Door de opera die Tsjaikovski van Poesjkins ‘roman in verzen’ Jevgeni Onegin maakte is het verhaal noodzakelijk drastisch versimpeld. Je zou ook kunnen zeggen dat het tot de kern is teruggebracht: Onegin, de arrogante losbol, delft het onderspit. Wanneer hij op bezoek is bij zijn oom krijgen ze bezoek van de zussen Tatjana en Olga, bewoonsters van een landgoed in de buurt. Tatjana wordt verliefd op Onegin. Maar diens hoofd, hoewel amoureus permanent paraat, staat niet naar zo’n vaste band. Dat is anders bij Onegins vriend de jonge dichter Lenski. Hij wordt verliefd op Olga.
Het ‘party-beestje’ Onegin gaat dan met sardonische opzet dansen met Olga, wetend dat Lenski dat niet zint. Die daagt hem uit voor een duel, waarbij Lenski zelf het leven laat, betreurd door Onegin. Hoewel nog steeds verliefd op Onegin trouwt Tatjana met een adelijke generaal. Wanneer zij en Onegin elkaar jaren later terugzien is het Onegin die verliefd op haar wordt. Ze wijst hem smadelijk af en blijft haar man trouw.
Dit is precies de vraag die blijft hangen: is Onegin een rare snoeshaan?
De grote stappen die in een opera worden gezet gaan ten koste van de nodige subtiele details, precies de details die Jevgeni Onegin zo leesbaar maken – afgezien natuurlijk van het even aardse als hemelse ritme waarin de strofen zijn geschreven, ook in nieuwe vertaling van Arie van der Ent. De poëzie van deze 409 perfect volwassen rijmende veertienregelige strofen (‘Poesjkinsonnetten’), leest als een roman.
de vraag die blijft hangen
Wanneer Onegin weer eens op stap is gegaan en heeft besloten het lezen uit zijn bestaan te weren, bezoekt Tatjana, nog vol van hem, zijn verlaten huis en krijgt een rondgang van zijn huishoudster. Ze ziet zijn boekenkast en ongeduldig op zoek naar aanwijzingen voor de aard van zijn gedachten en gevoelens onderzoekt Tatjana zijn boeken en (een perfect detail om de mate van Tatjana’s ongeduld te tonen) speciaal de blanke marges ervan, op zoek naar woordjes, uitroeptekens, kruisjes, zelfs nagelkrassen die iets kunnen vertellen over wat Onegin onderging en ontleende tijdens zijn lectuur.
‘In een verbeten charge’ gaf Onegin zich bij elk krasje, woordje, kruisje zich voor Tatjana bloot, tot ze zich afvraagt of Onegin eigenlijk geen ‘rare snoeshaan’ was, ‘een product van hemel of van hel,/een engel, duivel, of een spel/(…) Een parodie soms?’
Dit is precies de vraag die blijft hangen: is Onegin een rare snoeshaan? Hij is zeker een verwend heerschap, door Poesjkin zelf ‘op en top een onverbeterlijke snob’ genoemd, ‘een schouwburgridder’, en ‘een zwierbal, zo verzot op trubbels.’. Hij was ‘voor dwalingen gevallen/en ongebreideld zingenot./Verwend door het luchthartig leven/(…)Zo had hij zeven jaar verdaan,/de mooiste van zijn levensbaan.’ Maar plotseling ‘had hij een broertje dood/aan bonje, sabel, kogelrond.’ Hij trok zich terug. Er begint hem iets te knagen:
Wie leeft en denkt, door iets begeesterd,
Veracht de mens in zijn gemoed;
Wie voelt, wordt telkens overmeesterd
Door ‘t spook van dagen blij en zoet:
Hij ziet geen tover in het heden,
Het is de slang van zijn verleden
Die bijt en knaagt, en ook de spijt.
Dat alles geeft de meeste tijd
De conversatie ook zijn charme.
Eerst was Onegin mij te fel,
maar alles went…Ik mag hem wel,
aanhoor zelfs iets van erbarmen
zijn grappen die verbitterd zijn,
zijn epigrammen vol venijn.’
Wanneer Tatjana hem een brief schrijft en haar hart uitstort, draait hij er met een eerlijke verbittering niet omheen: ‘Ik ben niet voor geluk geboren/het is niet naar mijn diepste aard.’ Poesjkin stelt zich voor dat Onegin een dichter was, zoals Lenski, en was gaan trouwen. Dan wachtte hem ‘sleur en rust’, ‘het heilig vuur zou zijn geblust,/hij werd een ander, onverdroten,/zijn muze werd een echtgenote.’ Misschien werd hij wel gelukkig ‘met een kamerjas tot zijn tenue.’ Verschrikkelijk lot!
