft niet binnenstebuiten te worden gekeerd, hij gaat het loslaten. Dan opent hij de voordeur van een sprookjesachtig Pippi Langkoushuis. Aardse kleuren, muurschilderingen van dieren en idyllische landschappen, meubelstukken van oud hout – vaak zelf gemaakt –, ingebouwde nisjes met stapels kussens, schapenvellen, gekleurde plaids, ouderwetse schemerlampjes en veel boeken. Twee golden retrievers – moeder en dochter – komen meteen aangeslenterd, vanaf het aanrecht geobserveerd door twee poezen.
Onderweg naar de voorkamer, waar hij om vier uur ’s ochtends al aan het werk was in een oude leren stoel, komen we zijn vrouw Dineke tegen. Zij was tot voor kort directeur van de Vrije School in Groningen. Nu houdt ze zich bezig met stichting KEA, het kenniscentrum voor euthanasie bij psychische aandoeningen, eind oktober officieel in het leven geroepen door haar, Oosterhoff en zijn collega-psychiater Kit Vanmechelen. Met de laatste en met Esther Beukema, een in december 2021 door euthanasie overleden vrouw van 33 die ondraaglijk en uitzichtloos leed aan een psychische stoornis, schreef hij het in mei van dit jaar gepubliceerde boek Laat me gaan, een inzichtelijke en indrukwekkende kijk achter de schermen van zo’n euthanasietraject.
Sinds zowel boek als stichting de nodige media-aandacht kregen, wordt Oosterhoff voortdurend gebeld en gemaild door wanhopige mensen met zware psychiatrische problematiek die niet meer willen leven. Officieel met pensioen als kinder- en jeugdpsychiater bij een GGZ-instelling, werkt hij nu tachtig uur in de week om deze groep patiënten zo goed mogelijk bij te staan. De vraag is veel groter dan het aanbod van artsen dat euthanasie verleent in dit soort gevallen, ook al is het toegestaan volgens de wet ‘toetsing levensbeëindiging op verzoek’. De meeste verzoeken belanden op dit moment desondanks – vaak via doorverwijzingen van artsen in de eerste en de tweede lijn – bij het Expertisecentrum Euthanasie.
Bij het expertisecentrum geldt inmiddels een wachttijd van vaak wel drie jaar voor patiënten met een psychische aandoening, zegt Oosterhoff. ‘Met de stichting willen we een groot netwerk opbouwen van psychiaters en huisartsen. We hopen dan patiënten met hen in contact te brengen. Ook willen we patiënten ondersteunen met een buddysysteem. Euthanasie bij een psychische aandoening zit nog erg in de taboesfeer. De patiënten die erom vragen, zijn vaak lichamelijk gezond en hebben nog jaren te leven. Dat maakt het minder goed bespreekbaar. Ik hoop dat ons boek taboedoorbrekend zal werken, of in elk geval tot meer begrip en erkenning zal leiden.’
Pech in je belevingswereld
Oosterhoff kreeg dat eerder voor elkaar met zijn bestseller Vals alarm – Leven met een dwangstoornis, waarmee hij in 2017 de Antonie Kamerling Award won, een prijs voor het bevorderen van openheid over psychische aandoeningen. In zowel Vals alarm als Laat me gaan, en ook in Ik zie anders niks aan je, zijn boek over psychische aandoeningen en het brein, voert hij zichzelf geregeld op met subtiele humor en relativering. Een dwangpatiënt en arts die veel leest, veel nadenkt, van alles vindt, hoopt en gelooft als het gaat om het samenspel van ziel, geest, brein en lichaam, maar die niet bang is om twijfels te uiten.
‘Ik had eens een patiënt die zei: liever dood dan vies. Vies was alles wat zijn territorium binnendrong. Dat voelde voor hem als verlies van zichzelf.’
