Het was in pre-coronatijden, bij een bezoek aan het geweldige museum Micropia in Amsterdam. Ik stond voor het grote raam dat het museumdeel van het laboratorium scheidt en staarde naar een stapel afgedekte kweekschaaltjes. Er was niets in te zien, behalve het dunne laagje zogeheten agarose-gel. Omdat de schaaltjes met een zwarte stift beschreven waren, dus een verse kweek herbergden, beloofde de gel binnen een paar dagen in een fantastisch en kleurrijk microbenlandschap te veranderen. Een vriend, een microbioloog, sloot zich bij me aan en vroeg: ‘Weet je dat we deze gels aan de vrouw van een microbioloog te danken hebben? Zij gebruikte het in haar keuken.’

Mijn nieuwsgierigheid was onmiddellijk gewekt. Die avond ging ik op zoek naar de geschiedenis van het bescheiden werkpaardje van praktisch alle microbiologische en genetische laboratoria: agarose. Ook als u het nooit in handen heeft gehad, bent u er ongetwijfeld indirect mee in contact geweest: via een kweekje bij de huisarts, een medische test, of anders via de routinetestjes die de kwaliteit van ons water of voedsel moeten garanderen. Zelf leerde ik met agarose-gels te werken in een DNA-lab in het kader van genetisch onderzoek naar chimpansees.

Mijn zoektocht naar de oorsprong van het gebruik van agarose leverde een publicatie op uit 1938 met de titel ‘The introduction of agar-agar into bacteriology’. De bacteriologen A.P. Hitchens en M. C. Leikind, auteurs van de publicatie, schreven een ode aan de agarose en een eerbetoon aan de huisvrouw die het veld van de microbiologie met haar vinding een enorme dienst heeft bewezen.

Fruit- en groentegelei

Fanny Hesse was ‘de vrouw achter’ bacterioloog Dr. Walter Hesse, student van de Duitse arts en ontdekker van de tuberculose-bacterie Robert Koch. Zij stond haar man met raad en daad bij, hielp hem met wetenschappelijke experimenten en illustreerde zijn publicaties.

In april 1882 zou het gebruik van agar agar (agarose) vermeld worden in Kochs beroemde paper ‘Die Ätiologie der Tuberkulose’. Fanny Hesse bleef onvermeld.

Om micro-organismen te laten groeien en te onderzoeken, werd op dat moment gelatine gebruikt. Hoewel gelatine, door Koch geïntroduceerd, als revolutionair te boek stond, kende die ook beperkingen. In het bijzonder het feit dat gelatine bij 37°C, de broeiwarmte van bacteriën, vloeibaar wordt. Fanny Hesse stelde daarom aan haar man voor om agar agar te gebruiken. In haar keuken deed dat het goed in fruit- en groentegelei. Zij kende agar agar, dat uit Japans zeewier wordt gewonnen, door een Nederlandse vriendin van haar moeder. Die had jaren op Java gewoond, waar agar agar in de keuken wordt gebruikt. Walter Hesse was uiterst tevreden met het resultaat en liet dat direct weten aan Robert Koch. In april 1882 zou het gebruik van agar agar (agarose) vermeld worden in Kochs beroemde paper ‘Die Ätiologie der Tuberkulose’. Fanny Hesse bleef onvermeld. Zo ook de kennis die via koloniale verhoudingen en vriendschapen de weg aflegde van de Indonesische keuken naar een microbiologisch laboratorium in Duitsland om zo onderdeel te worden van de microbiologische praktijk.

Hier vind je meer artikelen van Amade M’charek.

Kleinerend

Het verhaal over de agarose-gel is me dierbaar. Niet alleen omdat het ons attendeert op het feit dat ook onspectaculaire technieken interessante en complexe geschiedenissen in zich dragen, het verhaal herinnert ook aan een belangrijk fenomeen dat feministische onderzoekers al decennia aankaarten, namelijk de manier waarop vrouwen en hun bijdragen aan de wetenschap onzichtbaar worden gemaakt. Ook het verhaal van het DNA kent dergelijke verdwijntrucs.

