Uitgerekend Karel van het Reve duikt op in het essay over pretentie van Joost de Vries. Schrijvers met een zekere bluf-reputatie als Harry Mulisch of Norman Mailer zouden meer voor de hand liggen dan de Hollandse gewoonheid waar Van het Reve bekend om staat. Toch is het bij nader inzien niet zo vreemd. Van het Reves gewoonheid was ook een pose. Door met zijn beide benen op de grond te staan viel het des te meer op hoe erudiet hij eigenlijk was. Hij kon met een zeker pesterig genoegen obscure Latijnse citaten in een essay verwerken alsof hij ze bij toeval tegengekomen was. Van het Reve deed wel of zijn kennis hem kwam aanwaaien, maar als het erop aankwam kon hij hardnekkig precies en geïnformeerd zijn.

Bij De Vries treedt Van het Reve op als degene die het in 1979 nog normaal vond dat een student onmiddellijk naar een encyclopedie zou hollen wanneer een docent een naam noemde die hij nog nooit had gehoord. Pijnlijk getroffen door zijn onwetendheid haastte de student zich op te zoeken wie die verdomde ‘Lord Byron’ wel mocht zijn. Meteen willen weten wie Lord Byron is beschouwde Van het Reve als een passende vorm van ‘culturele pretentie.’ Door te willen weten wie die Lord was wilde je onderdeel zijn van een gedeelde cultuur waarin anderen dat ook willen weten. Dat was een cultuur waarin permanent een mild schuldgevoel heerste over wat je allemaal nog niet wist.

Lees ookLiteraire Kroniek: Hoe historisch is onze hebzucht?26 februari 2019
Het knagende schuldgevoel

Het interessante en listige aan Echte pretentie is dat De Vries een woord tot leidraad van zijn essay heeft genomen met een notoir ongunstige klank. ‘Pretentie’ is iets wat je uitgerekend niet moet hebben, dan maak je je al bij voorbaat onmogelijk. Maar tegen de weerbarstige ongunst van het woord in slingert De Vries de ene gunstige karakteristiek van ‘pretentie’ na de andere de lucht in: ‘Pretentie is de motorolie van creativiteit,’ ‘pretentie is die vorm van jezelf die voor je uitrent,’ ‘pretentie is de wens een betere versie van jezelf te worden,’ ‘pretentie is een scheppende kracht,’ ‘pretentie is de ambitie van jezelf meer te maken dan je bent.’

Studenten schamen zich niet meer, het knagende schuldgevoel is verdwenen. Het populisme speelt groepen mensen tegen elkaar uit met de bedoeling om uit te komen op zo gewoon mogelijk doen.

Door het herwaarderen van de pretentie stuit De Vries vanzelf op de antipretentie en het anti-intellectualisme van nu: de culturele pretentie van Van het Reve is al een tijd op zijn retour. Studenten schamen zich niet meer, het knagende schuldgevoel is verdwenen. Het populisme speelt groepen mensen tegen elkaar uit met de bedoeling om uit te komen op zo gewoon mogelijk doen: niets ingewikkelds, niets dieps, niets moeilijks, niets hoogs, alles zo plat en horizontaal mogelijk. Niets verticaals, niets wat uitsteekt. We leven ‘in een wereld waarin elke poging tot reiken naar iets belachelijk wordt gemaakt.’ Door nu iets ‘pretentieus’ te noemen wordt het vruchtbare schuldgevoel weggewuifd.

Naast een weldadige sociale horizontalisering (‘de kloof tussen high- en lowbrow is gedempt’) heeft nu een onvruchtbare culturele nivellering plaats. ‘Antipretentie’ is volgens Joost de Vries het dominante discours. Hij geeft als voorbeeld Halbe Zijlstra die zei dat het publiek bepaalt wat goede kunst is, niet de kenners, de curatoren of de critici. En ‘het bronstige mannenpanel’ van Voetbal Inside dat zich elk jaar tijdens de Boekenweek tegen de literaire wereld keert. En Mark Rutte die afgeeft op witte wijn sippende Concertgebouwgangers. En Geert Wilders, die alleen zijn ergste vijand moderne kunst zou aandoen.