‘Psychische problematiek is moeilijker te begrijpen, doch verschilt in wezen niet zoveel van lichamelijke problematiek. Je hebt dan pech in je belevingswereld in plaats van in je lichaam,’ schrijft hij in de proloog van Ik zie anders niks aan je. ‘We kunnen onze innerlijke beleving niet naar believen met wilskracht veranderen. Daar wordt veel te makkelijk over gedacht en dat leidt tot onterechte oordelen en onterecht zelfverwijt.’ Het doel van het werk van een psychiater is in zijn ogen dan ook: soms genezen, vaak verlichten, altijd troosten. Dat lees je terug op elke bladzijde. Ook in de verhalen over de kwetsbaarheid van zijn eigen brein.
Toen u op uw zevende hoorde dat niemand weet hoe de hunebedden zijn gebouwd, was dat een grote teleurstelling voor u. Waarom?
‘Ik ging naar de basisschool en dacht: mooi, nu ga ik het horen. Dat viel dus tegen. Overal drijfzand, nergens houvast. Dat is de titel van een blog die ik laatst schreef naar aanleiding van het verschijnen van een biografie over P.C. Kuiper, een hoogleraar psychiatrie en psychoanalyticus die zelf een psychotische depressie had. De biografie is niet erg lovend over hem en zijn analytische gedachtegoed. Ik schreef dat ik daar onrustig van werd. Hoe oordelen we in 2050 over wat we nu doen? Zeggen we dan ook: wat een onzin hoe ze het toen deden? Dat weet je dus nooit. Ik wil zekerheid en kennis die niet van de tijd afhankelijk is. En die is er niet. Ja, in de wis- en natuurkunde misschien. Ik vind het ook niet prettig dat je van mening kunt veranderen. Want wat is je mening van nu dan waard? Ondermijnend vind ik dat.’
Komt dat door uw dwangstoornis?
‘Als je echt gaat lijden onder dit soort filosofische vraagstukken kan het een dwangstoornis worden. Existentiële OCD heet het dan. Zo erg is het bij mij niet, maar ik vind het wel een heel interessante. Ik had eens een meisje dat ’s avonds niet wilde dat haar vlecht werd uitgedaan, want waar bleef die vlecht dan? Ze kon ook helemaal overstuur raken als restjes verf werden weggegooid. En ik had eens een jongetje dat zijn Lego niet wou opruimen, want ja, waarom had-ie het dan gemaakt. Eerst kwam er een compromis: hij mocht er een fotootje van maken. Dat leidde ertoe dat hij op een zeker moment alles wou fotograferen, tot zijn ontlasting aan toe. Als hij op het strand zijn voetsporen zag, werd hij helemaal beroerd, want die zouden verdwijnen als de vloed kwam opzetten. Bijna Mieke Telkamp-achtig, nietwaar? Wat zijn wij meer dan voetsporen in het zand bij eb. Ik vind het prachtige voorbeelden van overgevoeligheid voor een van de vier existentiële problemen: eenzaamheid, vergankelijkheid, verantwoordelijkheid en betekenisloosheid: wat doen we hier in dat gapende heelal op dat ene kleine planeetje.
Ik zou daar de ordelijkheid aan willen toevoegen. Het menselijk lichaam heeft een extreem hoge mate van ordening, maar om dat in stand te houden, moet je er elke dag veel energie in steken. En als het op een gegeven moment niet meer leeft, ontbindt het in no time. De tweede hoofdwet van de thermodynamica zegt dat alles streeft naar entropie: de afwezigheid van structuur.’
Voegt u dat toe omdat u daar overgevoelig voor bent?
‘Ik denk het, ja. Ik had eens een patiënt die zei: liever dood dan vies. Vies was alles wat zijn territorium binnendrong. Dat voelde voor hem als verlies van zichzelf, van zijn intactheid. Bij mij werkt het precies andersom. Ik ben voor mijn gevoel van heelheid juist afhankelijk van dingen buiten mij. Mijn dwang is toegespitst op het gevoel dat elk verlies een ondraaglijk verlies is. Hoe klein ook. Daarom staat er een tuinschepje op de voorkant van Vals alarm. En heel weekend kon bij mij bedorven zijn door een schepje dat ik kwijt was.’
