Wetenschappers van de Universiteit van Oxford stelden in 2013 een lijst samen met beroepen en hoe groot de kans was dat ze in de toekomst zouden worden overgenomen door kunstmatige intelligentie. Routinematig werk werd het meest bedreigd: telemarketeers, magazijnmedewerkers, belastingconsulenten, makelaars, caissières, havenarbeiders en vrachtwagenchauffeurs zouden, vroeg of laat, worden vervangen door machines.
En creatieve en artistieke beroepen? De meeste mensen (en onderzoekers) vonden het maar een bespottelijke gedachte dat zulk werk ooit geautomatiseerd zou worden. Daarbinnen stond een bepaald soort intelligentie centraal waar machines niet bij konden. Er was een bewustzijn voor nodig. De kans dat het werk van een illustrator zou worden overgenomen door kunstmatige intelligentie werd dan ook geschat op 0,042 procent.
De mens verslaan
In tien jaar tijd kan veel gebeuren. Achteraf bezien waren we misschien naïef. We wisten immers allang dat het bijna ondoenlijk was om een robot op natuurlijke, mensachtige wijze uit een auto te laten stappen (meestal vallen ze), maar dat computers wel in staat waren om de mens te verslaan in een potje schaken. Misschien wilden we gewoon niet geloven dat zoiets ongrijpbaars als creativiteit – een diep-menselijke vaardigheid – uiteindelijk ook na te bootsen was door kunstmatige intelligentie. Het voldongen feit nog even voor ons uitschuiven, tot het punt dat het echt niet meer te ontkennen viel.
Het is belangrijk om te bedenken wat we verliezen met kunstmatige intelligentie, want in de eenentwintigste eeuw hervormt techniek ons bestaan meer dan ooit.
Afgelopen jaar zagen we hoe programma’s als DALL·E 2 en Midjourney kunstwerken en illustraties creëerden. Hoe ChatGPT coherente verhalen, zelfs poëzie, kon schrijven. Vergelijkbare programma’s, zogeheten ‘generatieve kunstmatige intelligentie’, kunnen muziek en filmfragmenten maken, teksten samenvatten, beeld en audio bewerken, videogames ontwerpen, input leveren voor een lezing of presentatie, de belangrijkste bevindingen uit een wetenschappelijk paper vissen en onderzoeksvragen beantwoorden door het hele internet af te struinen en dan het meest betrouwbare (meest geciteerde) antwoord te formuleren.
Amputerende werking
Het enige wat ons – de mens – nog restte, was een paar steekwoorden opschrijven, een ‘prompt’ waarmee we de computer instructies gaven.
Al snel werd er gesproken over een revolutie. Een omwenteling net zo groot als de komst van het internet en de smartphone. Trendwatcher Jarno Duursma sprak in zijn nieuwsbrief over een nieuw tijdperk: ‘Slimme software als creatieve assistent, als oneindige ideeënmachine, als slimme/domme contentschrijver, creatieve denker en vraagbaak.’
Kortom: het kan niet op. ‘Kijk eens naar deze afbeelding,’ schrijven mensen op sociale media. ‘Gemaakt door een mens, of door DALL·E 2? Wat denken jullie? Moeilijk te zien, hè?’
Journalisten laten de eerste alinea’s van hun artikel schrijven door ChatGPT en vragen dan aan de lezer: ‘Las dat fijn? Jaha, geschreven door een algoritme. Knap hè.’
Er wordt nog net geen nationale feestdag van gemaakt. Iedereen een dag vrij en alle tijd om zich te vergapen aan alle nieuwe mogelijkheden.
We vinden het blijkbaar moeilijk om de vraag op te werpen wat we verliezen met deze nieuwe technologieën. Toch is het belangrijk om daarover na te denken, want in de eenentwintigste eeuw hervormt techniek ons bestaan meer dan ooit. Vaak verbetert het onze vaardigheden, opent het nieuwe werelden voor ons en laat het ons meer betrokken zijn bij onze omgeving. Maar het kan ook de tegengestelde richting in slaan. Techniek heeft dan een amputerende werking: bepaalde vaardigheden gaan achteruit en we worden ontmoedigd een relatie aan te gaan met onze omgeving.
Alleen het eindresultaat telt
Vooropgesteld: het zou mal zijn om techniek als zodanig af te wijzen. Techniek maakt ons menselijk, we hebben het sinds het ontstaan van de mens geïntegreerd in ons bestaan – van het vuur en de bijl tot de stoommachine, de telefoon en het internet. Het hielp ons overleven, omdat het onze zwakten compenseerde, onze gebreken maskeerde. Techniek moedigde ons aan om ons bereik in de wereld te vergroten. Het hielp onze dromen vorm te geven.
