Wie kansengelijkheid in het onderwijs een warm hart toedraagt, ontkomt niet aan frustratie, aangezien het onderwerp al jaren hoog op de publieke en politieke agenda staat, maar de ongelijkheid ondertussen eerder toe- dan afneemt. Zo ook Louise Elffers, die zich al vijftien jaar met het thema bezighoudt. ‘Ik wil eigenlijk niet dat dit gesprek wéér gaat over het schooladvies en of de eindtoets daarbij al dan niet leidend moet zijn,’ grijpt ze in tijdens het interview. ‘We moeten de discussie veel breder trekken.’
Reden voor Elffers om het verschijnsel grondig door te lichten in haar nieuwe boek Onderwijs maakt het verschil, dat 4 mei verschijnt bij Walburg Pers. In haar informatiedichte analyse ontleedt Elffers wat kansengelijkheid nu eigenlijk is, hoe de kansen verdeeld zijn in Nederland en hoe de discussie over het thema vertroebelt.
Tegelijkertijd laat ze zien dat er wel degelijk oplossingen voorhanden zijn, ook zonder een ingrijpende stelselwijziging. En daar komt de onmacht om de hoek kijken. ‘Waarom houden we dit systeem dan toch in stand, terwijl we weten dat het discrimineert en de kansen van groepen leerlingen beperkt?’
Elffers verdeelt haar tijd over drie banen. Ze is lector Kansrijke Schoolloopbanen in een Diverse Stad, onderzoeker aan de UvA en directeur van Kenniscentrum Ongelijkheid. Haar boek schreef ze in de avonden en weekenden, voor zover dat mogelijk was met drie jonge kinderen in de coronapandemie. ‘Ik vond die schrijfavonden heerlijk. Mijn hersenen zijn toch met dit onderwerp in de weer, ik wilde zelf graag weten hoe kansengelijkheid in het onderwijs precies in elkaar steekt. Het boek bood fijn houvast om dat uit te zoeken.’
Dat allerlei impliciete verwachtingen meespelen bij de verdeling van kansen, ervoer Elffers al vroeg. ‘In groep 8 kregen we bijvoorbeeld een geel gidsje, met daarin alle middelbare scholen in Amsterdam. Er ging een wereld voor me open, ik zat er eindeloos in te bladeren. Ik las over de Lagere huishoud- en nijverheidsschool, daar had ik nog nooit van gehoord. Ik voelde aan dat het niet de verwachting was dat wij, leerlingen van een basisschool in Amsterdam-Zuid, daarheen zouden gaan. Ook op de middelbare school en universiteit merkte ik dat studiesucces geen puur meritocratisch vraagstuk is, al had ik daar toen natuurlijk die woorden niet voor.’
Lage verwachtingen
In Onderwijs maakt het verschil besluit Elffers haar analyse met tien actiepunten om de kansen voor kinderen in Nederland eerlijker te verdelen. Welk daarvan zou ze kiezen als ze het nu voor het zeggen had in onderwijsland? ‘Ik ben er huiverig voor een hele analyse plat te slaan tot één radertje waaraan zou moeten worden gedraaid. Maar als ik iets zou moeten kiezen, dan zou ik ervoor zorgen dat er geen ruimte meer is voor het glazen plafond van de lage verwachtingen.’
Verwachtingen die leerkrachten van leerlingen hebben, zijn vaak deels gebaseerd op vooroordelen. ‘Niet omdat leerkrachten bewust discrimineren, maar omdat leerkrachten mens zijn.’
Vooral het opleidingsniveau van de ouders speelt mee in de ongelijke adviezen die gelijkpresterende leerlingen krijgen. Vervolgens hebben die lage verwachtingen de onfortuinlijke eigenschap zichzelf waar te maken. Wie eenmaal in het vmbo-, havo- of vwo-vakje is ingestroomd, krijgt de leerkansen die bij dat niveau horen. Leerlingen die het niet redden, “stromen af”, maar “opstromen” is een zeldzaamheid. Leerlingen die uitstekend presteren op het vmbo krijgen zelden de kans om tussentijds naar de havo over te stappen. Zo blijft onzichtbaar dat de verwachtingen ook hoger hadden kunnen zijn.
Het opleidingsniveau vertaalt zich naar inkomen en carrièrekansen, mogelijkheden op de woningmarkt en zelfs naar gezondheid en levensverwachting.
Die zichzelf waarmakende verwachtingen achtervolgen kinderen hun hele leven. Het opleidingsniveau vertaalt zich naar inkomen en carrièrekansen, mogelijkheden op de woningmarkt en zelfs naar gezondheid en levensverwachting. Mensen met een hbo- of universitaire opleiding brengen gemiddeld vijftien levensjaren langer in goede gezondheid door.
‘We leggen in het onderwijs te veel nadruk op de selectie; in welk vakje moeten we deze leerling stoppen? Dat gaat ten koste van de pedagogische opdracht die er ook ligt: de opdracht leerlingen te begeleiden en stimuleren in hun ontwikkeling, hen de kans bieden om te leren. Dat laatste is wel wat veel leerkrachten drijft om het onderwijs in te gaan. Ze willen leerlingen stimuleren bij hun ontwikkeling. En toch is dat op dit moment wat het onderwijs nu juist níet doet voor een deel van de leerlingen.’
