Het is overdreven om Weerspiegeld in een waterglas een fotobiografie van Maurice Gilliams (1900-1982) te noemen, maar het aantal op een hele pagina afgedrukte foto’s is zo groot dat het er wel toe uitnodigt: van de poppengedaante in de delicate peuter- en kleuterleeftijd tot de minzaam in de camera kijkende tachtigjarige deftige heer met decoratieve wandelstok. Daar tussendoor een keur van foto’s in alle leeftijden met een onmiskenbaar dichterlijke uitstraling, ver weg van de dichtervorst-allures van Stefan George, maar wel zo zelfbewust en verfijnd dat de gedachte aan porselein opkomt.
Gilliams ziet er vanaf het begin verrassend zelfbewust én kwetsbaar uit: hij is, recht in de camera kijkend, niet voor de poes. Tegelijk zie je zijn schuchtere inborst, het toekomstige ‘lijden’, de migraine als familiekwaal, en zijn neiging om zich als een echte dichter terug te trekken in een eigen verbeeldingswereld. Gilliams is vanaf het begin iemand met een delicate fysieke en mentale constitutie.
Gilliams is de auteur van gedichten, verhalen, romans, verhalen, dagboeken en essays, maar deze opsomming van genres maakt bij elkaar toch slechts 1.100 pagina’s in zijn vierdelige verzameld werk Vita Brevis. Hij werd al vanaf zijn achttiende als een veelbelovend dichter beschouwd, maar zijn roman Elias of het gevecht met de nachtegalen vestigde in 1936 zijn naam, ook in Nederland.
Biograaf Annette Portegies laat van het begin goed uitkomen dat familie in het leven van Gilliams een bepalende rol heeft gespeeld: dat zijn moeder van verarmde Bourgondische adel was (de Sucquets), iets wat bijna dagelijks aan de orde was, maar niets afdeed aan de omvademende genegenheid die hij voor zijn moeder (‘mijne mama’) voelde. Ze liet Maurice knielen en bidden voor de dwalenden op het zeventiende eeuwse familiegraf in de Sint-Pauluskerk in Antwerpen.
Zijn vader kwam uit een geslacht van smeden, had een drukkerij en uitgeverij voor vrienden aan de Ossenmarkt, was een actief verbondsman, schrijver van een Historiek van het Boekdrukkers-Verbond van Antwerpen en oprichter van een opleidingsschool voor typografen. Met deze energieke en goedgemutste vader ging Maurice op klantenjacht in de stad. Die vader had, anders dan zijn vrouw, niets met de kerk. Hij ging wel mee, maar hij zat of stond een boek van Jacob Vosmaer te lezen dat het formaat van een missaal had.
Hoe ‘eenzaam’ Gilliams zich ook altijd heeft gevoeld, oom en tantes beheersten zijn leven. Met name de twee zusters van zijn moeder, die als Theodora en Henriëtte in zijn romans voorkomen. Theodora als een strenge, ongenaakbare vrouw, van wie hij elk woord dat hij schreef moest controleren aan de hand van het woordenboek. Henriëtte, als de vrouw die ‘een indrukwekkende schaduw’ op zijn leven heeft geworpen: ‘Deze tragische, uiterst verfijnde, van gemoed en geest ontwikkelde en delicate vrouw, aristocratisch hautain, eeuwig getormenteerd’. Ze leerde hem tekenen, schrijven en lezen. Maar ze had ook de gewoonte om bij herhaling het verhaal van zijn pijnlijke geboorte te vertellen, wat voor een langdurig schuldgevoel zorgde bij Maurice omdat het zijn moeder bijna het leven kostte. Ze kon daarna ook geen kinderen meer krijgen.
fragiel gestel
Niets ging bij Maurice Gilliams zomaar voorbij, alles maakte indruk op hem. En werd introvert verwerkt. Zijn indrukken en ervaringen waren zijn materiaal. Zoals zijn jaren op het Sint-Victorgesticht, de kostschool in Turnhout waar hij tot 1911 opzat en, verscheurd door heimwee, ‘stelselmatig en genadeloos’ werd gepest. En door de paters werd misbruikt. Voor zijn medeleerlingen zag hij er te verzorgd uit, hij had een fragiel gestel. Op deze kostschool werd je systematisch van je individualiteit ontdaan, wat ongunstig was voor een uitzondering als Maurice.
Gilliams’ katholieke opvoeding betekende dat alles verhuld werd, niet uitgesproken, dat alles bedekt werd door geboden en zondigheid.
Dat blijkt uit de roman over deze kostschool Elseneur of het noodweer der spreeuwen die hij nooit zou publiceren. Hij was een ‘préfére’ van enkele leraren, een gunsteling. In een van de onvoltooide typoscripten van die roman lukt het Gilliams maar fragmentarisch onder woorden te brengen wat hem overkwam: hij probeerde zich onder de dekens te verschuilen als hij de surveillant zijn bed zag naderen: ‘Het is vergeefs: twee grove handen trekken de dekens weg en betasten hem schaamteloos.’ Ook overdag was hij niet veilig. Tot hij instortte en na de vakantie weigerde nog naar de school terug te gaan. Zijn ouders begrepen het eindelijk en namen hem van school.
