Het is ochtend en Hanna Bervoets leest de krant. Dat doet ze vaker, maar ditmaal extra geboeid. Er staat een verhaal in over de Russische bioloog Ilya Ivanovich Ivanov (1870-1930) en de vreemde experimenten die hij beraamde en deels volvoerde. Hij had al via kunstmatige inseminatie hybride dieren als een kruising tussen een zebra en een ezel doen ontstaan en nu, in februari 1926, wilde hij nóg verder gaan. Hij toog daartoe naar Guinea in West-Afrika, waar hij een aap en een mens wilde kruisen om Darwins theorie dat de mens van de aap afstamde van sluitend bewijs te voorzien. Een dure onderneming, maar het Russische bolsjewiekenbewind steunde deze ‘Rode Frankenstein’ volop. Financieel, maar ook anders: maar liefst vijf Sovjet-vrouwen boden zich als vrijwilliger aan om het halfaap-halfmens-schepsel te dragen en uiteindelijk te baren.

Het sensationele experiment mislukte voortijdig: Ivanov raakte als zovele intellectuelen uit Stalins gunst, hij werd verbannen naar Kazachstan en stierf kort daarna. Vergetelheid was zijn deel.

Een klap in het gezicht van de kerk

De krant die Hanna Bervoets (1984) op die ochtend een paar jaar geleden las, gold de dag na verschijnen als oud nieuws. Maar Ivanovs verhaal bleef branden in haar hoofd. Ze vroeg zich af: waarom kón dat toen? Nu huiveren we bij de gedachte aan het kruisen van aap en mens, maar toen werd dat experiment toegejuicht – waarom? En waarom kreeg Ivanov toentertijd zoveel subsidie en waarom horen we nu nooit meer iets over zijn grensverleggende onderzoek? Juist in deze tijd is het tenslotte makkelijker dan ooit om genetisch aan te rommelen, met alle ethische bezwaren van dien. Er zijn allerlei argumenten om dat niet te doen; hoe kon het dat die argumenten in Ivanovs tijd, bijna een eeuw geleden, niet golden?

hanna bervoets
De verbeelding neemt het over bij Hanna Bervoets. De feiten geven de fakkel door aan de geestkracht.

Bervoets ging op onderzoek uit, en haar fascinatie werd een onderwerp dat veelomspannend bleek. Er kwamen grote woorden bij, ze leerde hoe de cultuur en politiek in Ivanovs tijd de ethiek bepaalden. Ivanov heeft toen vooral zo zijn gang kunnen gaan omdat er zoveel partijen baat hadden bij zijn experimenten. De atheïstische bolsjewieken hoopten dat zijn verhoopte bewijs voor het gelijk van Darwin een klap in het gezicht van de kerk zou zijn. De gedachte dat je de mens kunstmatig radicaal kon veranderen, was ook koren op hun revolutionaire molen.

En het kolonialisme, zeker dat van Franse snit, was nauw verweven met een sinds het eind van de negentiende eeuw immens populaire rassenleer: de blanke mens was daarin niet alleen superieur aan zijn soortgenoten met meer pigment, degenen met een donker kleurtje werden zelfs niet langer gezien als volwaardige mensen. Kruis je zo iemand met een aap, dan kruis je eigenlijk een beest met een beest – die gedachte. Ook de Fransen trokken daarom gretig de portefeuille voor Ivanov, wiens onderzoek de rechtvaardigheid van hun koloniale stelsel zou aantonen.

Hanna Bervoets vond een proefschrift, gebaseerd op Ivanovs aantekeningen, maar ook dat materiaal beantwoordde al haar vragen niet. Er is een Russische vrouw geweest die het nieuwe wezen zou baren, er was al een woning voor haar. Maar voor het zover was, voor ze geïnsemineerd kon worden en een kind kon krijgen van de viriele chimpansee Tarzan, greep de geschiedenis in. Ivanov viel uit de gratie. Einde wetenschappelijk onderzoek. Maar niet einde verhaal: de verbeelding nam het over bij Bervoets. De feiten gaven de fakkel door aan de geestkracht.

Hiv-virus

Want waarom zou je je eigenlijk beperken, in eerste instantie tot die vooroorlogse tijd? In Bervoets’ verbeelding diende zich een wetenschapster aan die ten tijde van de aids-epidemie in 1994 in de Verenigde Staten een vergelijkbaar, even onethisch onderzoek doet als Ivanov, hoewel met een humaner doel: ze wil die nieuwe pest uitroeien.

Bervoets verknoopt die twee onderzoeken met elkaar: volgens de wetenschapster is het hiv-virus ooit van aap naar mens gegaan door Ivanovs toedoen. Door die twee tijden waarin min of meer hetzelfde sinistere onderzoek verricht werd te spiegelen, sluist Bervoets een zeker ongemak haar verhaal in. Ongemak als krachtvoer voor de lezer, die daar het zijne over moet gaan denken.

Naar een roman van Bervoets kun je uitzien: waarmee verrast ze nu weer?