Zat dat er al in toen u van slag raakte door het mysterie rond de hunebedden? Verlies van kennis waarop u had gerekend?
‘Ik was toen ongetwijfeld ook al meer dan gemiddeld gevoelig voor zekerheid en voor het verlangen dat het antwoord op dit soort vragen helder en onveranderlijk zou zijn.’
U groeide op in een streng gereformeerde gemeenschap in Harlingen. Een gelovige opvoeding betekent toch meestal dat je veel stelligheid krijgt toegediend.
‘Ja, maar dat was me al gauw te min. Dan zei ik tegen mijn vader: een jongen uit een islamitisch gezin denkt ook dat hij in het ware geloof opgroeit. Hoe weet je nou dat hij geen gelijk heeft? Zijn antwoord was: omdat wij het ware geloof hebben. Dat ging er bij mij niet in. Toen ik elf was, las ik in een jeugdencyclopedie die ik had gekregen dat Jupiter elf manen heeft. Ik enthousiast naar mijn vader. Nou, volgens hem klopte dat niet. God had zon, maan en sterren geschapen, niet manen en sterren. Ik moest er maar mee naar catechisatie. De dominee zei niet dat het onzin was, kennelijk ging het hem te ver om evidente wetenschap tegen te spreken, maar hij draaide ervoor weg. Toen dacht ik: dit geloof is te dom voor mij.’
‘Ik loop tegen de chemie van mijn brein aan. In mijn familie zitten een heleboel mensen met forse dwangproblematiek.’
Hoe vonden uw ouders dat?
‘Nou, ik was daarmee niet van de ene op de andere dag van het geloof af. Het leidde ook niet tot een verwijdering. Mijn moeder stond eigenlijk altijd pal voor haar kinderen. Zij wilde niet dat wij ongelukkig werden van catechisatie, en dat werd ik wel als de dominee weer eens zei: niet kunnen geloven bestaat niet, dat is niet willen geloven. Mijn vader was strenger in de leer, maar hij probeerde ook altijd wel oplossingen te vinden in onze gesprekken, hij hield altijd de verbinding. Hij is helaas vroeg overleden, op mijn zeventiende, maar we zijn altijd on speaking terms gebleven. Ik hield veel van mijn vader. En hij van mij.’
Zeventien was ook de leeftijd waarop u wist dat u psychiater wilde worden en u begon door te krijgen dat u een dwangstoornis heeft.
‘In langdurige therapie – verplicht in de opleiding tot psychiater maar ook omdat ik het nodig had – heb ik gezocht naar het verband tussen mijn dwangstoornis en de vroege dood van mijn vader. Dat lag voor de hand in de psychoanalytisch georiënteerde psychiatrie van toen: onderdrukte haat doordat mijn vader ons in de steek liet door kanker te krijgen, mij achterlatend met een moeder die de dood van haar oudste dochtertje nooit had verwerkt zodat ik de pathologische drager werd van haar verlies. Dingen die ik nu als flagrante onzin beschouw. Dat inzicht kwam met mijn eerste jeugdpsychiatrische patiënt. Een jongen van zestien. Hij had precies dezelfde dwang als ik, met een springlevende vader, uit een gezin dat nog nooit een kerk van binnen had gezien. Dat was het moment waarop ik bevestigd zag wat ik al jaren voelde: deze symptomen zijn niet terug te voeren op mijn levensloop. Ik loop tegen de chemie van mijn brein aan. In mijn familie zitten een heleboel mensen met forse dwangproblematiek, ook familieleden die niet vrijgemaakt-gereformeerd zijn opgevoed en van wie de vader 103 werd.’
Maar dat andere zal toch ook niet helemaal zijn uit te sluiten?