De angst voor het blussen van het ‘heilig vuur’ was de angst die Poesjkin zelf bekroop toen hij in 1830 (middenin het schrijven van Jevgeni Onegin) uiteindelijk besloot te trouwen met ‘de schoonheid van de stad’ (Moskou), de vrouw ‘die mijn ogen overal als eerste zochten’, Natalja Gontsjarova.
Aan zijn vriend Pjotr Pletnjov schrijft hij dat hij zijn onafhankelijkheid opgeeft. Hij is bereid ‘een toch al onvoldragen leven te verdubbelen.’ Poesjkin sluit zich bij zijn moeizame held Onegin aan wanneer hij schrijft: ‘Ik heb me nooit bekommerd om geluk, ik kan het zonder stellen. Nu heb ik het nodig voor twee, en waar moet ik het vandaan halen?’
melodrama
Er gaan in Jevgeni Onegin twee dingen samen: de solide originaliteit waar Poesjkin mee verwoord wat er in zijn lastige held omgaat, en de aard van zijn terughoudendheid, de psychologische angst dat het heilig vuur zal blussen door de sleur, door de verandering van zijn muze in een echtgenote. Dat veel geletterde russen Jevgeni Onegin koesteren heeft alles te maken met deze pijnlijke, zelfbewuste melancholie, het onder ogen zien van Onegin dat hij na zeven jaar gezwier toch niet genezen is van zijn spleen, zijn ongeloof dat geluk iets voor hem zou zijn. Die onrust en onzekerheid is iets permanents.
Om het nog eens te proberen denkt hij dat het opnieuw lezen van hem verwante schrijvers hem zal helpen, een nieuwe vruchtbare bodem zal leggen. Onegin haalt Gibbon, Rousseau, Chamfort, Manzoni, Herder, Madame de Staël, Bichat, Tissot, Fontenelle en de scepticus Pierre Bayle erbij. Maar Poesjkin schenkt hem niet zo makkelijk beterschap: Onegin leest wel met zijn ogen, ‘maar met zijn denken niet.’ Tussen de gedrukte woorden duiken half vergeten zaken op, ‘angsten, tekens, huiveringen’ die zijn geest omwoelen en weer richting Tatjana sturen, inmiddels getrouwd. Die hem afwijst.
Het is al in het begin duidelijk dat Poesjkin met Jevgeni Onegin geen tragedie wilde schrijven, maar een melodrama. Meteen na het fatale schot van Onegin op Lenski schrijft Poesjkin dat hier ‘een dichter in de knop gebroken’ is. Dat is een weinig invoelende mededeling, een verkleining van het drama dat zich daar afspeelt.
Even weinig echt mededogen toont Poesjkin wanneer Onegin zich uiteindelijk met ‘zijn span’ naar de getrouwde Tatjana spoedt: hij komt dan ‘zo aan haar voeten neergevlogen’, alsof hij een engel is die haar een verheugende mededeling komt brengen. Het omgekeerde is het geval. De spijtoptante losbol krijgt van Tatjana zijn vet: ‘Wat schort er aan uw hart en geest/zo’n kleine slaaf te zijn geweest?’ Wanneer Tatjana na haar laatste woorden tegen Onegin wegloopt zegt Poesjkin: ‘Een donderslag, wat een optater,/ zijn hart gesloopt, om wat ze zei!’. Een ‘optater’ en ‘gesloopt hart’ zijn woorden van iemand die het melodramatisch wil.
Je kunt je erover verbazen dat heel verschillende vertalingen toch hetzelfde zeggen en vergelijkbare hoogstandjes bereiken.
De neiging om als niet-slavist bij deze nieuwe vertaling van Arie van der Ent te gaan vergelijken met eerdere vertalingen, zoals de veel herdrukte van W. Jonker, moet ik bedwingen. Je kunt je erover verbazen dat heel verschillende vertalingen toch hetzelfde zeggen en vergelijkbare hoogstandjes bereiken. Zoals het slot van strofe 24 van het zevende hoofdstuk, de strofe waarin Tatjana zich afvraagt of Onegin een rare snoeshaan is.
W. Jonker vertaalt: ‘Is hij misschien een imitatie?/Een opblaasspook? Een Moskoviet/die graag zichzelf als Harold ziet? Een rare-kuren-compilatie/verpakt in fraseologie?/Is hij misschien een parodie?’
Arie van der Ent vertaalt: ‘Wat was hij nu? Een imitator/Een lege huls, of toch, wie weet,/een Moskoviet in Harolds kleed,/een wezensvreemde agitator,/een boekenkast vol modetaal…?/Een parodie soms, allemaal?’
Zeker is dat Jevgeni Onegin een subliem ironisch melodrama in verzen is, poëzie die, ook in de vertaling van Arie van der Ent, leest als een roman. Elke vertaler wordt door Poesjkin naar zijn niveau getild.
Jevgeni Onegin. Roman in verzen door Aleksandr Poesjkin is vertaald door Arie van der Ent en uitgegeven door EPO, Berchem.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.