Gebrek aan vertrouwen
We verwachten een growth mindset van leerlingen, schrijft Elffers in haar boek. ‘Om te kunnen leren, moeten leerlingen geloven dat ze nieuwe dingen kunnen leren door te oefenen. Het Nederlandse onderwijs blijkt zelf echter doordrenkt van een gebrek aan vertrouwen in de groeimogelijkheden van leerlingen, en in het bijzonder in de groeimogelijkheden van leerlingen met ouders die geen hbo- of universitaire opleiding hebben gevolgd.’
‘Voor het garanderen van kansengelijkheid is het essentieel dat individuele leerlingen het algemene groepsbeeld kunnen ontstijgen.’
Ten onrechte, schrijft ze. Elk jaar onderwijs dat kinderen volgen, heeft een blijvend positief effect op hun intellect. ‘Voor het garanderen van kansengelijkheid is het essentieel dat individuele leerlingen het algemene groepsbeeld kunnen ontstijgen. De vroege selectie werkt stereotypering in de hand van leerlingen van wie de ouders geen hoger onderwijs hebben gevolgd.’
Schotten tussen de niveaus
Niet alleen een gebrek aan vertrouwen in de ontwikkelmogelijkheden van groepen kinderen belemmert hun leerkansen, die kansen worden verder beperkt door de schotten tussen verschillende niveaus in het voortgezet onderwijs. Veel scholen hebben hun vmbo-afdelingen afgestoten om vwo-leerlingen te trekken en het aantal brede brugklassen is sterk afgenomen.
Het voortgezet onderwijs moet veel flexibeler, bepleit Elffers, door alle niveaus onder één dak aan te bieden en leerlingen de eerste drie jaar laagdrempelig de mogelijkheid te geven om van niveau te wisselen. Een kind kan dan op basis van het advies en de eindtoets bijvoorbeeld op vmbo-niveau beginnen en vervolgens op havo-niveau vakken volgen als het haar gemakkelijk afgaat. Of andersom. Elffers refereert aan Yunuscan uit de documentaireserie Klassen: slim en gemotiveerd, maar door een andere thuistaal is zijn Nederlands net niet goed genoeg voor de havo. ‘Geef zo’n jongen iets meer tijd om zijn taalniveau te verbeteren en hij kan het wél.’
Op deze flexibele scholen kunnen kinderen van verschillende niveaus samenwerken in projecten. ‘Zo kun je zowel praktische als theoretische competenties aanboren. Dat geeft alle kinderen de gelegenheid verschillende talenten te ontdekken en ontwikkelen. In plaats van hoe het nu gaat: dat wij op basis van iemands cognitieve prestaties bepalen dat hij of zij moet worden klaargestoomd voor een praktische of een theoretische leerroute.’
Perverse prikkel
Voordat ‘de gymnasiumlobby’ begint te steigeren, wil Elffers een paar misverstanden wegnemen. Nee, flexibeler middelbare scholen betekent niet dat iedereen op hetzelfde niveau les krijgt. Leerlingen mogen nog steeds ‘excelleren’. ‘Niet selecteren, maar wel differentiëren. Dus niet de onderwijsroute voor kinderen onnodig vastleggen terwijl ze nog volop in ontwikkeling zijn, maar wel op verschillende niveaus lesgeven, zodat alle kinderen worden uitgedaagd.’
Dat hoeft niet met dwang van bovenaf, stelt Elffers. ‘De wet biedt er ruimte toe. Dit soort initiatieven zijn er al.’ Ze noemt het Vox college in Amsterdam-Noord, waar kinderen uit de vmbo, havo- en vwo-stromingen samenwerken. ‘Gemeenten stimuleren deze initiatieven met subsidies. Dat is goed, al verloopt dat vaak via een zogeheten brede brugklasbonus, wat suggereert dat alle niveaus bij elkaar in de klas dienen te zitten. Terwijl het mij erom gaat dat scholen verschillende niveaus aanbieden waartussen leerlingen makkelijker kunnen wisselen.’
‘Volgens mij is kansengelijkheid zo belangrijk dat we een kansengelijkheidscheck moeten invoeren voor al het overheidsbeleid: werkt deze maatregel onbedoeld kansenongelijkheid in de hand?’
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap roept op om ‘kansrijk’ te adviseren en plaatsen. ‘Tegelijkertijd beoordeelt de inspectie middelbare scholen op “afstroom” van leerlingen naar lagere niveaus. Ik snap dat afstroom iets kan zeggen over de kwaliteit van een school, maar het is een perverse prikkel die in de hand werkt dat we kinderen zelden het voordeel van de twijfel geven en dus beperken in hun groeimogelijkheden. Volgens mij is kansengelijkheid zo belangrijk dat we een kansengelijkheidscheck moeten invoeren voor al het overheidsbeleid: werkt deze maatregel onbedoeld kansenongelijkheid in de hand?’