‘In een individueel geval kunnen we de oorzaak van een psychische aandoening nooit met zekerheid vaststellen. We weten natuurlijk wel dat erfelijke factoren een rol spelen, maar dat zijn er vele, en er zijn ook allerlei omgevingsfactoren van invloed, biologische en psychologische. Het is allemaal moeilijk uit elkaar te houden. Als je opgroeit met een vader die slaat en je gaat zelf ook slaan, doe je dat dan omdat je dezelfde genen hebt als je vader of omdat je opgroeide in een omgeving waar geslagen werd? Dat weet je niet. Wij hebben een pleegzoon. Hij is bij ons komen wonen toen hij een jaar oud was en toch is hij volkomen verschillend van onze andere twee kinderen. De opvoeding heeft dat op geen enkele wijze beïnvloed. Nul komma nul.
Ik vind dat de invloed van genen en van biologische omgevingsfactoren nog steeds erg onderbelicht blijft in de psychiatrie en dat er veel gratuit op los gefantaseerd wordt over iemands jeugd: boempatsknal, samenhang. Een vriend van mij zei een keer: het vak is natuurlijk veel mooier wanneer je met dieptepsychologie allerlei verdrongen kwesties bovenhaalt dan wanneer je zegt: het is erfelijk. Terwijl ik denk: eenvoud is vaak een kenmerk van het ware. Maar goed: biologisch denken, of althans: aan die factoren ook waarde hechten, is kennelijk te oppervlakkig. Dat een psychische aandoening erfelijk is, wil overigens niet zeggen dat ze onveranderlijk is. Ook daarover bestaan nogal wat misverstanden.’
U kunt goed overweg met Dick Swaab, hersenonderzoeker en auteur van Wij zijn ons brein. Jullie vinden elkaar in fascinatie voor de enorme complexiteit van de hersenen, terwijl jullie daarover op veel punten ook tegengesteld denken. In zijn voorwoord in uw boek schrijft Swaab: ‘Menno ziet de geest als diegene die de hersenen bespeelt of als (een beetje) vrije wil, ik zie de geest als het functionerende netwerk van 80 miljard hersencellen en de vrije wil als een plezierige illusie.’ Kunt u dat wat nader uitleggen?
‘Swaab zegt, en daar is-ie hartstikke consequent in: er is alleen maar stof. Stof beantwoordt aan de wetten van de natuurkunde en de chemie. Daar is geen ruimte voor vrije wil.
Ik ben het in zoverre met hem eens dat we in elk geval een stuk minder vrij zijn dan we over het algemeen graag willen. Als je iemand ontmoet die je tien jaar niet hebt gezien, zegt diegene steevast: je bent geen spat veranderd. Nou, denk jij dan, ik heb anders wel behoorlijk mijn best gedaan om enigszins tot een betere versie van mezelf te komen. Dat valt dus tegen.
Ik weet natuurlijk ook van mijn eigen dwangstoornis hoe ongelooflijk onveranderbaar zoiets is. Dus zelfs in dat ding waar ik expert in ben, waar ik zoveel patiënten mee heb geholpen, waar ik een boek over heb geschreven, en waar ik goedwerkende medicatie voor slik, blijf ik het moeilijk vinden.’
Tot zover klinkt dit als Swaab: wij zijn een ‘hersenola’, het brein speelt zelf. Maar dan?
‘Ten eerste roept dat bij mij de vraag op wie dan de muziek in die hersenola heeft gelegd. Ik zou zeggen – of eigenlijk zou ik graag willen – dat een hersenist, de geest, de hersenen bespeelt. Een hersenist die het te doen heeft met de beperkingen en mogelijkheden van het instrument – je kunt uit een viool niet het geluid van een dwarsfluit krijgen – maar die niet volledig door die mogelijkheden en beperkingen wordt bepaald. Ik wil toch graag een vrije wil die te maken heeft met onze moraliteit, met onze keuzes, met ons zelfbewustzijn: ik weet dat ik die rabarberplant niet moet kopen en dat ik het toch doe. En als je spreekt van een vrije wil kan dat naar mijn idee alleen maar door te erkennen dat er een wereld is die boven het stoffelijke uitgaat. Of het allemaal waar is, weet ik niet, maar ik vind het idee prachtig dat een geest incarneert in een lichaam – de stof – waarna op dat raakvlak iemands ziel ontstaat, het terrein van willen, voelen en denken.’