We kunnen niet zonder

Minder gelukkig is dat De Vries zo uitvoerig ingaat op Pierre Bourdieu, de Franse socioloog die in zijn boek La distinction (1979) het begrip ‘cultureel kapitaal’ introduceerde als het middel waarmee de betere gesitueerden zich ostentatief zouden onderscheiden van het gewone volk. De Vries geeft te laat toe dat Bourdieu te lang bleef denken in termen van de ouderwetse klassenstrijd, terwijl de horizontalisering van de samenleving al flink was voortgeschreden. ‘Cultureel kapitaal’ werd door Bourdieu iets kapitalistisch en onguurs, alsof je met dat kapitaal anderen de ogen uit kon steken. Het ging eerder om ‘culturele bagage’, waar iedereen zich van kan voorzien.

Je stelt je aan, je pretendeert iets te zijn wat je niet bent, je loopt er in je hoofd bij als een ongedekte cheque.

Ook al is pretentie volgens De Vries irritant, ‘we kunnen niet zonder’, volgens de ondertitel van zijn boek. Heel aardig is dat zijn verdediging van de pretentie samengaat met de bekentenis dat pretentie onvermijdelijk ook iets belachelijks heeft. Je stelt je aan, je pretendeert iets te zijn wat je niet bent, je loopt er in je hoofd bij als een ongedekte cheque. In de schoolkrant zorgde Joost de Vries er voor dat hij zoveel mogelijk moeilijke woorden in zijn stukjes verwerkte waarvan hij de betekenis zelf ook eerst moest opzoeken. Die stukjes schreef hij onder de titel ‘Joost mag het weten.’ De kwestie van de moeilijke woorden is nu een onderdeel van de populistische versimpeling: ‘moeilijke’ woorden als ‘atavistisch’ of ‘kazuifel’ kun je niet zomaar meer gebruiken, ondervond Cees Nooteboom.

susan sontag

In Echte pretentie komt De Vries steeds terug op Susan Sontag. Hij schetst haar leven en voegt er gaande het essay steeds iets aan toe. Sontag zou als voorbeeld gelden van een schrijver die meer pretendeerde te zijn dan ze was. Maar tegelijk realiseerde ze wel degelijk haar ambities en pretenties. Daar werd door sommige afgunstige collega’s wel aan getornd door te zeggen dat ze haar bekendheid vooral te danken had aan haar mooie gezicht en haar pretentieuze leugentjes. Dat De Vries haar niet ronduit verdedigt moet te maken hebben met het dubbele karakter van het hebben van pretentie: zowel irritant als noodzakelijk om tot iets te komen.

Dat hij Susan Sontag niet ronduit verdedigt moet te maken hebben met het dubbele karakter van het hebben van pretentie: zowel irritant als noodzakelijk om tot iets te komen.

Sontag wilde net zoveel weten als Elias Canetti. Ze dacht al aan het winnen van de Nobelprijs. Pretentie en authenticiteit liepen bij haar vanaf het begin onontwarbaar door elkaar. Nadat ze in haar jeugd door haar moeder was vernederd (zodat ze tot haar vijfentwintigste een afkeer had van al het vrouwelijke) probeerde ze steeds dichter bij haar meest authentieke zelf te komen, hoe dat er ook uit mocht zien. Door haar verschijning en geduchte intellectuele honger stimuleerde Sontag menigeen het ook niet bij de oppervlakte te houden. Ze was jarenlang het voorbeeld van iemand met een gretige hang naar kennis en inzicht.

Echte pretentie is een verfrissend essay waarin op een originele manier wordt verdedigd dat we niet allemaal gelijk moeten zijn en dat het heel goed is om je te onderscheiden ‘door hogere eisen te stellen’, ‘door nuance te zoeken’, door ‘extra bespiegelingen’ en door ‘ergens dieper over na te denken.’ Gunstig is ook dat het woord ‘elitair’ maar spaarzaam in het essay voorkomt. En dat zelfs Karel van het Reve iets met pretentie blijkt te hebben.

Echte pretentie. Waarom het zo irritant is en waarom we niet zonder kunnen door Joost de Vries is uitgegeven door Das Mag.

P.S. Het toeval wil dat de titel Echte pretentie terug te vinden is in twee van mijn boeken: Echte kennis (1991) en Hollandse pretenties (1988).