We zien de typische dubbele-helixstructuur van DNA tegenwoordig overal, tot in de vormgeving van parfumflessen. Wat nu standaard kennis is – de vorm van het DNA-molecuul en de volgorde van de bouwstenen – was ooit een enorme puzzel. James Watson en Francis Crick staan bekend als de ontdekkers van de structuur van het DNA. U kent wellicht de zwart-witfoto’s van Watson en Crick, poserend naast het driedimensionale model van het DNA dat ze in 1953 bouwden in het befaamde Cavendish Laboratory van Cambridge.

Maar wie zich een beetje in die geschiedenis verdiept, zal al snel de naam van scheikundige en röntgenkristallografe Rosalind Franklin tegenkomen. Het model van Watson en Crick is mede te danken aan de precieze visualisering die Franklin met behulp van de kristallografie had geproduceerd. Tegen de heersende hypothese in dat het DNA een triple helix zou zijn, beredeneerde zij op basis van haar chemische kennis dat het niet anders dan een dubbele helix kon zijn.

Franklin stond niet te boek als een makkelijke dame. In het beroemde boek De dubbele helix van James Watson wordt ze kleinerend ‘Rosie’ genoemd en verdoezelt hij haar bijdrage aan de ontdekking van de dubbele helix. Rosalind Franklin zou in 1958 aan kanker komen overlijden. Watson en Crick ontvingen in 1962 de Nobelprijs voor de ontdekking van de dubbele helix. Maurice Wilkins, een collega van Franklin in het Cambridge lab, was medelaureaat. Het is de vraag of dat voor Rosalind Franklin ook zou hebben gegolden.

Weggegumd

Vandaag de dag wordt het werk van Franklin erkend en haar bijdrage aan de wetenschap geëerd. Zo zijn er gebouwen en prijzen naar haar vernoemd. Maar wat was ik overdonderd toen ik er onlangs achter kwam dat er een andere vrouw in het Cavendish Lab werkte wier bijdrage aan de ontrafeling van de structuur van het DNA waarschijnlijk nog vele malen groter was en wier sporen weggegumd lijken te zijn.

June Lindsey, geboren Broomhead, was als natuur- en wiskundige eveneens gespecialiseerd in de röntgenkristallografie. Toen zij in 1944 als een van de weinige vrouwen haar doctoraalexamen deed in Cambridge, haalde ze zeer hoge cijfers, maar als vrouw kreeg ze haar diploma pas vijftig jaar later. Over Crick, die bij haar op de gang werkte, zou ze zeggen: ‘Ik mocht hem niet bijzonder. Hij negeerde mensen zoals ik.’

Maar terwijl Watson en Crick de persoon June Lindsey negeerden, namen ze wel degelijk kennis van haar werk. In haar promotieonderzoek heeft Lindsey namelijk twee van de vier bouwstenen van het DNA (adenine en guanine) nauwgezet beschreven. Daarbij heeft ze ook de chemische verbanden die de bouwstenen met elkaar aangaan via zogeheten waterstofbruggen voorgesteld. Een enorme rekenprestatie, omdat waterstofmoleculen vaak over het hoofd gezien worden in de kristallografie.

In zijn boek The Path to the Double Helix (1974) schrijft historicus Robert Olby dat Watson het proefschrift van Lindsey vlak voor hun doorbraak heeft geraadpleegd en zich daardoor realiseerde dat de waterstofbrug als een rits kan werken die opengeritst wordt als het DNA gekopieerd wordt.

Lindsey’s werk was hét naslagwerk voor iedereen die zich in de jaren vijftig met DNA bezighield. Maar in de Nature-publicatie van Watson en Crick van 1953, waarin ze hun ontdekking wereldkundig maken, wordt niet aan Lindsey (toen Broomhead) gerefereerd. Tot op de dag van vandaag is de erkenning van haar bijdrage marginaal. June Lindsey overleed afgelopen november op 99-jarige leeftijd.