Genadebrood eten
De bel gaat. Het is de postbode met een pakje. Oosterhoff móét het openmaken, zegt hij, terwijl hij al bezig is het pakpapier los te scheuren. Het is een boek van een meisje dat zichzelf gesuïcideerd heeft na een kort en ellendig leven. ‘Haar moeder heeft het laten uitgeven. Dat meisje wilde dat graag.’
‘De tragiek van veel psychiatrische stoornissen is dat je meer moeite moet doen om te functioneren en dat het resultaat dan nog vaak minder is.’ Dat vond ik zo’n zielige zin in Ik zie anders niks aan je.
‘Het is ongelooflijk hoe hard psychiatrische patiënten moeten knokken, dag en nacht, en dan nog blijft het uiterlijke resultaat vaak armzalig.’
‘Dat is heel zielig. Verschrikkelijk. Het is ongelooflijk hoe hard psychiatrische patiënten moeten knokken, dag en nacht, en dan nog blijft het uiterlijke resultaat vaak armzalig. Ik had eens een zeer begaafde arts die door ernstige problematiek in haar functioneren werd beknot. Ze was een tijd in behandeling bij een instelling waar een bordje hing met “hier altijd gratis koffie”. Tegen mij verzuchtte ze een keer: ik wil helemaal geen gratis koffie, ik wil gewoon werken. Mensen met een psychische aandoening moeten ook altijd genadebrood eten en vooral niet klagen. Er leeft nog altijd het oordeel: het is psychisch, dus als je maar wil, dat is het verschil.’
Zijn er nu meer psychische problemen dan vroeger?
‘Dat weten we niet. Het is wel zo dat zodra er meer psychiatrische zorg komt, en meer vraag naar die zorg, je overal hoort roepen: o god, het is te veel, iedereen gaat voor een scheet al naar een therapeut. Daar geloof ik niets van. Integendeel, ik denk dat we nog steeds een enorme onderschatting en onderbehandeling hebben van psychisch lijden. Daar doen wij zelf ook aan mee, als patiënt. Mensen zeggen zo vaak: het is gewoon stom van mij. Nee, zeg ik dan altijd, het is niet stom ván jou, het is stom vóór jou. Wees mild voor jezelf. Maar dat lukt mij ook niet altijd. Ik vind het lastig om niet moreel perfectionistisch te zijn. Voor mezelf, hè, niet voor mijn patiënten.’
Gebruikt u dan daarom pas veertien jaar medicijnen?
‘Ik had jaren allerlei dwangredenen om het niet te doen, waarvan de voornaamste was: ik weet niet wat ik in spiritueel opzicht doe als ik pillen ga slikken. Wat is mijn vrije wil dan, als die medicatie iets verandert aan mij? In therapie gaan vond ik ook ingewikkeld omdat ik me afvroeg met welk normbesef we nou aan mijn normbesef gingen sleutelen. Laat ik het zo zeggen: ik vind dat er een buitengewoon slechte gebruiksaanwijzing zit bij het leven. Er zijn vijfhonderd verschillende en je moet het allemaal maar uitzoeken. Ik heb me lang druk gemaakt over de mogelijkheid dat ik nazi zou zijn geworden als ik was opgegroeid in een SS-gezin. Hoe intrinsiek goed ben ik? Kan ik niets over zeggen met honderd procent zekerheid. Ik vind het heel onprettig dat je zelfs moet twijfelen over de vraag of je niet een fanatieke nazi had kunnen worden.’
Dat u durft te twijfelen is toch goed?
‘Ik vind twijfel vele malen beter dan heilige overtuiging. Maar niet aangenamer. Overal drijfzand, nergens houvast.’