Hoe fragiel de jonge Gilliams ook mag zijn geweest, hij was ‘een niet onverdienstelijk waterpolospeler’. Hij vond het de ‘verrukkelijkste aller sporten’. Portegies verbaast zich erover dat in het fictieve werk van Gilliams niets te vinden is over zijn sportieve verrichtingen, behalve in Ontwarringen waarin hij terugblikt, ook op ‘Meneer C’, de wat oudere trainer die zijn enthousiasme levend hield. Die werd dan ook met wantrouwen bekeken door de paters.
onmiskenbaar homoseksuele gevoelens
Gilliams’ katholieke opvoeding betekende dat alles verhuld werd, niet uitgesproken, dat alles bedekt werd door geboden en zondigheid. Dat ging in Gilliams zitten. Daar kwam hij maar moeilijk van los. Hij wilde wel drastisch openhartig zijn, maar dat lukte hem maar mondjesmaat. Vaker verhulde hij, draaide er om heen, zoals in de verhalen Oefentocht in het luchtledige. Hij hield van meisjes en vrouwen, maar had onmiskenbaar homoseksuele gevoelens. Hij was bevriend met de iets oudere Emile Bernaerts met wie hij gearmd lopend op een foto staat. Maar erover schrijven was onmogelijk. En was wellicht ook ongemakkelijk omdat hij verschillende keren met meisjes meer dan bevriend raakte, maar het niet serieus liet worden.
Gilliams was ouderwets en modern, hij wilde het per se over ‘mijne mama’ hebben in zijn autobiografisch werk, en niet over ‘mijn moeder’, dat was hem niet affectief genoeg.
Een flink deel van de biografie wordt ingenomen door het huwelijk dat Gilliams aangaat met Gabriëlle Baelemans, een vrouw die hij had ontmoet bij het koor waar ze allebei op zaten. Hun geschiedenis is te absurd en elk woord dat je eraan wijdt is weggegooid: Gaby Baelemans wilde niets van seksualiteit of erotiek weten en bedong van haar biechtvader dat ze het huwelijk niet hoefde te consumeren omdat ze geen kinderen wilde. De huwelijksnacht wordt dan ook een farce en de wittebroodsweken de inleiding voor Gilliams’ besluit om meteen apart te gaan wonen. Dit psychische drama is het onderwerp van Gregoria of een huwelijk op Elseneur, de absurde roman waar Gilliams jaren aan heeft gewerkt zonder hem af te krijgen. Hij verscheen postuum. In de roman komt niet voor dat hij daarna jarenlang gelukkig was en uiteindelijk trouwde met Maria De Raeymaekers, de verpleegster die hem redde uit zijn psychische nood.
Ondertussen, tussen al de door Portegies excellent vergaarde biografische kennis door, is daar ook nog de dichter en de romanschrijver Maurice Gilliams, de perfectionist, de man die altijd op zoek was ‘naar het mooiste woord, het beste beeld, de treffendste vergelijking, het vloeiendste ritme’. Gilliams was ouderwets en modern, hij wilde het per se over ‘mijne mama’ hebben in zijn autobiografisch werk, en niet over ‘mijn moeder’, dat was hem niet affectief genoeg. Ouderwets was Gilliams in zijn zowel vaak scherpzinnige als omslachtige taalgebruik. Nooit omfloerst, maar wel verhullend, alsof er onder woorden iets zat waar het hem echt om ging, niet om het woord zelf. Gilliams wilde het ‘essentiële’ zichtbaar maken onder de dagelijkse vormen. Hij kon maanden wachten op het ontbrekende juiste woord voor een gedicht. Voor minder deed hij het niet.
routineus hoogmoedig
Gilliams werd al als kind ‘een verweekt ventje’ genoemd, maar dat was hij als volwassen man allerminst. Hij was eigengereid, hij gedroeg zich als een prins, was routineus hoogmoedig, dacht dat alles om hem draaide. Hij was een estheet en behoorde volgens de Vlaamse criticus Maurice Roelants bij de familie van sensitieven: Poe, Hölderlin, Rilke, Van de Woestijne. Die betrekken ‘alle voelen en denken op een edel en waarachtig dichterlijk plan en bezitten een poëtisch geheimschrift, dat slechts met veel fijnzinnigheid kan worden ontcijferd’. Wat niet wegneemt dat Gilliams een gefascineerde belangstelling had voor ziektes, perversies, en in Gregoria onomwonden schrijft (maar niet zelf publiceerde) over de mislukte erotische escapades tijdens de huwelijksnacht, waarbij hij bespuugd werd door zijn kersverse vrouw op het moment dat hij haar wilde aanraken. Gilliams wilde, schrijft Portegies, net zo openhartig kunnen zijn als zijn jongere literaire collega’s, hen zelfs daarin overtroeven.
Gilliams was, naast een publieke figuur (‘de kuise mandarijn’) als secretaris van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (zestien jaar), ook een asceet, iemand die zich terug kon trekken in zichzelf en daar een niet voor de hand liggende gedachtewereld kon koesteren. Zoals het houden van harde en koele dingen: ‘Van jongsaf heb ik van harde, gesloten en koele dingen gehouden, al ben ik niet zonder hartstochten en begeerten, al ben ik in sommige gevallen driftig en onredelijk. En niet om de gezelligheid van een warme haard, heb ik naar de wintermaanden verlangd. Ik hield van de lange vriesnachten, op een kamer zonder vuur, om er te kunnen lezen in de winterse stilte van diamant’.
Weerspiegeld in een waterglas is een sterke biografie waarin veel wordt verteld en onthuld en toch het nodige onduidelijk blijft. Dat hoort bij Gilliams, die had scrupules terwijl hij tegelijk nietsontziend wilde zijn. Gilliams’ dubbelheid, zijn waarachtigheid en pose, zijn authenticiteit en intellectuele spel, de eenzame in de menigte, uitmondend in het ‘denkend verdriet’ dat in alles is doorgedrongen, krijgt in deze intelligente en mild sceptische biografie alle ruimte.
Weerspiegeld in een waterglas. Maurice Gilliams 1900-1982 door Annette Portegies is uitgegeven door Athenaeum – Polak & Van Gennep.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.