Hanna Bervoets kon dat verhaal natuurlijk niet in onze tijd laten spelen, want nu zou je je toevlucht niet langer nemen tot kunstmatige inseminatie om aap en mens te kruisen, maar – nog eenvoudiger – tot celdeling. Bovendien laat ze haar homoseksuele verteller Felix vanuit het heden, twintig jaar later, terugkijken op de jaren negentig in Amerika, toen hij tijdens zijn studie journalistiek en culturele studies de virologe leerde kennen.

Dat brengt spelenderwijs het idee dat zoiets als ‘identiteit’ veranderlijk is het verhaal in. Helemaal in Bervoets’ postmodernige straatje, waarin een norm niet is meer dan een ‘constructie’. Waarin normen veranderen als de omstandigheden veranderen. Hoe er toen en nu tegen Ivanovs strevingen werd aangekeken, toont dat al.

Tot zover zijn dat stappen binnen haar denkproces. Irrationeel klontert daar nog het een en ander bij aan. Die wetenschapster Helena Frank is een echte mad scientist, en dan ben je op het terrein van de popcultuur, dus verbaast het niet dat ze een naam krijgt die aan Frankenstein doet denken en dat er ook naar de strip Batman wordt geknipoogd. En voor die Amerikaanse episode geldt dat Bervoets er zelf in zo’n academische omgeving heeft verbleven; haar eigen ervaringen wandelen zo het verhaal binnen. De roman neemt kortom vorm aan.

Verliefdheid als ziekte

Wanneer is er sprake van de geboorte van een nieuwe roman, zoals Ivanov, die begin 2016 zou verschijnen en waarvoor ze op 12 januari 2017 de BNG Bank Literatuurprijs kreeg? Bij de incubatie, mulischesk gezegd. En dat was bij Bervoets het moment dat ze die krant las, vertelde ze mij tijdens een openbaar interview. Vanaf dat moment bleef ze malen over die wonderlijke historie, ging ze vragen stellen, antwoorden bedenken, kwam ze tot een constructie waardoor Ivanovs verzonken onderzoek doorwerkt in ónze tijd.

Hetzelfde procédé als bij haar vorige roman Efter: Bervoets kwam op het idee van Efter om verliefdheid als ziekte te benaderen doordat ze grasduinde in de nieuwe editie van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Deze DSM-5 is het wereldwijd gebruikte handboek waarin alle geestesziekten staan. Gaat dat niet vaker zo bij schrijvers met ambitie, hoor ik mezelf tegenwerpen. Je leest wat en bedenkt iets origineels. Ja, maar Bervoets behoort tot een bijzondere soort daarin: ze is een denkende schrijver. Binnen haar generatie heb je er daar weinig van.

Bij een denkende schrijver als Hanna Bervoets behoeft het geen verbazing te wekken dat ze haar schrijverschap ontwerpt. Ze is een populaire lifestyle-columniste, maar reikt in haar fictie gelukkig hoger dan waar het in dat gemakkelijke feelgoodgenre om draait. Haar jongste drie romans kun je zien als niet minder dan een toetsing van sociale en/of wetenschappelijke experimenten. In de apocalyptische roman Alles wat er was (2013) gaat het om een groep mensen die in een schoolgebouw vastzit met een slinkende voedselvoorraad. Buiten gaat de wereld ten onder. In de dystopische toekomstroman Efter (2014) geldt verliefdheid als een ziekte, waar een groep jongeren tegen behandeld moet worden. In Ivanov staat een (vroeg- en laat twintigste-eeuws) onderzoek centraal waarbij de mens met een chimpansee gekruist wordt.

Het idee dat zoiets als ‘identiteit’ veranderlijk is, past helemaal in Bervoets’ postmodernige straatje.
Bloedhoestende minnaar

Zoveel is duidelijk: Bervoets weigert zich in haar eigengereide romanoeuvre te laten begrenzen. Ze neemt zichzelf roman na roman opnieuw de maat, from scratch. Niet vanuit een programma, maar doordat haar hoofd weer een onderwerp dicteert. Ze houdt nauw voeling met onze tijd, schrijft met evenveel gemak over een beklemmende dystopische wereld als over modernige relaties, die fastfood vormen voor haar cross-over lezers.

Het voordeel van die open sluizen is wel weer dat er uit dat associërende schrijvershoofd geregeld rake zinnen opborrelen.

Haar boeken zijn vól, waarmee ik bedoel dat er veel in omgaat, dat ze vermoedelijk afkomstig zijn uit een stuiterend hoofd, zodanig door zintuigelijke indrukken en over elkaar heen buitelende gedachten bestormd dat niet alle opgeworpen of aangeboorde denkbeelden evenveel reliëf krijgen. De ene keer pakt het wat mij betreft te wezenloos uit (Alles wat er was), de andere keer intrigerend (Efter en Ivanov). Bervoets lijkt mij iemand die geneigd is haar associatieve invallen te honoreren. Natuurlijk is het als metaknipoogje buiten de kaften van Ivanov geinig als een Amerikaanse faculteitsmanager lijkt op de betreurde Nederlandse schrijfster Meijsing. Maar móét het? Waarom niet, kun je zeggen en dat is zo langzamerhand een conditio sine qua non als het om Bervoets lezen gaat. Dus ja, best, het personage Helena oogt als ‘Popeyes Olijfje’. Allemaal popcultuur, meneer.