Hij lacht. ‘Dat is ook wat ik met mijn boek over dwang probeer te zeggen: er zit een enorme polariteit tussen verschrikking en prachtigheid in het bestaan waar je als dwangpatiënt overgevoelig voor bent. Ik had eens een meisje dat in de klas een verschrikkelijk familiedrama had meegemaakt. Een jongetje uit haar klas en zijn broertje waren vermoord door hun vader. De hele school zwaar onder de indruk, hulpverleners erbij voor iedereen. Na een dag of drie gingen de meeste kinderen weer plezier maken op het schoolplein. Dat meisje niet. Zij vond het ongepast. Plezier kon toch niet bestaan naast zoiets afschuwelijks. Ik vind dat een prachtig voorbeeld van het bewustzijn van de polariteit van het bestaan die eigenlijk onoverbrugbaar is en niet te bevatten.’
Blijven staan
We onderbreken het gesprek omdat Oosterhoff een belafspraak heeft met de moeder van een patiënt met een euthanasieverzoek. Als hij terug is, zegt hij dat hij begin oktober euthanasie heeft verleend aan een meisje van zeventien. ‘Veel mensen, zowel binnen als buiten mijn vak, zeggen: dat kun je toch nog niet weten, bij zo’n jong iemand, maar ik vind dat ik haar daarmee niet aan haar lot kon overlaten.’
Maar het is toch ook niet met zekerheid vast te stellen dat het nooit beter zou gaan?
‘Bij lichamelijke ziekten weet je dat zo goed als zeker. Zo absoluut is het bij psychische aandoeningen niet. Toch komt het amper voor dat mensen met wie het ondanks alle behandelingen al jaren slecht gaat toch nog duidelijk verbeteren. Dit meisje bracht het niet meer op. Ze zou zich hebben gesuïcideerd. Ze was ook enorm gefrustreerd dat er al twee jaar – zo lang wilde ze al euthanasie – niet naar haar werd geluisterd. Zij en haar ouders waren heel dankbaar dat ik het wilde doen. En zelfs haar opa van negentig, streng katholiek, zei: ik ben blij dat ik nog mag meemaken dat zij uit haar lijden wordt verlost.’
‘De mensen die mij nu bellen over euthanasie hebben alle paden bewandeld en zijn ten einde raad. Dat is de verschrikkelijke lelijkheid van psychiatrie.’
Hoe was het voor u?
‘Het was ontzettend zwaar om te doen. Ik ben er met een steen in mijn maag naartoe gegaan. Maar ik was wel zeker van mijn zaak. En ik niet alleen, natuurlijk. De SCEN-arts en een andere psychiater waren het met me eens.’
Wat als een doodswens een symptoom is van een ziektebeeld?
‘Daar moet je alert op zijn, dat spreekt voor zich. Deels ook samen met de patiënt. Shared decision making is gebruikelijk in de moderne geneeskunde. In de psychiatrie hebben we daar helaas nog moeite mee. Het is ook lastig. Wij kunnen juist heel vaak níét samen met de patiënt een beslissing nemen omdat mensen depressief zijn, nergens meer in geloven en het dan aan ons is om de moed erin te houden. Maar met goede kennis van psychische aandoeningen kun je als arts heel goed het onderscheid maken tussen een doodswens als ziekteverschijnsel en een begrijpelijk, invoelbaar en weloverwogen euthanasieverzoek.’
In een van uw boeken las ik dat u tegen mensen met ernstige problemen, bij wie nog geen enkele behandeling heeft geholpen, zegt: ik kan weinig voor u doen, maar dat kan ik heel lang volhouden.
