De Franse president Macron schafte natuurlijk niet voor niets de vermogensbelasting af. Hij dacht daarmee de anderhalf miljoen Fransen terug te lokken die zich fiscaal in Zwitserland hadden gevestigd. Tot achthonderd duizend euro zouden ze niets gaan betalen, vanaf dat tot 1,3 miljoen een half procent, en verder met een kwart procent oplopend tot een maximum van anderhalf procent voor 10 miljoen en hoger.
Geen wonder dat de Gele Hesjes hiertegen in opstand kwamen. Een belastingverlaging op vermogens (officieel impot de solidarité sur la fortune) was wel het onhandigste dat Macron kon doen. De president moet de afgelopen jaren toch iets hebben meegekregen van het boek Kapitaal in de 21e eeuw van Thomas Piketty. Daarin staan groteske cijfers over het verschil tussen rijke en gemiddelde burgers. De rijken worden slapend rijker. Hun geld wordt vanzelf meer, alsof het om Jezus’ wonderbaarlijke broodvermeerdering gaat. Werken voor je geld is het armzaligste wat je kunt doen.
Hebzucht is alom
Het mag geen erg gelukkige beslissing van Macron zijn, hij bewijst er wel mee dat de politiek kennelijk nog ingrijpende maatregelen kan nemen (of kan terugdraaien). Er zijn kenners van de economie en de politiek die zeggen dat de politiek helemaal geen echte economische beslissingen meer kan nemen. Het zijn de grote banken en de landelijke of Europese financieel-economische instellingen die de politiek aansturen zodat de markt- en ondernemersmaatschappij verder groeit. Die instellingen werken steeds meer als ‘een soort nevenregering’. De politiek is helemaal niet meer zo soeverein.
Daardoor komt het Jeroen Linssen in zijn boek Hebzucht, Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid, ‘naïef over om juist van de politieke macht te eisen dat zij het tij gaat keren en te verwachten dat zij de dominantie van de hebzucht teniet zal doen.’ Waarmee Jeroen Linssen tegelijk zegt dat ‘hebzucht’ en ‘inhaligheid’ in de titel en de ondertitel van zijn boek helemaal helemaal niet zo negatief bedoeld zijn, ook al kleeft dat negatieve al eeuwen aan die woorden. De hebzucht is gewoon alom.
Op geld uit zijn voor het geld was voor Aristoteles tegennatuurlijk.
Hebzucht is een leerzame geschiedenis, maar niet altijd van de hebzucht. Het is ook een geschiedenis van het normale winst maken bij het handelen in producten of diensten. Die twee lopen nogal eens door elkaar en worden hier allebei hebzucht genoemd. Wanneer men excessief op winst uit was of wanneer er vroeger sprake was van woeker of vrekkigheid, dan werd er gesproken van hebzucht. Plato en Aristoteles dachten er al zo over: voor Plato konden rijkdom en een goed mens zijn niet samengaan. Aan rijkdom was men altijd oneerlijk gekomen. Op geld uit zijn voor het geld was voor Aristoteles tegennatuurlijk, maar bezitsverwerving om ‘het goede leven’ te leiden was een deugd.
Thomas van Aquino brak al vroeg als eerste met de Aristotelische soberheid: van hem mocht er gerust fortuin gemaakt worden, mits men tegelijk maar ‘barmhartig’ was.
Ook menige bijbeltekst heeft het natuurlijk over hebzucht. God en de Mammon gingen niet samen. Als de Mammon (rijkdom) werd vereerd als een God betekende dat concurrentie voor de ware God. De christelijke afkeer van geld om het geld had ook met concurrentie te maken: hechtte men te veel waarde aan het aardse slijk, dan gaf men meer om het leven op aarde dan om het hiernamaals. In de middeleeuwen heette dat ‘schandelijke winst.’ Er werd dan handel gedreven om het geld, niet om de kosten te dekken of in zijn levensonderhoud te voorzien.
Het heeft even geduurd voor men bereid was het maken van winst niet alleen als zondig te zien. Lange tijd was men dubbel, ambigu, en eigenlijk is het nog steeds zo. In de gouden zeventiende eeuw vormde de bijbelse taal een ‘schreeuwende tegenstelling’ met de ‘winzucht’ die er heerste. Thomas van Aquino (1225-1274) brak al vroeg als eerste met de Aristotelische soberheid: van hem mocht er gerust fortuin gemaakt worden, mits men tegelijk maar ‘barmhartig’ was.