Gelijke kansen bij ongelijke geschiktheid
Wat de discussie over kansengelijkheid volgens Elffers vertroebelt, is het feit dat we niet expliciteren wat we precies verstaan onder gelijke kansen: moeten kinderen bij gelijke geschiktheid gelijke kansen krijgen? Of moeten ze gelijke kansen krijgen om geschiktheid te ontwikkelen, moeten scholen met andere woorden proberen te compenseren voor verschillen in talige en cognitieve input en begeleiding die kinderen van huis uit meekrijgen? Of, een derde benadering, moet de maatschappij beloning, macht, aanzien en gezondheid eerlijker verdelen, ongeacht iemands schoolloopbaan? ‘Gelijke kansen bij ongelijke geschiktheid,’ noemt Elffers die interpretatie.
‘Ik kom tot de conclusie dat je al die interpretaties van kansengelijkheid naast elkaar nodig hebt. In de dagelijkse praktijk, als de leerkracht zich wijdt aan de pedagogische opdracht kinderen te stimuleren en begeleiden in hun leerproces, werk je vanuit die tweede definitie van kansengelijkheid. Dan moet je proberen zo af te stemmen op je leerlingen, dat iedereen de beste kansen heeft om zijn of haar talenten te ontwikkelen. Ongelijke behandeling, differentiëren, we doen dag in dag uit niet anders in het onderwijs.’
Loten de enige eerlijke oplossing
Maar als het gaat om de selectiemomenten, de overgang tussen het basis- en voortgezet onderwijs of de instroom in selectieve studietrajecten als de University Colleges, dan heb je die eerste definitie van kansengelijkheid nodig. ‘Dan moeten alle kinderen bij gelijke prestaties – bijvoorbeeld met een bepaalde score op de eindtoets – dezelfde kans krijgen dat traject te doorlopen. Zonder dat daaraan aanvullende criteria te pas komen die onbedoeld een beroep doen op het sociaal, cultureel of economisch kapitaal van gezinnen: zoals bij decentrale selectieprocedures met hun foto’s en motivatiebrieven.’
‘Nee, van mij hoeft echt niet iedereen naar de havo of de universiteit. Ik wil alleen dat iedereen die naar de havo of de universiteit kan en wil daartoe gelijke kansen krijgt.’
Zijn er niet genoeg plekken in een bepaald traject, dan is loten de enige eerlijke oplossing, zegt Elffers. Ook hier liggen misverstanden op de loer. ‘Nee, van mij hoeft echt niet iedereen naar de havo of de universiteit. Ik wil alleen dat iedereen die naar de havo of de universiteit kan en wil daartoe gelijke kansen krijgt.’
Wees het systeem!
Als kansengelijkheid iets is wat iedereen wil en in geen verkiezingsprogramma ontbreekt, waarom komt het er dan toch niet van? Omdat we te veel vanuit het systeem denken, constateert Elffers. Een systeem dat goed werkt voor de meeste mensen die het voor het zeggen hebben in dit land. ‘Je hebt pas door hoe hard het waait als je tegen de wind in fietst. Wie de wind mee heeft, denkt gewoon dat hij of zij heel hard aan het trappen is.’
‘Uiteindelijk wil je kinderen op school klaarstomen voor samenleven, samen leren en samenwerken.’
Als voorbeeld noemt ze de categorale gymnasia, waar ze zelf ook belandde, ondanks de omzwervingen door de scholengids. ‘Ik ben geen gefrustreerde gymnasiast,’ benadrukt ze. ‘Ik heb daar een fijne tijd gehad, die ik anderen ook gun. Ik zie alleen niet in waarom dat onderwijs op een apart eilandje gegeven moet worden.’
Terwijl ze wél redenen ziet de gymnasia te integreren op scholengemeenschappen: ‘Uiteindelijk wil je kinderen op school klaarstomen voor samenleven, samen leren en samenwerken. Natuurlijk weet ik dat op scholengemeenschappen ook eilandjes ontstaan. Maar als kinderen van verschillende niveaus op dezelfde school zitten, kun je ze in ieder geval met gezamenlijke projecten aanzetten elkaar tóch te ontmoeten. Zodat kinderen bijvoorbeeld ook echt ervaren wat de meerwaarde is als een groepsgenoot tien keer sneller en handiger is. Nu loven politici het beroepsonderwijs toch vooral in de context van hun brood dat gebakken dient te worden of hun wasmachine die gerepareerd moet worden: in dienst van de eigen behoeftes.’
Wees het systeem, roept Elffers op. ‘Natuurlijk, beleid moet bijsturen waar idealen en gedrag niet op elkaar aansluiten, maar dat wil niet zeggen dat we als individuen losstaan van het systeem. In het debat bestaat de neiging kansenongelijkheid te reduceren tot het verbeteren van de positie van “kansarme” of “kwetsbare” leerlingen,’ schrijft ze. Maar ‘kansenongelijkheid gaat ook over het tegengaan van oneigenlijke privileges.’ Om het herverdelen van de wind die zo veel politici, opiniemakers, journalisten en beleidsmakers als steuntje in de rug hebben, en dat kan de boel frustreren.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.