‘Ja, met lege handen staan. Maar wel blijven staan. Ik zou daar in het geval van een euthanasieverzoek aan willen toevoegen dat “de moed erin houden” niet mag betekenen dat je mensen uitzichtloos en ondraaglijk laat creperen in een niet-gewild leven, waarna ze tegen hun zin toch voor suïcide kiezen. Er zijn tweeduizend suïcides per jaar. Elke twee dagen ligt het spoor weer stil. Van mensen die een einde aan hun leven maken, weten we dat het merendeel een psychische aandoening heeft. We weten ook dat ongeveer de helft niet in behandeling is. Natuurlijk is daar nog een slag te maken. Hoe dat moet, weet ik niet. Maar de mensen die mij nu bellen over euthanasie hebben alle paden bewandeld en zijn ten einde raad. Dat is de rauwe werkelijkheid, de verschrikkelijke lelijkheid van psychiatrie die niet leuk op te vangen is met good mourning-sessies of een paar gesprekken met een coach. Die mensen zitten al jaren ziek thuis, doodellendig en eenzaam. Ze worden verschrikkelijk gekweld, en niemand weet het.
Gisteren sprak ik een schat van een man. Lijdt verschrikkelijk. Al vrijwel zijn hele leven. Hij is het afgelopen jaar een paar keer bij het spoor weggehaald. Zijn moeder belde me ook op. Ze zei dat al jaren elke dag van haar leven begint met een telefoontje van hem: help me nou, ik wil niet meer, waarom helpt niemand mij. En dan moet ik zeggen: kop op? Dat zeg je ook niet tegen iemand met uitgezaaide pancreaskanker die overal pijn heeft.’
U moet onder immense druk staan, met al die jonge mensen die om hulp vragen. Hoe gaat dat met de dwangstoornis? Dit zijn geen tuinschepjes.
‘Ik kan het aan, maar ik kom mijn dwangstoornis wel tegen, in de zin dat ik geen mogelijkheid onbenut kan laten. Het is heel moeilijk voor mij nee zeggen tegen die wanhopige mensen. Mijn vrouw zit er gelukkig bovenop. Zij zegt: stuur ze naar mij door, naar de stichting. Mijn collega Kit, met wie ik het boek heb geschreven, werkt ook heel hard, maar zij zegt wel: ja, ik wil toch ook weekend. Zij kan het beter scheiden. Dat is gezonder en beter.’
Ik vind het een interessante keuze voor iemand met uw aandoening om psychiatrie te kiezen als beroep, omdat het zoveel onzekerheid kent. Een orthopeed weet: pols gebroken, dit en dat doen, pols genezen.
‘“Het is wat het is.” Prachtig. Niet meer poetsen, ordenen, controleren. Ik ben gek op dooddoeners.’
‘Ik heb weleens overwogen of ik niet beter in een koekjesfabriek zou kunnen gaan werken. Maar ik denk dat iemand met een dwangstoornis ook daar de tekortkomingen en de onzekerheden weer zal bespeuren. Verandering van spijs zal niet zoveel doen. Die onrust zoekt een vorm. Hét kenmerk van dwang is dat alles op het been van de vastigheid wordt gezet en het vertrouwensbeen daardoor steeds verder verzwakt. Je moet dooddoeners oefenen, zeg ik vaak tegen patiënten. Dooddoeners staan bol van vertrouwen. “Dan is dat maar zo.” Of: “Komt tijd, komt raad.” Ook zo’n mooie. Helemaal niet waar, er komt lang niet altijd raad, maar het geeft wel vertrouwen. “Het is wat het is.” Prachtig. Niet meer poetsen, ordenen, controleren. Ik ben gek op dooddoeners.’
John Lennon: everything will be okay in the end and if it’s not okay it’s not the end.
‘Ook fantastisch. Snoopy en Charlie Brown die samen op een steigertje zitten. Charlie zegt: some day we will all die, Snoopy. Waarop Snoopy antwoordt: yes, but on all the other days we will not. Zo’n fantastisch voorbeeld van vertrouwen en zorgen.
Ik had ook eens een meisje dat een hond wilde zijn. Maar dan kun je ook niet meer dit en dat doen, zei haar vader. Ja, zei ze, maar dat weet ik dan niet meer. Prachtige dooddoener. Niet waar, natuurlijk, althans niet voor mij. Dat tweesnijdende zwaard van het zelfbewuste en het kunnen piekeren, ik zou het beslist niet kwijt willen. Hier de hele dag in een mand liggen, daar heb ik geen zin in.’


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.