Het voordeel van die open sluizen is wel weer dat er uit dat associërende schrijvershoofd geregeld rake zinnen opborrelen. Zoals deze, met dat indringende beeld van wat aids kan aanrichten: ‘Jongens en meisjes hieven synchroon hun hoofd en keken me aan, meelevend, nee, medelijdend, alsof ik voor ze op de grond zat, mijn ogen ten hemel geslagen: een bloedhoestende minnaar in mijn armen.’

Oefening in evenwichtskunst

Er zit kortom een zekere grilligheid in Bervoets’ vertelstem, die weet te verrassen maar die ook blijk geeft van gebrek aan consistentie. Bervoets lezen is daardoor een oefening in evenwichtskunst. Niet door halsbrekende capriolen die ze voor het geestesoog van de lezer volvoert, maar doordat je bij bepaalde zinnen, scènes, passages opveert, verscherpt leest, om kort daarna weer pagina’s lang letters maar geen sensatie toegediend te krijgen. Dat heeft vanzelf ook te maken met haar schrijfstijl. Bervoets ontstijgt in zoverre niet aan het gros van haar schrijvende generatiegenoten doordat ze een voorkeur toont voor de korte zin die het hoogstens met een bijvoeglijke bijzin mag stellen.

Af en toe rollen er fraaie zinnen uit haar koker, dus het talent sluimert. Maar ze zou het meer tot wasdom moeten laten komen.

In Alles wat er was lezen we bijvoorbeeld: ‘De benen zijn nu op, maar we hebben de romp en de armen en het hoofd nog. We hebben er natte theedoeken overheen gelegd. Bij nachtvorst blijven de maden weg.’ Dat is beslist effectief geschreven, maar mooi? Mooi schrijven is reliëfrijk schrijven, zinnen die roesmatig zijn, die je in een vervoerende trance leest – en daarvoor tekent Bervoets zelden. Dat is geen kwestie van smaak, dus iets waarvoor ze kiest, maar van stilistische armoede, lijkt mij. Af en toe rollen er fraaie zinnen uit haar koker, dus het talent sluimert. Maar ze zou het meer tot wasdom moeten laten komen.

Begenadigde normmorrelaar

En toch, ondanks mijn bezwaren, buiten kijf is dat Alles wat er was, Efter en Ivanov bijzondere, onalledaagse, ambitieuze romans zijn. En vooral: dat het spannend is om te ervaren waarmee Bervoets nu weer weet te verrassen. Anders gezegd: naar een roman van Bervoets kun je uitzien. Dat is één stap verwijderd van dat wat de zeldzame groten teweegbrengen bij hun lezers: het verzenuwde schokbesef waar hun nieuwe boek toch in hemelsnaam blijft…

Dan spreek ik wel over de gerijpte Bervoets, die van haar laatste drie romans, niet die van haar tweede roman Lieve Céline (2011). De laagbegaafde Brooke met haar passie voor zangeres Céline Dion is nog zo’n niet-reflexief personage, over wier hoofd ze schrijft. Dat stadium is ze voorbij, zoals ze naar eigen zeggen ook de ironie voorbij is. Dat is een schrijversuitspraak die mij altijd ten hoogste verbaast; waarom zou je vrijwillig afstand doen van de literaire techniek die nu juist afstand en dus lucht schept?

Het antwoord laat de begenadigde normmorrelaar Hanna Bervoets wijselijk aan de lezer.

Maar Bervoets heeft daar een bedoeling mee. Ze wil juist dichterbij komen. In Ivanov communiceert Felix met zijn jongere ik; zo bezien is dit een coming-of-age-verhaal, dat een pleidooi behelst voor empathie: ‘Ouder worden is transformeren, en dan heb ik het niet over veranderen, nee, ik bedoel iemand ánders worden: niet per se iemand met meer kennis, eerder in iemand met ándere kennis, andere karaktertrekken – een groter empathisch vermogen misschien.’

Uiterst sympathieke woorden, maar de empathie in Ivanov die zich níét laat uitwissen, is die met Helena Frank, op de keper beschouwd een afgrondelijk monster, geoordeeld naar haar inhumane onderzoek. Tegelijk brengt Ivanov voelbaar in herinnering – dat is het verontrustende – hoe aids destijds dood en verderf zaaide. Heiligt het doel de middelen? Hoeveel levens mag het redden van levens kosten? Dat zijn overwegingen die niet aan Helena Frank besteed lijken. Van buitenaf beschouwd mag ze een monster zijn, door haar nietsontziende missie waarbij ze over lijken gaat. Maar is het niet zo dat je alleen met iemand met een duistere kant zo’n oorlog tegen het Kwaad kunt winnen? Dát antwoord laat de begenadigde normmorrelaar Hanna Bervoets wijselijk aan de lezer.

Fotografie: Alek
Assistent fotografie: Alex Kat
Styling: Lidewij Merckx@House of Orange
Haar en make:up: Charlotte Niketic@House of Orange
Met dank aan: Claes Iversen, Won Hundred en Avelon