De ‘binnenwereldse ascese’ van de calvinist zorgde voor kapitaalvorming en spaarzaamheid.
Hij kreeg steun van Calvijn. Die brak met het idee dat men alleen winst mocht maken voor het ‘noodzakelijke.’ Volgens Jenssen toonde Calvijn zich hier een realist. Van hem mocht er zelfs rente gevraagd worden op leningen, iets wat lijnrecht in ging tegen de humanisten en protestanten als Luther. Calvijn haalde het handelen uit de zondige sfeer, maar was niet blind voor ‘de bedriegerijen en heimelijke listen en valstrikken van de handel.’
Luther schreef in 1524 een traktaat Over handel en woeker waarin hij het berekenen van rente desastreus voor de samenleving noemde. Calvijn ging de geschiedenis in als een wegbereider van het kapitalisme, Luther van het antikapitalisme. De ‘binnenwereldse ascese’ van de calvinist zorgde voor kapitaalvorming en spaarzaamheid. Dat zorgde voor een paradoxale toestand van veel geld bezitten, maar het niet mogen opmaken: er mocht niet genoten worden. Max Weber, grondlegger van de sociologie, schreef het standaardwerk over de invloed van dit calvinisme op het kapitalisme.
‘Particuliere ondeugden, publieke weldaden’
De hebzucht en degene die ermee behept is, de koopman, was het onderwerp van menige satire. Erasmus noemt kooplieden in 1511 in Lof der zotheid ‘het allerzotste en laagste slag mensen.’ In Lof der Geldsucht laat Jeremias de Decker in 1668 de geldzucht zichzelf zo aanprijzen dat men die ziekte niet graag onder de leden zou willen hebben. Maar geleidelijk wint het idee terrein dat rijkdom verwerven een deugd kan zijn omdat die uiteindelijk ten goede komt aan het geheel van de maatschappij: door het scheppen van werk, het betalen van salarissen en het tonen van barmhartigheid door het beoefenen van de liefdadigheid.
Bacon, Hobbes, Spinoza, Locke: allemaal vinden ze de zucht naar geld tegelijk onuitroeibaar en bedenkelijk. De meest beruchte verdediger van ongerepte hebzucht, de Nederlands-Engelse arts Bernard Mandeville vatte zijn overtuiging in 1723 beknopt samen in ‘particuliere ondeugden, publieke weldaden.’ Mandeville beschouwde het als schijnheilig om hebzucht, hoogmoed, afgunst, zelfzucht en trots af te wijzen. Het zijn passies en ondeugden die de enkeling tot verhoogde activiteit kunnen aanzetten, meer dan redelijkheid en deugdzaamheid. Het waren misschien niet de mooiste eigenschappen, maar wel de vruchtbaarste.
De handel tast de zuiverheid van de zeden aan, was de mening van Montesquieu, maar tegelijk polijst de handel
de zeden van de barbaren.
Hoe aan geld verdienen een onuitroeibare dubbelheid kleeft van ‘schandelijk’ en ‘vruchtbaar’ is te zien aan de ideeën van Montesquieu. De handel tast de zuiverheid van de zeden aan, was zijn mening, maar tegelijk polijst de handel de zeden van de barbaren. In de achttiende eeuw werd de handel als een pacificerende macht beschouwd. Het algemeen belang werd naar voren geschoven: iedereen had er voordeel van. ‘Hebzucht’ werd niet meer alleen een particuliere aangelegenheid, maar iets dat ten goede kwam aan iedereen.
Adam Smith trad in 1759 in de voetsporen van Mandeville en civiliseerde diens ondeugden tot een economische theorie waarin het streven naar eigenbelang tegelijk het algemeen belang diende. Ook al moest Smith met de mond niet veel hebben van Mandeville, zijn ondeugden (hebzucht, eerzucht, afgunst, trots) werden bij Smith tot ‘natuurlijke eigenschappen’ of ‘neigingen’ van de mens. Maar hebzucht kreeg bij Smith niettemin wel de juiste ondubbelzinnige betekenis: wanneer er sprake is van schandelijke verrijking en overmaat aan inhaligheid. Over Smiths ideeën zal nog lang discussie zijn, aangezien hij door zowel de sociaal-democraten (vanwege zijn sympathie voor het algemeen belang) als door de neo-liberalen (vanwege zijn instemming met het onbegrensde ‘verlangen om onze situatie te verbeteren’) wordt aangeroepen.