Toch betekent dat niet dat alle technologieën goed aansluiten op hoe we leven en handelen. De ene technologie verandert de wereld voor ons in een plek waar we ons meer thuis voelen, de andere verhindert het juist om een rijk en geëngageerd leven te leiden.
Nicholas Carr verhaalt in zijn boek De glazen kooi over de zeis, een stuk gereedschap dat rond 500 voor Christus de sikkel opvolgde, en waarmee je gras of graan kon maaien. Doordat het blad bevestigd was aan een lange, houten steel, kon de landarbeider de halmen vlak boven de grond af maaien terwijl hij zelf rechtop bleef staan. Zo kon sneller hooi en graan worden geoogst of een weide worden gemaaid.
Maar interessanter dan die verhoogde productiviteit: de zeis was goed op de mens afgestemd. Veel geschikter voor het lichamelijke werk van het maaien dan de sikkel. De landarbeider hoefde niet meer te zitten of hurken, hij kon rondlopen in een natuurlijke houding, beide handen gebruiken, evenals de volledige kracht van zijn lichaam.
Waar de zeis ons handelen verrijkte, lijkt generatieve kunstmatige intelligentie onze manier van ervaring opdoen juist te verschralen.
De zeis was zowel een hulpmiddel als een uitnodiging tot het geschoolde werk dat erdoor mogelijk werd, schrijft Carr. Hij ziet in de zeis een model voor technologie naar menselijke maat. Een gereedschap dat de productiviteit van de landarbeider verhoogde, zonder zijn handelings- of waarnemingsbereik te beperken. In plaats van hem werk uit handen te nemen, versterkte de zeis juist de betrokkenheid bij wat hij deed. Zijn begrip van de wereld werd verhoogd. De zeis is daarom, volgens Carr, zowel een gereedschap van het lichaam als van de geest.
Is de nieuwe lichting kunstmatige intelligentie net zo goed op ons afgestemd als de zeis? Ik denk van niet. Ze neemt namelijk niet alleen geestdodende, repetitieve handelingen van ons over, maar ook het creatieve proces, of delen daarvan. Terwijl dat juist is waar we met behulp van technologie méér tijd voor wilden overhouden. Generatieve kunstmatige intelligentie ontneemt ons datgene wat ons een vrij en autonoom gevoel geeft, te weten: handelen, scheppen, creatief bezig zijn en ons capabel voelen.
Waar de zeis ons handelen verrijkte, lijkt generatieve kunstmatige intelligentie onze manier van ervaring opdoen juist te verschralen. Net als veel andere digitale technologieën neemt ze het proces van ons over. Alleen het eindresultaat telt.
De kunst van het prompten
Hoe we tot dat eindresultaat komen, illustreert journalist en dataïst Kevin Kelly in een essay in techblad Wired. Hij schrijft dat hij met programma’s als DALL·E en Midjourney duizenden illustraties genereerde, die hij ‘co-creaties’ noemt. Ze kwamen tot stand via prompts, of, in de woorden van Kelly, via ‘zeer lange gesprekken tussen mens en machine. Om een illustratie te verfraaien, moeten we telkens code zenden naar de computer, en het weer aanpassen. Dat proces kan dagen duren. Het is een vaardigheid.’
Maar wel een vaardigheid die het rijke proces van creëren – alle complexe handelingen en denkprocessen van kunstenaars, ontwerpers, schrijvers en andere creatievelingen – terugbrengt tot de ‘kunst van het prompten’. Het enige wat nodig is, is een manier vinden om kunstmatige intelligentie ervan te ‘overtuigen’ goed werk te leveren. De nieuwe generatie creatievelingen die door deze technologie ontstaat, noemt Kelly dan ook ‘promptartiesten’ of ‘KI-fluisteraars’.
Ergens moeite voor doen
Deze omwenteling in de manier van creëren gaan we volgens Kelly de komende jaren in bijna alle domeinen van ons leven terugzien. Creativiteit wordt iets dat we uitbesteden. ‘Bijvoorbeeld om auto’s te ontwerpen, wetten op te stellen en soundtracks te componeren. Bij zowat alles wat we doen, gaan we intensief samenwerken met kunstmatige intelligentie.’
Op die manier verwordt creativiteit tot iets bestelbaars. Het is on demand voor iedereen beschikbaar, net zoals de boodschappen die we via Picnic laten bezorgen of de serie die we bingen op Netflix. Het enige dat we nodig hebben, is een stukje code.