De échte hebzucht
In het rijke overzicht dat Jeroen Linssen van de hebzucht geeft moet de échte hebzucht er wel regelmatig uitgevist worden om niet de indruk te krijgen dat het leven alleen maar in het uitleven van graaien bestaat. Werken voor je geld, het verbeteren van je lot, op welke fatsoenlijke manier dan ook, is niet hebzuchtig, ook al zit er een egoïstisch element in.
Er is de laatste dertig jaar wel een geïnstitutionaliseerd hebzuchtig sentiment in de samenleving geslopen door het oprukken van de ‘marktwerking’ op alle gebieden. Alles wordt in termen van hebben of niet hebben, van winst en verlies gezien, tot en met de kunst, het onderwijs, de universiteit, de ziekenhuizen en verzorging van ouderen. Dit is de neo-liberale vermarkting van het leven waarin het draait om de vraag: wat brengt het op? We leven sinds zo’n drie decennia in ‘een ondernemersmaatschappij’, schrijft Linssen. Daarin heeft ‘elk individu zich te schikken in de rol van ondernemer.’ En daardoor kan dat individu zich niet anders dan hebzuchtig opstellen.
Er is de laatste dertig jaar wel een geïnstitutionaliseerd hebzuchtig sentiment in de samenleving geslopen door het oprukken van de ‘marktwerking’ op alle gebieden.
Het is natuurlijk schandalig dat de gewone burger hiermee tot een homo economicus tout court wordt gebombardeerd. Zoals het ook bedenkelijk is om het in die geest over mensen te hebben als ‘menselijk kapitaal’ dat versterkt moet worden. Linssen geeft slechts de denkbeelden van anderen weer over de ‘economisering’ van het leven, maar het blijft een perverse manier om naar mensen te kijken.
Misschien overdrijven Linssen en zijn zegsmannen wel een beetje. Hij gaat makkelijk mee met hedendaagse denkers als Joseph Vogl (schrijver van Das Gespenst des Kapitals) die beweert dat de politiek niets meer te zeggen heeft over de economie: ‘Meer dan ooit moet de politiek de soevereiniteit delen met andere instanties, vooral met “het financiële regime.” Linssen bespreekt wel denkers die hiervan niets moeten hebben, zoals Michael Sandel, de schrijver van het boek over de morele grenzen van de marktwerking Niet alles is de koop, maar die moet het onderspit delven. Evenals de gebroeders Robert en Edward Skidelsky, schrijvers van het boek over geld en verlangen naar een goed leven Hoeveel is genoeg?
Linssen legt zich neer bij de analyse dat het naïef is om nog van de politiek te verwachten dat zij de dominantie van de hebzucht te niet kan doen of het tij kan keren.
Het is duidelijk: Linssen legt zich neer bij de analyse dat het naïef is om nog van de politiek te verwachten dat zij de dominantie van de hebzucht te niet kan doen of het tij kan keren. Toch waren het de Franse Gele Hesjes, hoe onduidelijk die beweging verder ook is, die ervoor zorgden dat president Macron zijn afschaffing van de vermogensbelasting weer ter discussie stelde en de verhoging van de bezineprijs terugdraaide.
Vandaar dat Joke Hermsen in haar Nieuw Licht-essay Het tij keren de Gele Hesjes als een beweging ziet die iets teweeg kan brengen dat op een nieuw begin lijkt, in de geest van Rosa Luxemburg en Hannah Arendt. De hardnekkigheid van de demonstraties vergelijkt ze met de Commune van Parijs in 1871. Hoe alomtegenwoordig de hebzucht door het boek van Linssen ook lijkt, we moeten voorkomen dat de wensen van de Gele Hesjes ook hebzuchtig worden genoemd. Het is geen hebzucht, maar zucht naar rechtvaardigheid.
Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid door Jeroen Linssen is uitgegeven door Vantilt.
Het tij keren met Rosa Luxemburg en Hannah Arendt door Joke J. Hermsen is in de reeks Nieuw Licht uitgegeven door Prometheus.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.