Wat we daarmee verliezen, is de wil om ergens moeite voor te doen. Uit meerdere psychologische onderzoeken blijkt dat wanneer we ons inspannen dat een gunstig effect heeft op hoe we ons voelen. We vinden ervaringen waardevoller en beleven ze intenser. Het veroorzaakt toewijding en betrokkenheid bij ons handelen, we kunnen erin opgaan.
‘Wanneer we weten dat er geen worsteling heeft plaatsgevonden, maakt een schilderij of tekst minder in ons los.’
Carr schrijft dat we niet doorhebben wat de ‘kosten’ zijn van het verliezen van onze wil om moeite te doen, onze wil om ons ergens betrokken bij te voelen. ‘Ook kost het ons een afnemende daadkracht en autonomie, en een subtiele achteruitgang in vaardigheden, of zelfs de verhindering om überhaupt nieuwe vaardigheden en expertises te verwerven en ontwikkelen. Het zijn verliesposten die we niet opmerken, omdat ze niet te vatten zijn in cijfers. Maar geleidelijk pellen ze onze menselijkheid af.’
Dat werkt ook de andere kant op. De blik die de ander werpt op een kunstwerk dat is vervaardigd door een persoon, roept op een andere manier waardering op dan wanneer het gemaakt zou zijn door een algoritme. We weten dat een kunstenaar, schrijver of filmmaker persoonlijke, sociale, technische en conventionele beperkingen overwint om tot een werk te komen, schreef filosofe Doortje Lenders in Trouw. ‘Wanneer we weten dat er geen worsteling heeft plaatsgevonden, maakt een schilderij of tekst minder in ons los. We kunnen het werk dan alleen nog aan de oppervlakte waarderen, als decoratie in plaats van kunstwerk.’
Paniekerig
Waarom hebben we dan toch de neiging om de tekst en kunst die door algoritmes worden vervaardigd, zo te bejubelen? We weten dat er tijdens het maakproces niet geploeterd is door een mens van vlees en bloed, maar dat de enige geleverde inspanning het invoeren van een stukje code was.
Volgens mij zijn hier twee tegengestelde krachten aan het werk. Enerzijds halen we onszelf graag omlaag om op hetzelfde niveau te komen als de machine. Psycholoog Sherry Turkle schrijft in haar boek Reclaiming Conversation dat we zo graag willen dat machines op ons lijken en niet voor ons onderdoen, dat we ons aanpassen aan hun gebrekkigheid, zodat ze er beter uitkomen.
Dat is terug te zien in de paniekerige wijze waarop wordt geschreven over het schoolessay dat ‘dood’ zou zijn. We reduceren taalcompetentie tot datgene waar computers goed in zijn, schrijft cultuursocioloog Siri Beerends op platform SETUP. We maken onszelf een stukje minder menselijk door een mechanistisch begrip van taal te omarmen.
Hetzelfde geldt voor door kunstmatige intelligentie gegenereerde beelden. ‘We schuiven terzijde dat het slechts een statistische extrapolatie laat zien van alle online beelden die al bestaan,’ schrijft Beerends. We plaatsen het menselijke ‘intentionele communicatieve proces’ op dezelfde hoogte – of dus eigenlijk laagte – als de snelle rekensom met geavanceerde patroonherkenning van computers. Oftewel: we accepteren dat er geen bewustzijn nodig is voor creativiteit.
Anderzijds zien we onszelf in vergelijking met de machine als een hopeloos inefficiënt wezen, schrijft filosoof Miriam Rasch in Frictie. We lijden aan ‘prometheïsche schaamte’: de schaamte om anders te zijn dan apparaten en dus niet te kunnen worden geoptimaliseerd. In robots en machines zouden we iets van de perfectie herkennen die we zelf missen.
Dus doen we er alles aan om meer op machines te lijken, in de hoop dichterbij te komen.
Dat wordt treffend uiteengezet door Kevin Kelly, die in Wired schrijft dat hij zich een half jaar lang verdiepte in de logica van prompts schrijven. Het proces van ‘prompting’ beschrijft hij als volgt: ‘Denk als de kunstmatige intelligentie. Wat vindt het leuk om te horen? Fluister instructies die in het verleden hebben gewerkt en voeg ze toe aan de prompt. Doe het nog eens. Verander de woordvolgorde om te zien of hij dat leuk vindt.’
Dat vat in een notendop samen hoe generatieve kunstmatige intelligentie de samenleving beïnvloedt. Kunstenaars veranderen in kunstmatige-intelligentiefluisteraars. Het doet denken aan wat Turkle schrijft, namelijk dat op het moment dat kunstmatige intelligentie zal slagen, de mens gerobotiseerd is.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.